Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4826

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
C/10/569132 / HA ZA 19-203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de afwikkeling van de schade van eiser als gevolg van een verkeersongeval. De rechtbank benoemt een arbeidsdeskundige en een bedrijfseconomisch deskundige. Tussenvonnis na eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:7541).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/569132 / HA ZA 19-203

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. B.P. Dekker te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 juli 2020, en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte van [naam eiser] van 16 september 2020,

  • -

    het tussenvonnis van 7 oktober 2020, waarbij het verzoek van Allianz tot het toestaan van tussentijds appel is afgewezen,

  • -

    de antwoordakte van Allianz van 28 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

Het geschil betreft de afwikkeling van de schade van [naam eiser] als gevolg van een verkeersongeval dat op 8 april 2010 plaatsvond. Hierbij was een verzekerde van Allianz betrokken. Allianz heeft aansprakelijkheid voor de aan het ongeval toe te rekenen schade erkend. Partijen twisten over de omvang van de schade. In het tussenvonnis van 22 juli 2020 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

  • -

    er dient een onderzoek door een arbeidsdeskundige plaats te vinden naar de restverdiencapaciteit van [naam eiser] buiten de eigen onderneming en de concrete mogelijkheden om deze te gelde te maken, nu een dergelijk onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Hierbij kunnen het rapport van 26 mei 2014 van orthopedisch chirurg [naam 1] en het rapport van 23 april 2015 van revalidatiearts [naam 2] en de daarin opgenomen FML als uitgangspunt worden genomen.

  • -

    aangezien partijen twisten over de loonwaarde van de ondernemerstaken die [naam eiser] binnen de eigen onderneming kan uitvoeren en over de situatie van de onderneming zonder het ongeval en de uitgangspunten in de door [naam eiser] overgelegde schadeberekening, dient naast de arbeidsdeskundige een deskundige te worden benoemd die een bedrijfseconomisch onderzoek kan doen naar deze punten.

2.2.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De rechtbank had in het tussenvonnis reeds de vragen geformuleerd die zij voornemens was om aan de arbeidsdeskundige te stellen.

2.3.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis op een groot aantal gestelde schadeposten als gevolg van het ongeval een beslissing genomen. Ten aanzien van drie schadeposten is [naam eiser] in de gelegenheid gesteld om deze bij akte na tussenvonnis nader te onderbouwen, waarna Allianz hierop bij antwoordakte mocht reageren. Het betreft:

  • -

    medische kosten, voor zover deze niet al zullen worden toegewezen zoals bepaald in r.o. 4.27 van het tussenvonnis;

  • -

    de kosten van verzorging, met inachtneming van hetgeen in r.o. 4.30 van het tussenvonnis is overwogen;

  • -

    het verlies van zelfwerkzaamheid, met inachtneming van hetgeen in r.o. 4.33 is overwogen.

De rechtbank zal eerst ingaan op deze drie schadeposten.

Medische kosten

2.4.

[naam eiser] stelt dat hij in de toekomst jaarlijks extra medische kosten moet maken, onder meer in verband met noodzakelijke vaccinaties in verband met de omstandigheid dat zijn milt is verwijderd (asplenie). Voor de begroting van de toekomstige medische kosten houdt hij rekening met de jaarlijkse eigen risicobedragen van 2018 tot en met 2055. Als nadere onderbouwing van deze kostenpost heeft [naam eiser] in zijn akte na tussenvonnis het volgende aangevoerd. Uit de richtlijn van het RIVM blijkt dat “personen met een (functionele) asplenie [...] een verhoogd risico [lopen] op ernstige infecties met mogelijk dodelijke afloop”, reden waarom verscheidene vaccinaties geboden zijn. [naam eiser] verwijst ter onderbouwing naar een aantal websites waaruit genoemde informatie zou volgen. [naam eiser] biedt zo nodig bewijs aan van zijn stellingen door het laten verrichten van onafhankelijk medisch deskundigenonderzoek door een internist.

2.5.

Allianz betwist de door [naam eiser] gevorderde medische kosten in dit verband. Allianz meent dat het op de weg van [naam eiser] had gelegen om berichtgeving van een arts, bijvoorbeeld van zijn huisarts, te overleggen waaruit blijkt dat deze vaccinaties inderdaad vanwege het ongeval medisch geïndiceerd zijn. Daarnaast voert Allianz aan dat nergens uit blijkt dat [naam eiser] tot op heden deze volgens hem noodzakelijk geachte vaccinaties heeft gekregen en dat deze kosten ten laste van zijn eigen risico zijn gebracht.

