Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4734

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
C/10/615996 / KG ZA 21-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzekeringszaak. Geschil over schade en verzekeringsdekking n.a.v. gedwongen sluitingen van winkels HEMA-franchisenemers als gevolg van coronapandemie. Uitleg van clausule in polisvoorwaarden. Polisvoorwaarden als geheel worden niet bij uitleg betrokken, omdat clausule daaraan pas later is toegevoegd n.a.v. het schietincident in Alphen a/d Rijn. Bewoordingen tekst leiden tot toewijzing vordering. Bedrijfsschade boven maximumbedrag is aannemelijk. Onmiddellijke voorziening is vereist. Beperkt restitutierisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/615996 / KG ZA 21-246

Vonnis in kort geding van 28 mei 2021

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VAB,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 2],

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 3],

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf 4],

gevestigd te [vestigingsplaats 4] ,

eiseressen,

advocaat mr. J.K.M. van der Meché te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht AIG EUROPE S.A.,

statutair gevestigd te Luxemburg, kantoorhoudend te Capelle aan den IJssel,

2. de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagden,

advocaat mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam.

Partijen worden hierna VAB, eiseres(sen) sub 2, 3, 4 en/of 5, AIG en NN genoemd.

AIG en NN worden gezamenlijk aangeduid als Verzekeraars.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 mei 2021, met producties 1 t/m 14,

  • -

    de producties 1 t/m 4 van Verzekeraars,

  • -

    de brief van 7 mei 2021 van mr. Van der Meché, met een nieuwe versie van de reeds overgelegde producties E2-B en E8-B,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 11 mei 2021,

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Van der Meché,

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Zwijnenberg,

  • -

    de ter zitting door VAB overgelegde lastgevingsovereenkomsten,

  • -

    de brief van 17 mei 2021 van mr. Van der Meché, met een kopie van aan mr. Zwijnenberg verstrekte stukken, waaronder lastgevingsovereenkomsten,

  • -

    het faxbericht van mr. Zwijnenberg van 19 mei 2021,

  • -

    het faxbericht van mr. Van der Meché van 20 mei 2021.

1.2.

Mr. Zwijnenberg heeft op 26 mei 2021, in strijd met artikel 13.3 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie, nogmaals een faxbrief aan de voorzieningenrechter gestuurd. Van die brief is en wordt geen kennis genomen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

VAB is een vereniging die de belangen behartigt van ondernemers die op franchisebasis een HEMA-warenhuis exploiteren. Eiseressen sub 2 t/m 5 zijn vier van die ondernemers; zij exploiteren ieder een HEMA-warenhuis en zijn lid van VAB.

2.2.

VAB coördineert het verzekeringsprogramma van een groot deel van haar leden. Via de door VAB ingeschakelde beursmakelaar AON hebben 231 VAB-leden, waaronder eiseressen sub 2 t/m 5, ieder een (doorlopende) brandverzekering afgesloten. Deze biedt dekking voor zaaks- en bedrijfsschade als gevolg van in de verzekeringsovereenkomst genoemde evenementen. In de meest recent aan de leden afgegeven polissen (hierna: de polissen) zijn AIG (voor 60%) en NN (voor 40%) als risicodragers genoemd.

2.3.

De inhoud van de polissen is gelijk voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden en clausules. De polissen vermelden dat clausule ‘AV212 Bedrijfsschade zonder materiële schade’ (hierna: clausule AV212) van toepassing is. Deze clausule luidt:

“Meeverzekerd is de bedrijfsschade zonder een materiële schade aan de gevaarsobjecten tot het op het polisblad genoemde bedrag per gebeurtenis per risico-adres. Een en ander als gevolg van de reeds onder de dekking genoemde gevaren alsmede:

- Gewapende overval

- Openbare geweldpleging

- Besmettelijke ziekten

- Bom(melding) en alle andere vormen van bedreiging (en)

- Beperkingen vanwege de openbare veiligheid

- Suïcide acties

Waarbij op last van een overheidsinstantie en of de verplichte regeling het filiaal dient te worden gesloten.”

Het maximumbedrag voor de op basis van clausule AV212 uit te keren bedrijfsschade bedraagt € 25.000,00 per gebeurtenis per risicoadres.

2.4.

