Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4749

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
C/10/602853 / HA ZA 20-808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid Stedin voor gestelde gevolgschade en (toekomstige) vertragingsschade als gevolg van late oplevering van de elektriciteitsaansluitingen. Relativiteitsvereiste. Akte van cessie; toepassing algemene voorwaarden Stedin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/602853 / HA ZA 20-808

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZENITBOUW B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseres,

advocaat mr. W. van Dijk te Barneveld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M. Hartman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Zenit en Stedin genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de brief van de rechtbank van 29 oktober 2020, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,

  • -

    de akte overlegging van producties van Zenit,

  • -

    de akte vermeerdering van eis.

1.2.

Op 18 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling via Skype verbinding plaatsgevonden. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Zenit is een bouwbedrijf en aannemer van een nieuw gebouwd appartementencomplex aan de [adres] (hierna: het appartementencomplex).

2.2.

De kavels van het appartementencomplex zijn door de “ [naam vereniging] " (hierna: de kopersvereniging) aan de kopers verkocht. Het bestuur van de vereniging bestaat uit projectontwikkelaar [naam projectontwikkelaar] enerzijds en de natuurlijke persoon die (indirect) bestuurder is van [naam projectontwikkelaar] anderzijds. Zenit heeft met de kopers individuele aannemingsovereenkomsten gesloten.

2.3.

Stedin is een regionale netbeheerder. Stedin zorgt voor het transport van elektriciteit en gas en voor de aanleg en het onderhoud van het elektriciteits- en gasnetwerk in onder meer de regio Den Haag.

2.4.

Bij brief van 18 juni 2019 heeft Stedin aan de kopersvereniging een offerte uitgebracht voor het aansluiten van de onder 2.1 bedoelde appartementen op het elektriciteitsnet. In haar offerte heeft Stedin onder meer het volgende vermeld.

“ Daarnaast is een aantal overige voorwaarden van toepassing. Hieronder ziet u een overzicht.
[…]

 Algemene voorwaarden Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten; […]”

2.5.

In het opdrachtformulier dat is gevoegd bij de offerte staat onder meer het volgende vermeld:

“Ik ga akkoord met de offerte en de algemene voorwaarden van Stedin en geef hierbij opdracht tot uitvoering van de werkzaamheden.”

2.6.

Het opdrachtformulier is op 19 juni 2019 namens de kopersvereniging ondertekend en aan Stedin geretourneerd.

2.7.

In de algemene voorwaarden van Stedin voor het uitvoeren van werkzaamheden en het verlenen van diensten (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 11 – Aansprakelijkheid

[…]

2. Opdrachtnemer is nimmer gehouden tot vergoeding van gevolgschade, vertragingsschade en bedrijfsschade, daaronder mede begrepen winst- en/of inkomstenderving, en tot vergoeding van andere indirecte schade.”

2.8.

Op 20 januari 2020 heeft de raadsman van Zenit bij brief onder meer het volgende aan Stedin geschreven:

“Cliënte is aannemer van een nieuw gebouwd appartementencomplex aan de [adres] . Vanaf medio 2019 is cliënte doende om tijdig de benodigde kabelaansluiting in het bouwwerk te krijgen. Dit verloopt helaas bijzonder stroef. Het volgende is van belang.

Op 18 juni 2019 heeft cliënte van Stedin een offerte ontvangen voor de betreffende

kabelaansluiting. Cliënte is met deze offerte akkoord gegaan en is op 25 juli 2019 tot

betaling overgegaan.

[…]

Op grond van artikel 23 van de Elektriciteitswet zouden de werkzaamheden uiterlijk binnen 18 weken na de aanvraag door Stedin moeten zijn afgerond. Dit zou neerkomen op week 43 van 2019. In verschillende gesprekken is vanuit Stedin aangegeven dat echter week 46 haalbaar zou zijn.

Beide termijnen zijn evenwel verstreken zonder dat de werkzaamheden door Stedin zijn opgeleverd.

[…]

Het is vandaag 20 januari 2020. Vaststaat dat de oplevering, ondanks de toegezegde oplevertermijn (week 46) en ondanks de wettelijke maximumtermijn (welke reeds was verstreken in week 43) in ieder geval te laat zal plaatsvinden. Stedin schiet derhalve toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen. Stedin is derhalve aansprakelijk voor de door cliënte hierdoor geleden en nog te lijden schade. Cliënte houdt Stedin hierbij derhalve aansprakelijk voor deze schade.”