2.6.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de medische kosten bestaande uit het eigen risico over de jaren 2018 tot en met 2055 af en overweegt daartoe het volgende. [naam eiser] is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zijn vordering op dit punt te onderbouwen. [naam eiser] kan dan niet volstaan met het verwijzen naar een aantal websites, waaruit volgt dat in zijn algemeenheid vaccinaties geboden zijn voor mensen met asplenie. Hiermee is immers niet onderbouwd dat het voor [naam eiser] noodzakelijk is om voor een periode van 37 jaar gevaccineerd te worden en dat de kosten van de vaccinaties jaarlijks ten laste van het volledige eigen risico van € 385,00 komen. Minst genomen had [naam eiser] stukken kunnen overleggen waaruit volgt dat hij in 2018, 2019 en eventueel 2020 de door hem bedoelde vaccinaties heeft gehad en dat hierdoor zijn eigen risico in die jaren is verbruikt.

2.7.

[naam eiser] heeft geen nadere onderbouwing gegeven voor de door hem gestelde schadepost van pijnmedicatie van € 500,00 en (onder andere) fysiotherapeutische behandelingen van € 1.000,00. Allianz heeft eerstgenoemde post tot een bedrag van € 50,00 niet betwist, zodat dat deel van de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen (zie r.o. 4.27 van het tussenvonnis).

Kosten van verzorging

2.8.

[naam eiser] stelt ter onderbouwing van dit deel van de vordering het volgende. Uit het deskundigenrapport van orthopedisch chirurg [naam 1] blijkt dat [naam eiser] in de eerste jaren na de datum van het verkeersongeval een groot aantal operaties heeft moeten ondergaan. Hij is na deze ingrepen steeds thuis verzorgd, verpleegd en begeleid door zijn echtgenote. Zij heeft hem gedurende lange tijd moeten helpen met dagelijkse bezigheden (douchen, aan- en uitkleden, toiletbezoek, et cetera). Daarnaast heeft zij gezorgd voor vervoer in verband met benodigde (para)medische behandelingen. Over de periode van 2010 tot en met 2014 ging het naar schatting gemiddeld om zes uur hulp per week, ofwel minder dan een uur per dag. Voorgesteld wordt om de te benoemen arbeidsdeskundige zich te laten uitlaten over de aard en omvang van de hulpbehoefte van [naam eiser] in de eerste jaren na de datum van het ongeval. Op grond van de aldus verkregen informatie kan vervolgens een passend uurtarief worden bepaald, nu op dat moment kan worden gedifferentieerd tussen verschillende soorten hulp. [naam eiser] heeft in dit verband een voorstel gedaan voor een hierop betrekking hebbende vraag aan de arbeidsdeskundige.

2.9.

Allianz kan zich vinden in het voorstel van [naam eiser] om de arbeidsdeskundige te vragen naar de aard en omvang van zijn hulpbehoefte in de jaren na het ongeval. Allianz meent evenwel dat de door [naam eiser] voorgestelde vraagstelling niet volledig is. Zo wordt niet verzocht om uit te gaan van hulp verleend door een professional. Dit terwijl er slechts ruimte is voor een vergoeding als er professionele hulp zou zijn ingeschakeld, indien de echtgenote van [naam eiser] de zorg niet zou hebben verleend. Allianz heeft dan ook een voorstel gedaan voor het aanvullen van de door [naam eiser] geformuleerde vraag.

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat de door de echtgenote van [naam eiser] bestede tijd aan verzorging van [naam eiser] voor vergoeding in aanmerking komt, voor zover het normaal en gebruikelijk is om daarvoor tegen betaling professionele hulp in te schakelen als de echtgenote de zorg niet zou hebben verleend. Indien dergelijke zorg is verleend en (reeds) is vergoed op basis van bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) of door de zorgverzekeraar, kan dit van invloed zijn op de omvang van de schade van [naam eiser] die voor vergoeding door Allianz in aanmerking komt. De rechtbank zal bij de vragen aan de arbeidsdeskundige daarom de voorgestelde aanvulling van Allianz op de vraag aan de arbeidsdeskundige overnemen.

Verlies van zelfwerkzaamheid

2.11.

