Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4807

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
C/10/570132 / HA ZA 19-250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissing in het tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:13220). Daar is geen plaats voor. De eindbeslissing berust niet op een onjuiste feitelijke grondslag. Hoewel partijen ontbinding van de overeenkomst hebben uitgesloten, slaagt het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Lening is opeisbaar, nu geen sprake meer is van achterstelling. Subsidiaire vordering wordt toegewezen. In reconventie: bij de advisering en begeleiding van de aankoop van de aandelen is niet de zorg van goed opdrachtnemer in acht genomen. Nu echter niet duidelijk is hoe dat heeft geleid tot schade in het vermogen van de aandeelhouder, is de vordering niet toewijsbaar. ZIE OOK ECLI:NL:RBROT:2020:13220

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/570132 / HA ZA 19-250

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.C.A.M. Utens te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAMBERT INSTRUMENTS B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde in conventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf B] ,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie,

3. [persoon C],

wonende te [woonplaats C] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.M. Graal te Amsterdam.

Partijen worden hierna [bedrijf A] respectievelijk ieder afzonderlijk Lambert Instruments, [bedrijf B] en [persoon C] of gezamenlijk Lambert c.s. genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 september 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie op 14 januari 2021;

  • -

    de ter comparitie overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Utens en van mr. Graal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissing in het tussenvonnis

2.1.

[bedrijf A] heeft de rechtbank ter zitting van 14 januari 2021 verzocht terug te komen op de eindbeslissing in het tussenvonnis van 9 september 2020 (hierna: het tussenvonnis), dat [bedrijf A] haar tegenprestatie voor het bevoegdelijk opeisen van de aandelen niet is nagekomen, dat de aandeelhoudersovereenkomst derhalve rechtsgeldig is ontbonden en dat om die reden de primaire vorderingen van [bedrijf A] dienen te worden afgewezen.

2.2.

Uitgangspunt is dat op een dergelijke eindbeslissing in beginsel niet kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Voor het aldus terugkomen op een niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing is met name plaats indien de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

2.3.

Volgens [bedrijf A] is dat laatste het geval, (onder meer) omdat betaling c.q. inbreng van € 50.000,- in Lambert Instruments door [bedrijf A] geen voorwaarde is voor het inroepen van de optie tot aankoop van de aandelen. [bedrijf A] stelt dat de peildatum van 1 januari 2014 de enige voorwaarde was om de optie te kunnen inroepen.

2.4.

De rechtbank volgt [bedrijf A] niet in haar betoog, nu dit niet strookt met de inhoud van de, door [bedrijf A] zelf opgestelde, aandeelhouders- en geldleningsovereenkomst. Deze overeenkomsten kunnen niet los van elkaar worden gezien en moeten dan ook in onderlinge samenhang worden uitgelegd. In de aandeelhoudersovereenkomst is onder (ii) expliciet opgenomen dat [bedrijf A] voor 50% medefinancier is van de aandelen van Lambert Instruments. Verder is in de geldleningsovereenkomst onder (iii) vermeld dat [bedrijf A] bereid is 50% van de eigen inbreng te financieren met als tegenprestatie het verwerven van 50% van de aandelen na 1 januari 2014. Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat, anders dan [bedrijf A] stelt, 50% financiering van de aandelen c.q. van de eigen inbreng wel degelijk gelden als voorwaarden voor succesvol inroepen van de optie tot koop van de aandelen. Dat dit in artikel 4.1 van de aandeelhoudersovereenkomst niet met zoveel woorden staat, maakt dit niet anders omdat - als overwogen - dat beding in samenhang met de verdere inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst en die van de geldleningsovereenkomst moet worden uitgelegd.

2.5.

[bedrijf A] heeft voorts gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aandeelhoudersovereenkomst is ontbonden, terwijl partijen ontbinding van de overeenkomst uitdrukkelijk hebben uitgesloten.

