Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4843

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
C/10/594912 / HA ZA 20-383
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding vrachtwagen tegen overhangend pand. Op terrein gevestigde financiële holding niet aansprakelijk op grond van art. 6:174, 6:181 of 6:162 BW, omdat zij geen bezitter of bedrijfsmatig gebruiker is en geen zeggenschap heeft over het terrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2022/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594912 / HA ZA 20-383

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BODE SCHOLTEN B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

advocaat mr. A.M. den Hollander te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE BOSKALIS WESTMINSTER N.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H.C.A. van der Houven van Oordt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Bode Scholten en KBW genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 april , met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    spreekaantekeningen van Bode Scholten;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Bode Scholten is een onderneming die zich bezighoudt met, onder meer, goederenvervoer over de weg.

2.2.

KBW is de beursgenoteerde financiële holdingmaatschappij van het Boskalis-concern. KBW heeft geen werknemers. Blijkens uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is het doel van KBW: “het deelnemen in - en het voeren van de directie over andere vennootschappen en ondernemingen, van welke aard ook, het financieren en doen financieren daarvan en het verrichten van alle handelingen die aan het vorenstaande bevorderlijk kunnen zijn of daarmee verband houden.” KBW heeft Sliedrecht als haar statutaire zetel en blijkens genoemd register, evenals diverse andere Boskalis-vennootschappen, haar bezoekadres aan de [adres].

2.3.

De [straatnaam] is een openbare weg, gelegen rond het bedrijfsterrein dat eigendom is van Baggermaatschappij Boskalis B.V., een tot de Boskalis groep behorende vennootschap.

2.4.

Eén van de kantoorpanden op het bedrijfsterrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. hangt gedeeltelijk over de [straatnaam], op een hoogte van circa 3.60 meter.

2.5.

Op 27 juli 2015 heeft een werknemer van Bode Scholten met een vrachtwagen goederen afgeleverd op het bedrijfsterrein van Baggermaatschappij Boskalis B.V. Bij het verlaten van het bedrijfsterrein, is hij met de vrachtwagen tegen het overhangende pand aangereden. De vrachtwagen was 4 meter hoog en kon niet onder het overhangende pand van slechts 3.60 meter doorrijden.

2.6.

Per brief van 10 oktober 2017 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van Bode Scholten KBW aansprakelijk gesteld voor de door Bode Scholten als gevolg van het ongeval van 27 juli 2015 geleden schade.

2.7.

KBW heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1.

Bode Scholten vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, KBW zal veroordelen tot betaling van:

- de door Bode Scholten geleden schade ten aanzien van de vrachtwagen, te begroten op € 20.850,- vermeerderd met de expertisekosten (van € 225,75), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 27 juli 2015, althans de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- de door Bode Scholten geleden schade vanwege gederfde winst, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- de buitengerechtelijke kosten van € 985,75 te vermeerderen met BTW;

- de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

Bode Scholten legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat het overhangende pand als opstal niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mag stellen, en daarom lijdt aan een gebrek, in de zin van artikel 6:174 BW. Het gebrek bestaat in de afwezigheid van een waarschuwing voor gevaar van het overhangende pand. Voor het gevaar, dat zich heeft verwezenlijkt, is KBW in de eerste plaats op grond van artikel 6:174 BW, subsidiair op grond van artikel 6:181 BW aansprakelijk. Meer subsidiair is KBW aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) omdat zij een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan door een schuifpoort op het bedrijfsterrein, dat dicht behoorde te zijn, zonder toezicht open te laten staan, waardoor de chauffeur van de vrachtwagen van Bode Scholten het parkeerterrein kon oprijden dat alleen bestemd is voor personenauto’s van werknemers van Boskalis en via een uitrit waarvan het hek automatisch openging, de [straatnaam] kon oprijden, waarbij de chauffeur niet is gewaarschuwd dat hij met de door hem bestuurde vrachtwagen het overhangende pand niet onderdoor kon rijden.

3.3.