[naam eiser] stelt voor om ook de vraag naar de schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid aan de arbeidsdeskundige voor te leggen, in die zin dat de arbeidsdeskundige in kaart kan brengen in hoeverre sprake is van verlies van zelfwerkzaamheid. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan worden bepaald welke vergoeding daarbij past. [naam eiser] heeft een voorstel gedaan voor een in dit verband aan de arbeidsdeskundige te stellen vraag.

2.12.

Allianz kan zich er in vinden dat de arbeidsdeskundige onderzoek doet naar een eventueel verlies van zelfwerkzaamheid. Allianz meent dat daarbij van belang is dat de

arbeidsdeskundige zich er rekenschap van geeft dat [naam eiser] voor het

ongeval de grote onderhoudsklussen altijd uitbesteedde, zoals ook reeds in het tussenvonnis is overwogen. Allianz doet een voorstel voor aanpassing van de door [naam eiser] geformuleerde vraagstelling.

2.13.

De rechtbank heeft in r.o. 4.33 van het tussenvonnis overwogen dat het verlies van zelfwerkzaamheid van [naam eiser] slechts ziet op klein onderhoud in en om de woning, nu [naam eiser] naar eigen zeggen groot onderhoud uitbesteedde. De rechtbank zal de vraag aan de arbeidsdeskundige formuleren met inachtneming van de voorstellen van partijen.

Deskundigen

- de arbeidsdeskundige

2.14.

[naam eiser] stelt verschillende arbeidsdeskundigen voor, waaronder registerarbeidsdeskundige [naam 3] . Allianz kan instemmen met de benoeming van deze arbeidsdeskundige. De rechtbank zal daartoe overgaan.

2.15.

Beide partijen kunnen zich vinden in de door de rechtbank in haar tussenvonnis voorgestelde vragen 1 tot en met 4, 6 en 7. Deze vragen zullen derhalve (met een kleine wijziging in de nummering) in ieder geval aan de te benoemen arbeidsdeskundige worden voorgelegd.

2.16.

De rechtbank had in het tussenvonnis als vraag 5 voorgesteld: “Wat zijn, gelet op de huidige omvang en aard van de werkzaamheden van de eigen onderneming van [naam eiser] , de ondernemerstaken die [naam eiser] binnen de eigen onderneming kan uitvoeren en hoeveel uur schat u dat daarmee per week zijn gemoeid?” [naam eiser] meent dat deze vraag 5 kan worden geschrapt, omdat de vraag niet ziet op de eventuele resterende verdiencapaciteit van [naam eiser] buiten de onderneming maar op de waarde van de resterende inbreng van [naam eiser] in de eigen onderneming en die vraag al is beantwoord door de arbeidsdeskundige [naam 4] . Allianz meent dat vraag 5 moet worden gehandhaafd, en doet nog een suggestie voor een aanvulling op deze vraag namelijk “Wilt u hierbij betrekken het eventueel nog volgen van opleidingen door [naam eiser] , het verplaatsen van taken van [naam 5] naar [naam eiser] , het wijzigen van de bedrijfscultuur etc.”.

2.17.

De rechtbank zal de vraag handhaven, met toevoeging van de door Allianz gesuggereerde zinsnede die in enigszins gewijzigde vorm wordt overgenomen. Zoals in r.o. 4.11 van het tussenvonnis is overwogen, twisten partijen over de loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] , onder meer omdat volgens Allianz de onderneming sinds het ongeval substantieel is gegroeid, waardoor ook de ondernemerstaken zullen zijn toegenomen. De rechtbank acht het om die reden aangewezen dat de arbeidsdeskundige onderzoekt wat, gelet op de huidige omvang en aard van de activiteiten van de onderneming, de ondernemerstaken zijn die [naam eiser] kan uitvoeren. Het rapport van [naam 4] dateert tenslotte ook reeds uit mei 2017.

2.18.

Voor het geval de rechtbank beslist dat vraag 5 wel aan de arbeidsdeskundige moet worden voorgelegd, stelt [naam eiser] zich op het standpunt dat de te benoemen arbeidsdeskundige ook dient te worden gevraagd naar de loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] binnen de eigen onderneming. De arbeidsdeskundige zou voor de beantwoording van deze vraag eventueel de te benoemen bedrijfseconomisch deskundige kunnen consulteren, en diens bevindingen kunnen verwerken in het door de arbeidsdeskundige op te stellen rapport. [naam eiser] heeft ook een voorstel gedaan voor een vraag met deze strekking aan de arbeidsdeskundige. Allianz meent dat de bedrijfseconomisch deskundige een waarde aan de ondernemerstaken dient toe te kennen.