De polissen vermelden dat de ‘Nederlandse Beursvoorwaarden voor Zaak- en Bedrijfsschadeverzekering (NBZB 2006)’ (hierna: de NBZB) van toepassing zijn. Voor zover van belang luiden de NBZB:

“(…)

1.3

Brutowinst

De opbrengst uit de bedrijfsactiviteiten, verminderd met de variabele kosten. Dit is gelijk aan de vaste kosten vermeerderd met de nettowinst respectievelijk verminderd met het nettoverlies.

(…)

2.1.2

Bedrijfsschade

De vermindering van de brutowinst – onder aftrek van de eventuele besparingen – van het op het polisblad omschreven bedrijf van verzekerde, die gedurende de schadevergoedingstermijn is opgetreden, als gevolg van schade aan of verlies van de gevaarsobjecten tijdens de duur van deze verzekering ontstaan, veroorzaakt door de in 2.2. genoemde gevaren/gebeurtenissen, ongeacht of deze gevaren/gebeurtenissen zijn veroorzaakt door de aard of een gebrek van het gevaarsobject.

Bedrijfsschade als gevolg van schade aan of verlies van de gevaarsobjecten ongeacht door welke oorzaak – behoudens de in artikel 2.4 genoemde uitsluitingen – is gedekt als die oorzaak het directe gevolg is van een verzekerd gevaar/gebeurtenis, onverschillig waar dit heeft plaatsgevonden.

(…)”

2.5.

Op 15 december 2020 moesten de VAB-leden hun HEMA-warenhuizen – als niet essentiële winkels – op last van de overheid sluiten. Dat was een maatregel in het kader van de (bestrijding van de) coronapandemie. Deze maatregel is vanaf maart 2021 geleidelijk

– van ‘click&collect’, naar winkelen op afspraak naar een beperking van klanten gerelateerd aan winkeloppervlakte – versoepeld.

2.6.

Na de hiervoor bedoelde sluiting heeft VAB namens haar leden bij Verzekeraars aanspraak gemaakt op vergoeding van bedrijfsschade op grond van clausule AV212. Verzekeraars hebben aanvankelijk geen standpunt ingenomen en vervolgens dekking geweigerd. Bij e-mail van 29 januari 2021 heeft de heer [naam persoon 1] , [naam functie 1] bij AIG, daarover het volgende aan de heer [naam persoon 2] (hierna: [naam persoon 2] ), [naam functie 2] bij AON, bericht:

“Anders dan voor jou geldt, is voor ons niet zo duidelijk dat er op grond van de clausule dekking is. Integendeel, wij blijven van mening dat de besmettelijke ziekte zich op de verzekerde locatie moet hebben voorgedaan, mede vanwege de aard en strekking van de polis. (…)

Bij de uitleg van de clausule is van belang dat het gaat om een zaakverzekering, waarbij het verzekerd belang een subjectief recht op een bepaalde stoffelijke zaak betreft. Die stoffelijke zaak vormt de verzekerde zaak en vervult tegelijkertijd de rol van gevaarsobject, nu niet het vermogensbestanddeel maar de zaak waarop dit betrekking heeft, blootstaat aan het geval waartegen verzekerd is. Of anders gezegd: het verzekerde gevaar dient zich te richten tegen de verzekerde zaak. Dat volgt ook uit de andere verzekerde gevaren (zoals brand, storm en waterschade). Nergens blijkt uit dat met de clausule van dit uitgangspunt is afgeweken.

Kort en goed zien wij dan ook niet dat er dekking is voor de schade. Derhalve zullen wij vooralsnog niet overgaan tot het benoemen van een expert. (…)”

2.7.

In opdracht van VAB heeft mevrouw [naam persoon 3] NIVRE-re (hierna: [naam persoon 3] ), expert van [naam bedrijf 5] Contra -Expertise, over de periode van 16 december 2020 tot en met februari 2021 de bedrijfsschade berekend van de 231 VAB-leden. Daarbij heeft zij onderscheid gemaakt tussen vier categorieën HEMA-warenhuizen (van klein naar groot: AA, A, B en C) en per categorie het expertiserapport van één ondernemer (respectievelijk eiseressen sub 2 t/m 5) tot uitgangspunt genomen. Volgens [naam persoon 3] is de bedrijfsschade van 225 leden hoger en van 6 leden lager dan het maximumbedrag van € 25.000,00.