2.9.

Bij brief van 5 februari 2020 heeft Stedin de raadsman van Zenit– voor zover

relevant – als volgt medegedeeld:

“Uit onze administratie blijkt dat de aanvraag en het akkoord voor de aanleg van de elektriciteitsaansluitingen t. b. v. het appartementencomplex aan de [adres] niet zijn aangevraagd door uw cliënt en deze is dus geen contractspartij bij deze overeenkomst. Uw cliënt kan dan ook geen rechten ontlenen aan deze overeenkomst. Eventueel te vorderen schade zullen wij dan ook niet vergoeden.

Wij vinden het vervelend dat de aansluitingen later dan wenselijk voor uw cliënt worden opgeleverd. Echter is Stedin jegens uw cliënt niet aansprakelijk voor ontstane schade. Een eventuele claim moeten wij dan ook afwijzen.”

2.10.

Op 11 februari 2020 heeft de raadsman van de kopersvereniging bij brief onder meer het volgende aan Zenit geschreven:

“Mijn cliënte heeft u op 19 juni 2019 opdracht gegeven voor de aanleg van 72 elektriciteitsaansluitingen (offerte 6200356015). Tot op heden zijn deze aansluitingen niet gerealiseerd.

Bij brief van 20 januari jl. heeft mr. W. van Dijk namens Zenit Bouw B.V. te Kootwijkerbroek Stedin Netbeheer B.V. aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt en zal lijden als gevolg van de te late oplevering door Stedin van 72 elektriciteitsaansluitingen aan de [adres] . […]. Zoals mr. Van Dijk namens Zenit Bouw al heeft aangegeven, hadden de aansluitingen ultimo oktober 2019 al gereed moeten zijn, gelet op de wettelijke termijn van artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet. Mijn cliënte en de kopers (inmiddels ook eigenaren) van de appartementen, alsmede Zenit Bouw B.V., lijden iedere dag dat de elektriciteitsaansluitingen niet zijn gerealiseerd (meer) schade. Voor deze schade houden (ook) zij u aansprakelijk. Van mr. Van Dijk begreep ik dat inmiddels is toegezegd dat de aansluitingen aan het einde van deze week (week 7) gereed en operationeel zullen zijn. Namens mijn cliënte, die ten behoeve van de kopers opdrachtgever is van de werkzaamheden, verzoek, en voor zoveel nodig sommeer, ik u de aansluitingen op vrijdag 14 februari a.s. daadwerkelijk werkend op te leveren.”

2.11.

Bij brief van 4 maart 2020 heeft Stedin bij brief daarop – voor zover relevant – het volgende geantwoord:

“Wij betreuren het ten zeerste dat de aansluitingen niet binnen de door uw cliënt(-en) gewenste termijn gerealiseerd zijn. Voor de hinder en overlast ten gevolge hiervan bieden wij onze welgemeende excuses aan. Graag benadrukken wij dat de genoemde doorlooptijd in de offerte geen uiterste opleverdatum is. Het betreft een schatting van de doorlooptijd.”

2.12.

In juli 2020 heeft de kopersvereniging bij akte vorderingen gecedeerd aan Zenit. In de ake is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

De [kopersvereniging] draagt per heden aan Zenit Bouw over haar (huidige en toekomstige) vordering op Stedin voortvloeiende uit de niet tijdige nakoming, respectievelijk de te late oplevering, door Stedin, zulks met doel om Zenit Bouw de mogelijkheid te geven om Stedin in rechte aan te spreken. Deze overdracht wordt door Zenit Bouw aanvaard.”

3. Het geschil

3.1.

Zenit vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

“voor recht zal verklaren dat Stedin jegens Zenit aansprakelijk is voor de niet tijdige c.q. te late oplevering; en

voor recht zal verklaren dat Stedin gehouden is de hieruit voortvloeiende schade aan Zenit te vergoeden,

welke schade - voor wat betreft de door de Raad van Arbitrage mogelijk toe te wijzen vertragingsboetes richting de kopers - nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet; en

Stedin zal veroordelen aan Zenit - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - te betalen een bedrag van € 76.078,04 althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie meent te behoren, zonodig ten titel van voorschot, althans (subsidiair) dat ook deze schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet,

met veroordeling van Stedin in de kosten van de procedure”

3.2.