KBW concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Bode Scholten in de kosten van de procedure. Zij voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. KBW is geen eigenaar, bezitter of bedrijfsmatig gebruiker van het overhangende pand of het bedrijfsterrein. Alleen al daarom is KBW niet aansprakelijk op grond van artikel 6:174 of artikel 6:181 BW. KBW voert in de opstal ook niet een bedrijf, laat staan dat voldaan is aan het vereiste dat de schade met de uitoefening van dat bedrijf verband houdt. Het aanrijdingsincident vond op de openbare weg plaats en daarom is de gemeente Papendrecht in de eerste plaats aan te spreken voor de beweerdelijk door Bode Scholten geleden schade. Het overhangende pand is geen gebrekkige opstal omdat het voldeed aan alle objectieve eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. KBW was niet gehouden veiligheidsmaatregelen te treffen; dat had op de weg van de gemeente gelegen. Overigens bevond zich een waarschuwingsbord bij de uitgang van het parkeerterrein waaruit de chauffeur had kunnen afleiden dat de doorrijdhoogte beperkt was. Daarnaast was de beperkte doorrijdhoogte bij het overhangende pand al van grote afstand dermate duidelijk, dat iedere oplettende vrachtwagenchauffeur had moeten beseffen dat hij er niet met de vrachtwagen onderdoor paste. De beweerdelijke onrechtmatige gedraging is hoe dan ook niet gepleegd door KBW en kan haar niet worden toegerekend, aangezien zij een financiële holding is, die geen personeel in dienst heeft. Aan haar kunnen eventuele handelingen van personeel werkzaam op het terrein ook niet worden toegerekend. Voorts is niet voldaan aan het causaal verband-vereiste tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de schade en is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Ten slotte betwist KBW de door Bode Scholten gevorderde schade als niet voldoende onderbouwd, voert zij aan dat er niet van kan worden uitgegaan dat Bode Scholten vorderingsgerechtigd is omdat zij een verzekering had en stelt KBW dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van Bode Scholten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Aansprakelijkheid o.g.v. gebrek aan de opstal

4.1.

Op grond van artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van, kort gezegd, een gebrek aan de opstal. Uit artikel 6:174 lid 5 BW volgt dat degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, vermoed wordt de bezitter van de opstal te zijn.

4.2.

KBW heeft gemotiveerd betwist dat zij bezitter is van het overhangende pand. Gelet daarop had het op de weg van Bode Scholten gelegen om haar stelling dat KBW bezitter is in de zin van artikel 6:174 BW, te onderbouwen. Volgens KBW volgt uit het kadaster, naar Bode Scholten niet heeft betwist, dat Baggermaatschappij Boskalis B.V., een dochtermaatschappij van KBW, eigenaar is van de panden en het bedrijfsterrein aan de [adres]. Deze vennootschap wordt dus vermoed bezitter te zijn van het overhangende pand en dat terrein. Deze vennootschap heeft Bode Scholten echter niet in rechte betrokken. Bode Scholten heeft onvoldoende aangevoerd om ervan te mogen uitgaan dat KBW als bezitter van de opstal kan gelden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bode Scholten naar voren gebracht dat steeds met de holding (KBW) is gecommuniceerd en dat KBW het terrein van Boskalis bedrijfsmatig exploiteert. Het eerste is juist, maar dat kan niet tot de conclusie leiden dat KBW bezitter is van de opstal. De stelling dat KBW het bedrijfsterrein aan de [straatnaam] bedrijfsmatig exploiteert heeft Bode Scholten tegenover het betoog van KBW dat zij slechts een holdingmaatschappij is, die geen bedrijf voert, op geen enkele wijze inhoudelijk onderbouwd. In de conclusie van antwoord heeft KBW aangevoerd dat Bode Scholten na het uitbrengen van de dagvaarding erop is gewezen dat zij de verkeerde vennootschap had gedagvaard, maar dat Bode Scholten de procedure desalniettemin heeft doorgezet. Vast staat dat zij niet alsnog (mede) Baggermaatschappij Boskalis B.V. heeft gedagvaard. Op de zitting heeft KBW expliciet haar verweer gehandhaafd dat in haar visie niet zij maar Baggermaatschappij Boskalis B.V. gedagvaard had moeten worden. Dit verweer moet daarom worden beoordeeld. Bij gebreke van voldoende substantiëring van de stelling dat KBW bezitter is van de opstallen op/aan de [straatnaam], slaagt het verweer naar het oordeel van de rechtbank. Dit leidt tot afwijzing van de vordering, voor zover gebaseerd op de grondslag van artikel 6:174 BW.