3. Het geschil

3.1.

Eiseressen vorderen – verkort weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

Verzekeraars, ieder voor het deel waarvoor zij volgens de polissen het risico accepteerden, veroordeelt om:

  1. aan VAB per risico-adres, zoals opgenomen in productie E13 bij dagvaarding, een bedrag van € 25.000,00 te betalen,

  2. aan VAB per risico-adres, zoals opgenomen in productie E14 bij dagvaarding, een voorschot te betalen van € 20.000,00 en voor risico-adres [naam warenhuis] aan de [adres] te [plaats] € 17.000,00,

  3. aan eiseressen sub 2 t/m 5 per risico-adres een bedrag van € 25.000,00 te betalen,

subsidiair:

Verzekeraars veroordeelt conform het primair gevorderde onder 1 en/of/althans 2 en/of/althans 3 op basis van een in goede justitie te bepalen voorschot,

primair en subsidiair:

Verzekeraars hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan eiseressen en/of/althans VAB en/of/althans eiseressen sub 2 t/m 5 van de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis, en, voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten.

3.2.

Verzekeraars voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseressen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met, indien voldoening van deze kosten niet binnen veertien dagen na het vonnis plaatsvindt, de wettelijke rente daarover.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

AIG is in Luxemburg gevestigd, maar houdt kantoor in Capelle aan den IJssel. De andere partijen zijn in Nederland gevestigd. Nu AIG in Luxemburg is gevestigd, heeft het geschil een internationaal karakter en moet ambtshalve worden onderzocht of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 22 van de NBZB “de bevoegde rechter te Amsterdam of Rotterdam” aanwijst voor de kennisneming van geschillen over – kort gezegd – de polissen en dat artikel 25 van de in dit geval toepasselijke Brussel Ibis Verordening deze forumkeuze eerbiedigt. Daarmee komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is tussen partijen niet in geschil.

4.2.

Verzekeraars voeren aan dat deze zaak zich niet leent voor beslechting in kort geding. Zij menen dat de feiten mede zullen moeten blijken uit getuigenbewijs waarvoor een kortgedingprocedure geen mogelijkheid biedt. De voorzieningenrechter volgt Verzekeraars hier niet in. Van de in artikel 256 Rv opgenomen bevoegdheid om een voorziening vanwege de complexiteit van de zaak te weigeren moet (zeer) terughoudend gebruik worden gemaakt. De in de jurisprudentie aangenomen gevallen waarin daarvoor aanleiding kan zijn – de feiten zijn niet helder of de gevolgen van de te nemen beslissing zijn niet te overzien – doen zich hier ook niet voor. Over het laatste geval merkt de voorzieningenrechter op dat Verzekeraars geen antwoord gegeven hebben op de ter zitting gestelde vraag of clausule AV212 ook in aan andere verzekerden afgegeven polissen is opgenomen.

4.3.

VAB stelt dat zij in dit kort geding optreedt als lasthebber van 227 leden (eiseressen sub 2 t/m 5 niet meegerekend). Ter onderbouwing van deze stelling heeft VAB de tekst van de last, die voor iedere lastgevingsovereenkomst gelijk is, in de dagvaarding geciteerd. De afzonderlijke lastgevingsovereenkomsten had zij niet bij de dagvaarding gevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Verzekeraars betwist dat VAB gerechtigd is om namens haar leden aanspraak te maken op uitkering onder de polissen. In reactie daarop heeft VAB, met instemming van de voorzieningenrechter, een kopie van de lastgevingsovereenkomsten in het geding gebracht en deze na de mondelinge behandeling aan Verzekeraars verstrekt. Daarbij heeft VAB, op verzoek van de voorzieningenrechter, tevens de bijbehorende uittreksels uit de Kamers van Koophandel en een schriftelijke bevestiging van een mondelinge lastgevingsovereenkomst gevoegd.

Verzekeraars hebben in deze stukken geen aanleiding gezien om hun standpunt over de ontvankelijkheid van VAB bij te stellen. Volgens Verzekeraars is het niet (in alle gevallen) mogelijk om te controleren of een lastgevingsovereenkomst door de bevoegde vertegenwoordiger van de onderneming is ondertekend, omdat VAB geen kopieën van identiteitsbewijzen aan Verzekeraars heeft verstrekt.