Stedin voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Zenit, met veroordeling van Zenit in de kosten van de procedure alsook de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Kern van het geschil

4.1.

Partijen twisten over de vraag of Stedin jegens Zenit aansprakelijk is voor de door Zenit gestelde schade als gevolg van de volgens Zenit te late oplevering van de elektriciteitsaansluitingen door Stedin. De schade van Zenit bestaat, zo stelt zij, uit gevolgschade en (toekomstige) vertragingsschade.

Onrechtmatige daad

4.2.

Zenit stelt zich daarbij primair op het standpunt dat Stedin door het niet hanteren van de wettelijke maximum aansluittermijn in strijd heeft gehandeld met de wettelijke plicht zoals vervat in artikel 23 lid 3 Electriciteitswet. Omdat Stedin met Zenit afspraken heeft gemaakt over het moment van opleveren en zich daar niet aan heeft gehouden, heeft Stedin, zo stelt Zenit, in strijd gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Daarmee heeft Stedin op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig gehandeld jegens Zenit. Stedin had rekening dienen te houden met de belangen van Zenit, hetgeen zij niet heeft gedaan.

4.3.

Artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet 1998 schrijft voor dat een aansluiting door de netbeheerder binnen een redelijke termijn gerealiseerd dient te worden. Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder in ingediend.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aansluiting later dan 18 weken na het verzoek om een aansluiting is gerealiseerd door Stedin. Stedin voert aan dat dit geen contractuele termijn betreft en dat het niet per definitie zo is dat indien de wettelijke termijn niet wordt gehaald er dus sprake is van wanprestatie jegens de kopersvereniging. Indien er wel sprake zou zijn van wanprestatie jegens de kopersvereniging, dan levert dit nog geen onrechtmatige daad jegens Zenit op, aldus Stedin.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat een overkomst, inclusief daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden, in beginsel alleen verbintenissen regelt tussen de partijen bij die overeenkomst. Dat zijn in dit geval de kopersvereniging, omdat zij de opdracht voor het aansluiten van de elektriciteitsvoorzieningen aan Stedin heeft verstrekt, en Stedin, omdat zij deze opdracht heeft aanvaard. Niet in geschil is dat Zenit geen partij is bij deze overeenkomst. Voorts is gesteld noch gebleken dat Zenit op enige wijze tot de overeenkomst is toegetreden. Dat Stedin met Zenit in overleg is getreden over het moment van opleveren van de werkzaamheden is daartoe onvoldoende. Evenmin is vast komen te staan dat Zenit en Stedin ter zake een separate verbintenis zijn aangegaan.

4.6.

Daarmee ontbreekt een verbintenis tussen Stedin en Zenit, wat er toe leidt dat het overschrijden van de termijn in beginsel niet onrechtmatig is jegens Zenit. Dat zou anders kunnen zijn indien de norm van de Elektriciteitswet 1998 waar Zenit zich op beroept ook is bedoeld om de schade zoals Zenit stelt te lijden door te late oplevering van de aansluitingen door Stedin, te voorkomen. Dat is het zogenoemde relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.

Relativiteitsvereiste

4.7.

De rechtbank overweegt dat het bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste aankomt op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de geschonden norm in dit geval niet tot bescherming van de door Zenit gestelde schade. De geschonden norm is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op de Elektriciteitswet 1998, het recht van individuele vragers en aanbieders op de elektriciteitsmarkt op meer keuzevrijheid binnen een raamwerk van regels die gericht zijn op het betrouwbaar, duurzaam en doelmatig functioneren van de elektriciteitsvoorziening. Die norm strekt niet tot bescherming van door aannemers als Zenit geleden schade bij vertraging van het aansluiten van elektriciteitsvoorzieningen. Derhalve kan Zenit tegenover Stedin geen beroep doen op het overschrijden van de termijn zoals vervat in artikel 23 lid 3 Elektriciteitswet 1998.

Wanprestatie

4.8.