2.19.

Gelet op hetgeen de rechtbank in r.o. 4.11 van het tussenvonnis heeft overwogen, en hiervoor in r.o. 2.17 reeds is weergegeven, zal de rechtbank een deskundige benoemen die een bedrijfseconomisch onderzoek kan doen naar de onderneming en daarnaast een arbeidsdeskundige benoemen die mede over de loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] kan rapporteren. De rechtbank acht het derhalve aangewezen dat de arbeidsdeskundige zich (ook) uitlaat over de loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] en zal vraag 5 aanpassen overeenkomstig het voorstel van [naam eiser] .

2.20.

Allianz acht het nog van belang dat de arbeidsdeskundige onderzoekt of een combinatie van werken binnen de eigen onderneming en elders (in loondienst) tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank zal de door Allianz voorgestelde aanvulling op vraag 5 eveneens overnemen.

- de bedrijfseconomisch deskundige

2.21.

Voor zover [naam eiser] meent dat het bedrijfseconomisch onderzoek kan worden geïncorporeerd in het arbeidsdeskundig onderzoek, volgt de rechtbank hem daarin niet. [naam eiser] licht deze stelling niet toe en in het tussenvonnis is reeds gemotiveerd dat en waarom een tweetal deskundigen zal worden benoemd, waarvan één een bedrijfseconomische deskundige.

2.22.

[naam eiser] stelt voor om het bedrijfseconomisch onderzoek te laten uitvoeren door bedrijfseconoom [naam 6] . Allianz kan instemmen met de benoeming van deze deskundige. De rechtbank zal daartoe overgaan.

2.23.

De rechtbank heeft partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich bij (antwoord)akte uit te laten over (ook) de aan de bedrijfseconoom te stellen vragen. [naam eiser] heeft 4 (a tot en met d) vragen voorgesteld. Allianz heeft 6 vragen voorgesteld.

2.24.

Uit het tussenvonnis (r.o. 4.11) volgt dat de aanleiding voor de rechtbank voor een bedrijfseconomisch onderzoek is dat tussen partijen verschil van mening bestaat over de loonwaarde van de ondernemerstaken die [naam eiser] na het ongeval nog binnen de eigen onderneming kan uitvoeren én omdat er onduidelijkheid zou zijn over de (financiële) situatie van de onderneming sinds 8 april 2010 als het ongeval niet had plaatsgevonden. Daarnaast geldt dat voor de begroting van de schade de situatie met ongeval dient te worden vergeleken met de hypothetische situatie dat het ongeval niet had plaatsgevonden.

Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de rechtbank geen aanleiding om, uitgaande van de situatie met ongeval, aan de bedrijfseconoom vragen te stellen die zien op de periode voor dat het ongeval had plaatsgevonden. Voor zover de door partijen voorgestelde vragen daarop betrekking hebben, zijn deze niet overgenomen.

2.25.

[naam eiser] heeft voorgesteld om de bedrijfseconomische deskundige te vragen om de ontwikkelingen van de onderneming van [naam eiser] in de hypothetische situatie zonder het ongeval in kaart te brengen. Allianz meent dat dit niet relevant is nu uit het procesdossier blijkt dat de onderneming van [naam eiser] niet (negatief) is beïnvloed door het ongeval van [naam eiser] . Zo blijkt, aldus Allianz, uit het rapport van Letselschade.com dat het ongeval van [naam eiser] geen noemenswaardige invloed heeft gehad op de omzet van de onderneming maar uitsluitend heeft geleid tot extra kosten. De omzet waarvan in de situatie zonder ongeval volgens die uitwerking sprake zou zijn geweest, is immers exact gelijk aan de omzet die in de situatie met ongeval werd gerealiseerd.

2.26.

Zoals al is overwogen in r.o. 4.11 van het tussenvonnis, heeft Allianz aangevoerd dat er onduidelijkheid is over de hypothetische situatie van de onderneming zonder het ongeval. De rechtbank acht het dan ook aangewezen dat de deskundige hierover rapporteert en zal dit in de vraagstelling aan de deskundige tot uitdrukking laten komen.

2.27.