Hoewel dit laatste aspect aan Verzekeraars kan worden toegegeven, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de leden een last aan VAB hebben gegeven om in kort geding betaling van (een voorschot op) een vergoeding van bedrijfsschade te vorderen. VAB heeft daarvoor (inmiddels )voldoende bewijsstukken overgelegd. De enkele omstandigheid dat in een aantal gevallen de voornaam van de ondertekenaar niet exact overeenkomt met de in het handelsregister vermelde (volledige) voorna(a)m(en) – bijvoorbeeld [naam 1] in plaats van [naam 2] – maakt – ook nu het een feit van algemene bekendheid is dat roepnamen en (eerste) namen in de Basisregistratie Personen niet altijd dezelfde zijn – niet dat niet voldoende aannemelijk is dat een last gegeven is. Hetzelfde geldt voor de lastgevingsovereenkomst waarin de naam van de ondertekenaar ontbreekt en de twee lastgevingsovereenkomsten waarop één handtekening staat maar waarin de namen van twee bevoegde personen zijn genoemd. Evenmin is gebleken dat voor drie verkochte vestigingen de lastgeving door die verkoop is geëindigd. Dit leidt ertoe dat VAB in haar vorderingen wordt ontvangen.

4.4.

De gevraagde voorziening strekt tot betaling van geldsommen. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling van de vordering speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening is vereist en of er een restitutierisico is.

4.5.

In geschil is of clausule AV212 dekking biedt voor bedrijfsschade door de gedwongen winkelsluitingen. Eiseressen stellen dat dekking volgt uit de tekst van clausule AV212. Verzekeraars menen dat clausule AV212 in het licht van de polisvoorwaarden als geheel moet worden gelezen, waarbij gewicht toekomt aan het gegeven dat de overeenkomst door bemiddeling van een verzekeringsmakelaar tot stand gekomen is, welke makelaar de tekst van de clausule heeft opgesteld, en moet worden gekeken naar beursopvattingen. Op grond van de polisvoorwaarden als geheel bestaat alleen recht op vergoeding van bedrijfsschade die het gevolg is van materiële schade aan de gevaarsobjecten als gevolg van een verzekerd evenement. Dat betekent dat, volgens Verzekeraars, de clausule in dit geval geen dekking biedt omdat zich geen verzekerd gevaar – de besmettelijke ziekte – op de verzekerde locaties – de afzonderlijke HEMA-warenhuizen – heeft voorgedaan.

4.6.

Uitgangspunt is dat de uitleg van polisvoorwaarden geschiedt op basis van de Haviltex-maatstaf. Daarmee komt het in beginsel aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De Haviltex-maatstaf biedt echter weinig aanknopingspunten wanneer polisvoorwaarden eenzijdig zijn opgesteld en daarover niet is onderhandeld. Voor de uitleg van dergelijke polisvoorwaarden geldt daarom een aangepaste maatstaf en komt het bij de uitleg met name aan op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding zijn om van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt af te wijken.

Als eerste is van belang dat clausule AV212 een aanvullende bepaling is die pas later aan de verzekeringsovereenkomsten is toegevoegd. Dat brengt met zich dat uitleg in het licht van de (overige) polisvoorwaarden die op een ander moment tot stand gekomen zijn niet voor de hand ligt. Daar komt bij dat clausule AV212 onderdeel uitmaakt van een brandverzekering, maar dekking biedt voor bedrijfsschade zonder dat sprake is van materiële schade. Dat is

– blijkbaar – verre van gebruikelijk. Voor de uitleg van clausule AV212 kan daarom, naar voorlopig oordeel, (ook) geen aansluiting worden gezocht bij de door [naam persoon 2] en de heer [naam persoon 4] (hierna: [naam persoon 4] ), [naam functie 3] bij AIG, (in door partijen overgelegde verklaringen) beschreven (algemene) uitgangspunten van een bedrijfsschadeverzekering en een brandverzekering. De clausule heeft immers betrekking op een situatie die anders is dan de situatie waarin in die verzekeringen wordt uitgegaan.