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat de afspraken tussen partijen zoals weergegeven in de aandeelhouders- en geldleningsovereenkomst kennelijk allemaal ertoe strekken om [bedrijf A] buiten schot te houden en alle risico’s van de investering in Lambert Instruments op [persoon C] af te wentelen. [persoon C] heeft onweersproken aangevoerd dat [bedrijf A] zich nimmer borg heeft gesteld jegens de bank, geen achtergestelde lening aan Lambert Instruments heeft verstrekt (maar aan [persoon C] privé,) ook overigens (nagenoeg) geen geld in Lambert Instruments heeft ingebracht en ook niet bereid was om financieel bij te springen in moeilijke tijden. Dit rechtvaardigt de conclusie dat [bedrijf A] , als verder ook niet gemotiveerd weersproken, geen risico heeft gelopen, zulks terwijl evenmin gemotiveerd is weersproken dat [persoon C] wel al die tijd persoonlijk borg heeft gestaan jegens de bank, een achtergestelde lening aan Lambert Instruments heeft verstrekt en uit privé vermogen salarissen van medewerkers van Lambert Instruments heeft betaald.

2.7.

In artikel 9.4 van de aandeelhoudersovereenkomst staat dat partijen afstand hebben gedaan van hun recht om de overeenkomst te ontbinden. [bedrijf B] heeft ter afwering van het beroep van [bedrijf A] op dat beding een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Het verweer slaagt. Het kan niet de bedoeling van partijen zijn geweest, althans die van [bedrijf B] / [persoon C] zoals [bedrijf A] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat [bedrijf A] de aandelen om niet zou verwerven en evenmin pas op een moment dat het haar goed uitkwam, oftewel pas eind 2017 toen bleek dat Lambert Instruments geen verlieslatende onderneming (meer) was en winst genereerde. [bedrijf B] moet zich in de gegeven omstandigheden hebben kunnen bevrijden van de verbintenis om de aandelen aan [bedrijf A] te leveren. [bedrijf A] kan zich niet met vrucht beroepen op artikel 9.4 van de aandeelhoudersovereenkomst; de ontbindingsverklaring van [bedrijf B] heeft dus effect gesorteerd.

2.8.

Concluderend ziet de rechtbank geen reden om terug te komen op de eindbeslissing in het tussenvonnis.

afgifte en/of inzage bescheiden art. 843a Rv

2.9.

[bedrijf A] heeft primair onder iv gevorderd dat Lambert c.s. op de voet van artikel 843a Rv worden veroordeeld tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van diverse bescheiden van Lambert Instruments (genoemd in 3.10 van de dagvaarding), teneinde haar schade als gevolg van de niet nakoming van de verbintenis tot levering van de aandelen te kunnen begroten. Een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden is slechts toewijsbaar indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat verzoeker een rechtmatig belang moet hebben bij de verlangde bescheiden. Nu - als overwogen - de verbintenis tot levering van de aandelen rechtsgeldig is ontbonden, heeft [bedrijf A] geen recht op (vervangende) schadevergoeding en dus geen belang bij de verlangde bescheiden ter begroting van schade. De incidentele vordering zal worden afgewezen.

de opeisbaarheid van de lening

2.10.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de subsidiaire vordering van [bedrijf A] tegen [persoon C] (strekkende tot nakoming van een terugbetalingsverplichting onder de geldleningsovereenkomst) overwogen dat voor toewijzing van de vordering is vereist dat de lening opeisbaar is en dat dit laatste niet vanzelfsprekend is, omdat het in dit geval gaat om een achtergestelde lening. Ter nadere toelichting van de stellingen op dit punt heeft een voortzetting van de comparitie plaatsgevonden.

2.11.

[bedrijf A] heeft betoogd dat tussen de bank en [persoon C] /Lambert Instruments geen leningen (meer) bestaan, zodat de achterstelling niet (meer) geldt. Verder is in de geldleningsovereenkomst geen termijn voor de terugbetaling overeengekomen. Ingevolge artikel 7:129e BW is de lening verschuldigd wanneer deze is opgeëist en zes weken zijn verstreken, aldus [bedrijf A] .

2.12.