Tegen de achtergrond van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het voorgaande en in r.o. 4.11 van het tussenvonnis zijn de door partijen voorgestelde vragen beoordeeld en heeft de rechtbank de in het dictum weergegeven vragen voor de bedrijfseconoom geformuleerd.

- de procedure

2.28.

Allianz acht het van belang dat de te benoemen bedrijfseconomisch deskundige aanwezig is bij het eerste gesprek dat plaatsvindt tussen de te benoemen arbeidsdeskundige en [naam eiser] . Daarnaast acht Allianz het raadzaam dat beide deskundigen een gesprek hebben met de compagnon van [naam eiser] . Tot slot merkt Allianz op dat het haar voorkeur heeft dat de advocaten van partijen niet aanwezig zijn bij de gesprekken met de deskundigen. Indien de advocaat van [naam eiser] wel aanwezig is bij deze gesprekken, wil Allianz dat haar advocaat daarbij ook aanwezig is.

2.29.

De rechtbank laat het aan de deskundigen over op welke wijze zij hun onderzoek zullen verrichten. Wel merkt de rechtbank op dat indien één van de advocaten aanwezig is bij één of meerdere gesprekken met de deskundige(n), de advocaat van de wederpartij in de gelegenheid moet worden gesteld om ook bij het desbetreffende gesprek aanwezig te zijn.

Conclusie

2.30.

Uit hetgeen hiervoor en in het tussenvonnis van 22 juli 2020 is overwogen volgt dat de vordering van [naam eiser] in ieder geval op de volgende onderdelen zal worden toegewezen:

- smartengeld: € 30.000,00;

- medische kosten: € 1.066,00 + € 50,00;

- reis- en parkeerkosten: € 2.017,50;

- BGK van € 17.322,68 en € 12.867,62.

2.31.

De rechtbank zal als deskundigen benoemen:

- registerarbeidsdeskundige [naam 3] ;

- bedrijfseconoom [naam 6] .

2.32.

De deskundigen hebben de aan het onderzoek verbonden kosten begroot. Deze begrotingen komen hieronder ter sprake. De deskundigen hebben te kennen gegeven dat in ieder geval ten aanzien van vraag 5 en 6 samenwerking is gewenst. Om praktische redenen stellen zij voor om de onderzoeken gelijktijdig te laten plaatsvinden, de bevindingen met elkaar te bespreken en gezamenlijk de betrokkene te bezoeken en te interviewen.

2.33.

De deskundige [naam 3] heeft de hoogte van zijn kosten begroot op een bedrag van € 10.781,00 inclusief btw. Dit bedrag is gebaseerd op een uurtarief van € 198,00 exclusief btw. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het genoemde voorschot. De hoogte van het voorschot voor het onderzoek door deskundige [naam 3] zal daarom worden gesteld op € 10.781,00 inclusief btw.

2.34.

De deskundige [naam 6] heeft de hoogte van zijn kosten begroot op een bedrag van € 10.914,20 inclusief btw. Dit bedrag is gebaseerd op een uurtarief van € 205,00 exclusief btw. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het genoemde voorschot. De hoogte van het voorschot voor het onderzoek door deskundige [naam 6] zal daarom worden gesteld op € 10.914,20 inclusief btw.

2.35.

Gelet op de omstandigheid dat Allianz aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door Allianz moet worden gedeponeerd. Allianz zal tevens worden verzocht om een kopie van haar procesdossier aan de deskundigen te doen toekomen.

2.36.

De deskundige [naam 3] vermoedt dat het onderzoek, afhankelijk van de snelheid van het onderzoek van deskundige [naam 6] , gereed zal zijn na vier maanden. De deskundige [naam 6] geeft aan dat een eerste conceptrapportage circa zeven maanden na de aanvang van het onderzoek opgeleverd kan worden. Daarna zullen waarschijnlijk nog twee maanden gemoeid zijn met hoor en wederhoor en verwerking van de reacties om tot een definitief deskundigenbericht te komen. De rechtbank zal de termijn voor het deskundigenonderzoek daarom stellen op negen maanden. De rechtbank doet echter het dringende verzoek aan de deskundigen om, indien mogelijk, de duur van het onderzoek te beperken.