4.3.

Voor zover Bode Scholten heeft bedoeld te stellen dat KBW met Baggermaatschappij Boskalis B.V. kan worden vereenzelvigd, volgt de rechtbank Bode Scholten daarin niet, aangezien vereenzelviging alleen onder bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen en Bode Scholten niet zulke omstandigheden heeft gesteld.

4.4.

Op grond van het voorgaande kan niet tot aansprakelijkheid van KBW op grond van artikel 6:174 BW worden geconcludeerd.

4.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bode Scholten zich mede beroepen op artikel 6:181 BW. In lid 1 van dit artikel is bepaald dat in geval van bedrijfsmatig gebruik van een opstal als bedoeld in artikel 6:174 lid 1 BW, de aansprakelijkheid rust op degene die het bedrijf uitoefent, tenzij het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. Bode Scholten stelt dat KBW haar activiteiten uitoefent op het adres van het overhangende pand, en biedt van die stelling bewijs aan.

4.6.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door KBW van die stelling van Bode Scholten, erin bestaande dat de [adres] voor KBW uitsluitend als post- en bezoekadres fungeert, dat zij geen bedrijf uitoefent, maar alleen de aandelen houdt in de werkmaatschappijen van het Boskalis-concern, waaronder Baggermaatschappij Boskalis B.V., en geen personeel in dienst heeft, had het op de weg van Bode Scholten gelegen haar stelling dat KBW het overhangende pand bedrijfsmatig gebruikt te concretiseren, hetgeen Bode Scholten echter heeft nagelaten. Aan haar bewijsaanbod wordt daarom voorbijgegaan.

4.7.

Nu niet vast is komen te staan dat KBW het overhangende pand bedrijfsmatig gebruikt, behoeft de vraag of tussen het vermeende gebrek en de bedrijfsuitoefening een verband bestaat, geen beantwoording.

4.8.

De vordering van Bode Scholten strandt ook voor zover zij artikel 6:181 BW daaraan ten grondslag heeft gelegd.

Aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad?

4.9.

Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is vereist dat sprake is van onrechtmatig handelen dat aan de dader kan worden toegerekend. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (artikel 6:162 BW).

4.10.

Wat ook van de door Bode Scholten op dit punt gemaakte verwijten zij, Bode Scholten heeft niet gesteld dat KBW zeggenschap heeft over het bedrijfsterrein aan de [straatnaam], dat aan Baggermaatschappij Boskalis B.V. toebehoort. Zij heeft weliswaar gesteld dat KBW het bedrijfsterrein bedrijfsmatig exploiteert, maar zij heeft die stelling, zoals hiervoor ook aan de orde is gekomen, niet geconcretiseerd. KBW heeft dit gestelde gebruik betwist. Zij heeft daarbij aangevoerd geen eigenaar te zijn van het bedrijfsterrein en geen personeel in dienst te hebben. Bode Scholten heeft daar niets tegenin gebracht. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat KBW ten tijde van het ongeval geen zeggenschap had over het bedrijfsterrein aan de [straatnaam]. Het was dan ook niet aan haar om over de veiligheid van en op het bedrijfsterrein te waken. Reeds hierom kunnen de aan haar gemaakte verwijten, als daarmee al sprake zou zijn van onrechtmatigheid, niet aan haar worden toegerekend.

4.11.

De vorderingen worden afgewezen.

4.12.

Bode Scholten zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KBW worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 1.442,00 (2,0 punten × tarief III € 721,00)

Totaal € 3.484,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Bode Scholten in de proceskosten, aan de zijde van KBW tot op heden begroot op € 3.484,00,

5.3.

verklaart het vonnis ten aanzien van de onder 5.2 gegeven veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door de rolrechter en op 2 juni 2021 uitgesproken in het openbaar.

3268/3152