[persoon C] heeft betwist dat de lening opeisbaar is; volgens hem is de lening alleen opeisbaar in de in artikel 5.3 van de geldleningsovereenkomst genoemde gevallen (zoals (aanvraag van) surséance van betaling of faillissement (van leningnemer), beslaglegging ten laste van leningnemer, het sluiten van een onderhands akkoord van leningnemer met crediteuren dan wel vervreemding van de aandelen c.q. verandering van eigenaar van Lambert Instruments) en is daar hier geen sprake van. Hoewel juist is dat geen van voornoemde gevallen aan de orde is, volgt de rechtbank [persoon C] niet in zijn standpunt dat de lening daarom niet opeisbaar is. Hiertoe geldt dat een redelijke uitleg van de geldlenings- en de aandeelhoudersovereenkomst in onderling verband beschouwd meebrengt dat de lening (ook) opeisbaar is wanneer de achterstelling niet meer geldt. Niet is in geschil - zoals ter voortgezette comparitie ook bevestigd - dat de lening is achtergesteld bij die van de bank en dat bij de bank geen leningen meer openstaan. Dit betekent dat de achterstelling niet meer geldt en dus niet (langer) aan de opeisbaarheid van de lening in de weg staat. Vaststaat dat [persoon C] reeds een bedrag van € 15.000,- op de lening heeft afgelost, zodat een bedrag van € 35.000,- resteert.

2.13.

De geldleningsovereenkomst dateert van vóór 1 januari 2017, zodat artikel 7:129e BW daarop niet van toepassing is. Het wel toepasselijke artikel 6:38 BW bepaalt dat als geen tijd voor nakoming is bepaald, de verbintenis op eerste aanvraag en dan terstond moet worden voldaan, met dien verstande dat aan de schuldenaar zo veel tijd moet worden gegeven als deze redelijkerwijs voor het verrichten van de prestatie nodig heeft. Ten aanzien van de geldleningsovereenkomst geldt voorts nog het oude recht van de artikelen 7A:1791 tot en met 1810 BW (zie artikel 200 Overgangswet Nieuw BW). Op grond van artikel 7A:1797 BW kan de rechter bij gebreke van een bedongen termijn voor de terugbetaling de lener enig uitstel verlenen.

2.14.

Vaststaat dat (de advocaat van) [bedrijf A] op 7 maart 2019 het restant van de lening bij [persoon C] heeft opgeëist, dat inmiddels de nodige tijd is verstreken en dat [persoon C] tot op heden niet heeft terugbetaald. Gesteld noch gebleken is dat [persoon C] niet in staat is om de lening terug te betalen, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om [persoon C] verder uitstel voor terugbetaling te verlenen. [persoon C] zal daarom worden veroordeeld om het restant van de lening ad € 35.000,- aan [bedrijf A] te voldoen.

2.15.

[bedrijf A] heeft op grond van artikel 6:119a BW (primair) wettelijke handelsrente gevorderd over het bedrag van € 35.000,- althans (subsidiair) de contractuele rente van 5% per jaar.

2.16.

De (primair) gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar, reeds omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. Gesteld noch is gebleken dat [persoon C] bij het aangaan van de geldleningsovereenkomst heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW. De (subsidiair) gevorderde contractuele rente van 5% per jaar is in beginsel toewijsbaar. [persoon C] heeft echter ter zitting verklaard en [bedrijf A] heeft niet betwist dat tot en met 31 december 2020 de tussen partijen overeengekomen contractuele rente van 5% per jaar is betaald en door [bedrijf A] is ontvangen. Dit betekent dat [bedrijf A] nog aanspraak kan maken op de vanaf 1 januari 2021 vervallen contractuele rente.

buitengerechtelijke kosten

2.17.

[bedrijf A] maakt aanspraak op buitengerechtelijke kosten ad € 1.125,-. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld dat ten aanzien van de subsidiaire vordering buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.

conclusie

2.18.

Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen van [bedrijf A] tegen Lambert Instruments en [bedrijf B] worden afgewezen. De vordering van [bedrijf A] tegen [persoon C] zal deels worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

proceskosten

2.19.