2.37.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.38.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.39.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

2.40.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt een onderzoek door een arbeidsdeskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Zijn er, gelet op de beperkingen van [naam eiser] , zoals die volgen uit de rapporten van orthopedisch chirurg dr. [naam 1] en revalidatiearts [naam 2] en rekening houdend met de door hem genoten opleiding, passende arbeidsmogelijkheden voor [naam eiser] te duiden buiten de eigen onderneming? Zo ja, welke en voor hoeveel uur per week? Zo nee, waarom niet?

  2. In het geval u vraag 1 bevestigend beantwoordt: wat is het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door u bij dat antwoord aangegeven arbeid?

  3. In het geval u vraag 1 ontkennend beantwoordt: ziet u, rekening houdend met de beperkingen van [naam eiser] , zoals die blijken uit de rapporten van [naam 1] en [naam 2] , en de door [naam eiser] genoten opleiding, mogelijkheden tot (verdere) omscholing? Zo ja, welke opleiding(en) kom(t)(en) daarvoor in aanmerking, wat is de duur en wat zijn de kosten van die opleiding(en)?

  4. Indien vraag 3 aan de orde is en door u in bevestigende zin is beantwoord, wat zou het te verwachten verdienvermogen, zowel bruto als netto, van [naam eiser] zijn na voltooiing van de door u in dat antwoord genoemde nadere omscholing en aan welk carrièreverloop zou dan volgens u gedacht kunnen worden?

  5. Wat zijn, gelet op de huidige omvang en aard van de werkzaamheden van de eigen onderneming van [naam eiser] , de ondernemerstaken die [naam eiser] binnen de eigen onderneming kan uitvoeren en hoeveel uur schat u dat daarmee per week zijn gemoeid? Wilt u hierbij betrekken het eventueel nog volgen van opleidingen door [naam eiser] , de mogelijkheid van het verplaatsen van taken van [naam 5] naar [naam eiser] , de mogelijkheid van het wijzigen van de bedrijfsstructuur, et cetera. Wilt u onderzoeken of een combinatie van werken binnen de eigen onderneming en elders (in loondienst?) tot de mogelijkheden behoort? Kunt u de loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] in de eigen onderneming bepalen? Mocht u in dat kader een bedrijfseconoom willen consulteren, dan kunt u daartoe contact opnemen met de door de rechtbank eveneens tot deskundige benoemde bedrijfseconoom [naam 6] en diens bevindingen verwerken in uw deskundigenrapport.

  6. Zijn er nog andere voorzieningen te treffen die het verdienvermogen van [naam eiser] , al dan niet na omscholing als hiervoor onder 4 bedoeld, kunnen verhogen? Zo ja, welke voorzieningen zijn dat en wat zijn de kosten daarvan, voor zover deze niet op grond van bestaande regelingen worden vergoed?

  7. Kunt u nagaan welke vormen van zorg [naam eiser] , gelet op de aard en ernst van het letsel en gegeven zijn beperkingen, gedurende de eerste vier jaar na de datum van het ongeval nodig had? Wilt u hierbij als criterium hanteren de zorg die door een professional verleend zou worden? Wilt u de zorgbehoefte in die periode zoveel mogelijk specificeren, bij voorkeur uitgedrukt in uren per week of per maand? Kunt u laten weten wie de verschillende vormen van zorg verleende? Zijn er destijds aanvragen gedaan bij professionele organisaties (bijvoorbeeld bij de gemeente op basis van de WMO of bij de zorgverzekeraar) en is door deze instanties wel of niet de zorg toegekend en betaald?

  8. Welke werkzaamheden in en rond de woning van [naam eiser] , die kunnen worden aangemerkt als klein onderhoud, dienen te worden verricht? Wilt u de verschillende taken zoveel mogelijk kwantificeren in onder meer termen van aaneengesloten duur, frequentie, intensiteit en dagbelasting? Welke werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als klein onderhoud verrichtte [naam eiser] voor het ongeval in en om de woning? Acht u [naam eiser] , gelet op de beperkingen zoals die volgen uit de rapporten van [naam 1] en [naam 2] , in staat deze werkzaamheden te verrichten? Zo ja, welke? Zo nee, welke niet? Wat is de hulpbehoefte van [naam eiser] in dit verband gerekend in uren per maand? Zijn er mogelijkheden om die hulpbehoefte te verminderen? Zo ja, wat zijn die mogelijkheden en welke invloed heeft het aanwenden van die mogelijkheden op de hulpbehoefte van [naam eiser] ? Kunt u, met het oog op mogelijk toekomstige verhuizingen, aangeven in hoeverre de behoefte aan (professionele) ondersteuning bij het verrichten van klein onderhoud in en rond de woning specifiek samenhangt met de kenmerken van de huidige woning van [naam eiser] ?