Daar komt bij dat er een duidelijke reden is waarom AON destijds een uitbreiding van de dekking in de vorm van clausule AV212 heeft voorgesteld. [naam persoon 2] verklaart daarover dat clausule AV212 geen koppeling tussen het ontstaan van de schade en de locatie bevat en dat gekozen is voor een zo ruim mogelijke dekking. Het schietincident in winkelcentrum ‘De Ridderhof’ in Alphen aan den Rijn was aanleiding voor het ontwikkelen van de clausule. Vanwege dit incident werden ook andere winkelcentra ontruimd. Dat leidde bij verzekerden tot bedrijfsschade zonder materiële schade die niet gedekt was. De voorzieningenrechter acht dit een plausibele verklaring die Verzekeraars niet hebben betwist.

4.8.

Op grond van het hiervoor overwogene kent de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis toe aan de bewoordingen van clausule AV212. Daarin staat dat bedrijfsschade zonder een materiële schade aan de gevaarsobjecten meeverzekerd is, een en ander als gevolg van besmettelijke ziekten waarbij op last van een overheidsinstantie en/of de verplichte regeling het filiaal dient te worden gesloten. Nu daaruit niet blijkt van een koppeling tussen het ontstaan van de schade en de locatie, wordt het standpunt van eiseressen, dat voor dekking onder clausule AV212 de besmettelijke ziekte zich niet op de verzekerde locatie hoeft te hebben voorgedaan, gevolgd.

Dat het volgens Verzekeraars nooit de bedoeling is geweest om een pandemierisico te verzekeren en dat zij de clausule ook niet zo hebben begrepen als eiseressen deze nu uitleggen, maakt het vorenstaande niet anders. Verzekeraars hadden met AON over de tekst van de clausule ook in onderhandeling kunnen treden, maar dat hebben zij niet gedaan. Dat is mogelijk het gevolg van het feit dat, zoals eiseressen stellen en Verzekeraars niet hebben weersproken, de assurantiemarkt ten tijde van het invoeren van clausule AV212 ‘zacht’ was. Volgens eiseressen zijn verzekeringsmaatschappijen in een dergelijke markt, anders dan in een ‘harde’ markt, sneller bereid om dekking onder polissen uit te breiden en zo hun concurrentiepositie of marktpositie te versterken. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat Verzekeraars het pandemierisico wellicht niet hebben willen verzekeren, maar onder invloed van marktwerking dit risico desondanks hebben aanvaard of het risico onvoldoende hebben onderkend of wellicht de clausule niet goed hebben gelezen. Dat komt allemaal voor hun rekening en risico.

Verzekeraars hebben nog gewezen op informatie op de website van AON over de dekking van bedrijfsschade als gevolg van de coronapandemie. Deze informatie is echter algemeen van aard en vermeldt niets over clausule AV212 in het bijzonder, ook al niet omdat die informatie blijkbaar van recente datum is. Bij de uitleg van clausule AV212 wordt deze informatie daarom buiten beschouwing te worden gelaten.

4.9.

Ter onderbouwing van de hoogte van de bedrijfsschade hebben eiseressen als voorbeeld en uitgangspunt de vier expertiserapporten van eisersessen sub 2 t/m 5 in het geding gebracht. Anders dan Verzekeraars betogen, zijn deze rapporten niet te laat beschikbaar gesteld en zijn Verzekeraars dus niet in hun belangen geschaad. Omdat de rapporten bij dagvaarding zijn overgelegd, zijn deze tijdig in het geding gebracht. Daar komt bij dat sprake is van een kort geding, aan welke procedure inherent is dat van partijen – evenals van de voorzieningenrechter – (processuele) flexibiliteit wordt gevergd.