Subsidiair legt Zenit aan haar vorderingen ten grondslag dat Stedin – zo nodig met in acht name van de akte van cessie tussen de kopersvereniging en Zenit – op grond van artikel 6:74 BW toerekenbaar tekort is geschoten. Volgens Zenit heeft Stedin zich niet gehouden aan de afspraken over het moment van oplevering en leidt dit ertoe dat Stedin aansprakelijk is voor de door Zenit gestelde schade.

4.9.

Dit standpunt van Zenit is onjuist. Stedin is een overeenkomst aangegaan met de kopersvereniging. Contractueel kan Stedin dus alleen aansprakelijk zijn voor schade van de kopersvereniging, niet voor schade van derden zoals Zenit. Dat wordt niet anders door de cessie: het is de schadevordering van de kopersvereniging die is overgedragen en het is die vordering waarvan betaling kan worden gevorderd.

4.10.

De rechtbank moet dus beoordelen of de kopersvereniging haar eigen schade zou kunnen verhalen op Stedin. Als dat zo is, dan kon die vordering worden overgedragen aan Zenit en kan Zenit haar in dit geding te gelde maken. De materiële beoordeling gaat dus over de contractuele verhouding tussen de kopersvereniging en Stedin, inclusief overeengekomen algemene voorwaarden.

Vernietigbaarheid algemene voorwaarden

4.11.

Ter zitting heeft Zenit aangevoerd dat kopersvereniging geen zakelijke partij is, zodat de grijze en zwarte lijst (artikelen 6:236 en 6:237 BW) van toepassing zijn. Volgens Zenit is artikel 11 lid 2 van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:237, aanhef en onder f, BW onredelijk bezwarend.

4.12.

Voor zover de rechtbank uit de stelling van Zenit dient te begrijpen dat zij een beroep doet op de vernietigbaarheid van voornoemd beding uit de algemene voorwaarden, wordt dit beroep verworpen.

4.12.1.

De bevoegdheid tot vernietiging is na de cessie achtergebleven bij de kopersvereniging. Door de cessie wordt de gecedeerde vordering immers losgemaakt uit de rechtsverhouding tussen cedent en cessus en gaat zij over op de cessionaris, maar dit heeft niet tot gevolg dat de cessionaris geheel wordt gesteld in de plaats van de cedent. De kopersvereniging is geen partij in de onderhavige procedure, noch is er door Zenit een verklaring van de kopersvereniging in het geding gebracht waaruit volgt dat zij het betreffende beding uit de algemene voorwaarden van Stedin vernietigt. Dat leidt er toe dat de algemene voorwaarden van toepassing blijven op de verhouding tussen de kopersvereniging en Stedin. Stedin kan ter afwering van de overgedragen vordering daarop een beroep doen jegens Zenit.

4.12.2.

Overigens wijst de rechtbank erop, dat de artikelen 6:236 en 6:237 BW niet rechtstreeks van toepassing zijn op de verhouding tussen Stedin en de kopersvereniging. De kopersvereniging is immers geen natuurlijk persoon. Het is bovendien nog maar zeer de vraag of analoge toepassing of reflexwerking kan worden aangenomen, omdat de kopersvereniging wordt bestuurd door de projectontwikkelaar. Ook dat tast het consumentenkarakter van de kopersvereniging, zo daarvan al sprake van zou kunnen zijn, danig aan.

Toepassing algemene voorwaarden Stedin

4.13.

Gelet op het voorgaande komt Stedin in deze procedure een beroep toe op artikel 11 lid 2 van de algemene voorwaarden. Dat betekent dat zij niet gehouden is de door Zenit gevorderde (toekomstige) vertragingsschade en gevolgschade te vergoeden, omdat vergoeding van deze schadeposten door Stedin is uitgesloten.

Conclusie

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat alle vorderingen van Zenit dienen te worden afgewezen.

Kosten

4.15.

Zenit wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Stedin tot op heden vastgesteld op € 4.270,00 (€ 2.042,00 aan griffierecht en € 2.228,00 aan salaris advocaat (2 punten × tarief € 1.114,00)).

4.16.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals vermeld in het dictum.

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Zenit in de proceskosten, aan de zijde van Stedin tot op heden vastgesteld op € 4.270,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Zenit in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Zenit niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en op 12 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

[3267/1407]