  9. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

benoemt in dat verband tot deskundige:

1) [naam 3] ,
werkzaam bij [naam bedrijf 1]

correspondentieadres: [adres 1] ,

telefoon: [telefoonnummer 1]

emailadres: [e-mailadres 1] ,

3.2.

beveelt een onderzoek door een bedrijfseconomisch deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Wilt u een beschrijving geven van de onderneming van [naam eiser]

en zijn zakenpartner en de ontwikkeling daarvan in de periode vanaf datum ongeval, 8 april 2010, tot heden? Wilt u ook daarbij aandacht besteden aan de ontwikkeling van de omzet, de winst en het ondernemersinkomen in de genoemde periode?

2. Kunt u de (netto) loonwaarde van de door [naam eiser] verrichte ondernemerstaken in de situatie met ongeval bepalen in de periode vanaf het ongeval tot heden?

3. Kunt u aangeven wat de (netto) loonwaarde van de ondernemerstaken van [naam eiser] kan zijn als men uitgaat van de ondernemerstaken die [naam eiser] kan verrichten uitgaande van het antwoord van de arbeidsdeskundige [naam 3] op vraag 5?

4. Kunt u de ontwikkeling van de onderneming van [naam eiser] in de

hypothetische situatie zonder ongeval inventariseren tot heden? Wilt u ook

daarbij aandacht besteden aan de ontwikkeling van de omzet, de winst en

het ondernemersinkomen? Wilt u tevens acht slaan op de ontwikkelingen in

de markt en de ondernemerskwaliteiten van [naam eiser] ?

5. Kunt u de ontwikkeling van de onderneming van [naam eiser] in de

hypothetische situatie zonder ongeval inventariseren op de lange termijn? Wilt u ook daarbij aandacht besteden aan de ontwikkeling van de omzet, de winst en

het ondernemersinkomen? Wilt u tevens acht slaan op de ontwikkelingen in

de markt en de ondernemerskwaliteiten van [naam eiser] ? Wilt u daarbij, indien u dat relevant acht, ook aandacht besteden aan de omstandigheid dat [naam eiser] en zijn zakenpartner er ten tijde van het ongeval vanuit gingen dat zij nog enkele jaren hard hadden moeten werken, waarna de zoon van [naam eiser] en de zoon van [naam 5] in het bedrijf zouden zijn komen werken?

6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

benoemt in dat verband tot deskundige:

2) [naam 6] ,
werkzaam bij [naam bedrijf 2]

correspondentieadres: [adres 2]

telefoon: [telefoonnummer 2] ,

fax: [faxnummer] ,

emailadres: [e-mailadres 2] ,

het voorschot

3.3.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige [naam 3] vast op het bedrag van € 10.781,00 inclusief btw,

3.4.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige [naam 6] vast op het bedrag van € 10.914,20 inclusief btw,

3.5.

bepaalt dat Allianz het totale voorschot (ten bedrage van € 21.695,20) dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.6.

draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.7.

bepaalt dat Allianz haar procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,

3.8.

bepaalt dat de deskundigen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in 2.32, het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.9.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,

  • -

    de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

3.10.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien dezen daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

3.11.

draagt de deskundigen op om uiterlijk negen maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

3.12.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,

  • -

    dat de arbeidsdeskundige [naam eiser] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (BW) en, indien [naam eiser] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [naam eiser] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moet toesturen en [naam eiser] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of [naam eiser] gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [naam eiser] zich van commentaar op het concept moet onthouden);

  • -

    dat, indien [naam eiser] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de arbeidsdeskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;

- dat, indien [naam eiser] geen gebruik maakt van zijn inzage- of blokkeringsrecht, de deskundigen het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moeten toezenden,

- dat de deskundigen een concept van het rapport aan partijen moeten zenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken over het concept van het deskundigenrapport bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,

3.13.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.14.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 6 april 2022,

3.15.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rolzitting te plaatsen:

  • -

    indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken, of:

  • -

    na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Allianz op een termijn van vier weken,

3.16.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.17.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker, mr. J.E. Molenaar en mr. S.M. den

Hollander. Het is ondertekend door de rolrechter en op 12 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

[2872/1582/3152]