Verzekeraars betwisten bij gebrek aan wetenschap dat in dit geval sprake is van een representatieve steekproef. Hoewel eiseressen niet hebben toegelicht op basis van welke criteria de warenhuizen van eiseressen sub 2 t/m 5 zijn geselecteerd, is gelet op de omvang van de rapporten begrijpelijk dat eiseressen niet alle 231 rapporten hebben overgelegd. Daar komt bij dat nergens uit blijkt dat van een representatieve steekproef geen sprake zou zijn.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam persoon 3] toegelicht dat zij de bedrijfsschade heeft berekend conform het bepaalde in de artikelen 1.3 en 2.1.2 NBZB. Hoewel ook Verzekeraars menen dat de schade aan de hand van deze artikelen moet worden vastgesteld, hebben zij gemotiveerd betwist dat de schade juist is berekend.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de door eiseressen overgelegde berekeningen volgt dat de schade van de VAB-leden, enkele uitzonderingen daargelaten, aanzienlijk hoger is dan het maximum uit te keren bedrag van € 25.000,00. Hoewel de definitieve hoogte van de schade en de wijze van berekenen in een bodemprocedure moet worden vastgesteld, acht de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde stukken aannemelijk dat het merendeel van de leden meer dan € 25.000,00 aan bedrijfsschade heeft geleden. Daar komt bij dat [naam persoon 3] tijdens de zitting heeft toegelicht dat zij de bedrijfsschade slechts tot en met februari 2021 heeft berekend, terwijl hoogst aannemelijk is dat de winkeliers ook nadien schade hebben geleden, al was het maar omdat de winkels toen nog niet (volledig) open waren. Ook heeft [naam persoon 3] toegelicht dat HEMA B.V. het administratieve proces rond de internetverkopen begeleidt en dat de opbrengsten daaruit voor de franchisenemers gering zijn. Dit leidt ertoe dat de bedrijfsschade van de leden, met uitzondering van de in productie E14 genoemde winkeliers, naar voorlopig oordeel hoger is dan € 25,000,00.

4.10.

Eiseressen stellen dat voor alle VAB-leden op korte termijn een liquiditeitsprobleem ontstaat. Gedurende de winkelsluitingen hebben de winkeliers de vaste kosten kunnen voldoen door de betaling van belastingen vooruit te schuiven. Dit neemt volgens eiseressen evenwel niet weg dat de belastingen en ook het vakantiegeld op korte termijn moeten worden betaald. Hoewel Verzekeraars betwisten dat deze zaak spoedeisend is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de liquiditeitspositie van de ondernemingen van de VAB-leden als gevolg van de gedwongen winkelsluitingen onder druk is komen te staan. Dat maakt dat een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.11.

Het restitutierisico staat aan toewijzing van de gevraagde voorziening niet in de weg. Het restitutierisico is, hoewel het om een groot aantal risico-adressen gaat, beperkt, omdat het steeds om een maximale aanspraak van € 25.000,00 per risico-adres gaat. Hoewel Verzekeraars naar aanleiding van berichten in de media terecht vragen hebben gesteld over de mogelijkheid van een faillissement, hebben eiseressen tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de berichten betrekking hebben op HEMA B.V. en niet op de zelfstandige franchisenemers. Gelet op deze toelichting acht de voorzieningenrechter vooralsnog niet aannemelijk dat faillissementen van en of meer VAB-leden dreigen. Daarnaast is meegewogen dat de warenhuizen inmiddels weer geopend zijn.

4.12.

De vorderingen van eiseressen worden dan ook toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld. Daarbij wordt nog opgemerkt dat in het overzicht van VAB-leden (productie E1) bij categorie AA vijf leden staan vermeld die in de overzichten van warenhuizen met schade (producties E13 en E14) niet voorkomen.

Verzekeraars worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseressen worden begroot op € 5.301,81 (€ 85,81 aan explootkosten, € 4.200,00 aan griffierecht en € 1.016,00 aan salaris advocaat). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als gevorderd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Verzekeraars, ieder voor het deel waarvoor zij volgens de polissen het risico accepteerden, om aan VAB per risico-adres, zoals opgenomen in productie E13 bij dagvaarding, een bedrag van € 25.000,00 te betalen,

5.2.

veroordeelt Verzekeraars, ieder voor het deel waarvoor zij volgens de polissen het risico accepteerden, om aan VAB per risico-adres, zoals opgenomen in productie E14 bij dagvaarding, een voorschot te betalen van € 17.000,00 voor risico-adres [naam warenhuis] aan de [adres] te [plaats] en € 20.000,00 voor de overige risico-adressen,

5.3.

veroordeelt Verzekeraars, ieder voor het deel waarvoor zij volgens de polissen het risico accepteerden, om aan eiseressen sub 2 t/m 5 per risico-adres een bedrag van
€ 25.000,00 te betalen,

5.4.

veroordeelt Verzekeraars in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen tot op heden begroot op € 5.301,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van vijftiende dag na dit tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.

[2971/2009]