De slotsom is dat de vordering van [bedrijf A] tegen Lambert Instruments en [bedrijf B] zal worden afgewezen en die tegen [persoon C] deels zal worden toegewezen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de kosten te compenseren in die zin dat [bedrijf A] enerzijds en Lambert Instruments, [bedrijf B] en [persoon C] anderzijds elk de eigen kosten dragen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze laatsten met dezelfde advocaat zijn verschenen en gezamenlijk verweer hebben gevoerd.


in reconventie

2.20.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de vordering van [bedrijf B] (onder meer) overwogen dat de schade van [bedrijf B] voor vergoeding in aanmerking kan komen, vermits zij in zodanig verband staat met het aan [bedrijf A] verweten handelen dat zij als een gevolg van dat handelen aan [bedrijf A] kan worden toegerekend. Ter verkrijging van inlichtingen op dat punt heeft een voortzetting van de comparitie plaatsgevonden.

2.21.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat genoegzaam is komen vast te staan dat [bedrijf A] bij de advisering en begeleiding van de aankoop van de aandelen in Lambert Instruments niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (art. 7:401 BW). [bedrijf A] heeft ter zitting erkend dat in de koopovereenkomst een vrijwaringsbepaling had moeten worden opgenomen opdat naheffingsaanslagen vennootschapsbelasting in verband met de innovatieboxregeling voor rekening van de verkoper zou komen. Vaststaat dat dit niet is gebeurd, ondanks dat de accountant ABIN dat uitdrukkelijk had geadviseerd. Dit maakt dat, anders dan [bedrijf A] aanvoert, [bedrijf A] jegens [bedrijf B] een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. [bedrijf A] kan zich er - wat daar ook van zij - niet achter verschuilen dat zij [bedrijf B] steeds op de hoogte heeft gehouden van de fiscale risico’s en dat in overleg met [bedrijf B] is besloten deze risico’s te aanvaarden. Van [bedrijf A] mocht als overnamedeskundige worden verwacht dat zij [bedrijf B] nadrukkelijk en in niet mis te verstane bewoordingen zou waarschuwen voor de risico’s en in voorkomend geval adviseren te (her)onderhandelen met de verkoper over een vrijwaring. Niet is gebleken dat [bedrijf A] dat heeft gedaan. Er zijn geen aanwijzingen dat, zoals [bedrijf A] heeft aangevoerd maar [bedrijf B] heeft betwist, de verkoper nimmer akkoord zou zijn gegaan met een bedoelde vrijwaring. Het moge verder zo zijn dat het op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst niet duidelijk was of de risico’s zich daadwerkelijk zouden verwezenlijken, maar dit doet aan het voorgaande niet af. [bedrijf A] had uit de waarschuwing van ABIN redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat er een reële kans was op verwezenlijking van de risico’s; juist daar is een vrijwaringsbeding voor bedoeld.

2.22.

[bedrijf A] is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [bedrijf B] . Vervolgens is het de vraag wat de schade is van [bedrijf B] die daaraan kan worden toegerekend.

2.23.

De door [bedrijf B] gevorderde schade ziet op de naheffingsaanslag en beweerdelijk misgelopen belastingvoordeel. Dit zijn beide posten die tot schade hebben geleid in het vermogen van Lambert Instruments. [bedrijf B] heeft niet toegelicht hoe zich dat vertaalt naar schade in haar eigen vermogen. Er zijn geen aanwijzingen dat door de fout van [bedrijf A] de aandelen van [bedrijf B] in Lambert Instruments minder waard zijn geworden of dat door die fout het vermogen van [bedrijf B] anderszins is geraakt.

2.24.

De slotsom is dat de vordering van [bedrijf B] zal worden afgewezen. Beide partijen zijn op punten in het ongelijk gesteld: [bedrijf B] op het punt van de schade en [bedrijf A] op het punt van de fout. De rechtbank ziet daarin aanleiding de kosten te compenseren in die zin dat elke partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen van [bedrijf A] tegen Lambert Instruments en [bedrijf B] af;

3.2.

veroordeelt [persoon C] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 35.000,00 (vijfendertig duizend euro), vermeerderd met de contractuele rente van 5% per jaar over het toegewezen bedrag met ingang van 1 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart de veroordeling van [persoon C] onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst het tegen [persoon C] meer of anders gevorderde af;

in reconventie

3.6.

wijst de vorderingen af;

3.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Arnold. Het is ondertekend door de rolrechter en op 19 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

3085/3179