Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4714

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
KTN-8784163_29052021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over overeengekomen prijs voor de werkzaamheden. Geen sprake van meerwerk. Ook geen sprake van schuldeisersverzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8784163 CV EXPL 20-4710

uitspraak: 8 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

eiseres in conventie,

gedaagde in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. G.A. Bouw-van de Bunt,

tegen

[persoon B] h.o.d.n. [bedrijf B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. L.P. Quist.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [bedrijf A] ’ en ‘ [persoon B] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 16 september 2020;

  2. de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;

  3. de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

  4. het tussenvonnis van 10 december 2020 waarin een mondeling behandeling is bepaald;

  5. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021;

  6. de akte van de zijde van [bedrijf A] ;

  7. de antwoordakte van de zijde van [persoon B] ;

  8. de overgelegde producties.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

In februari 2019 heeft [persoon B] [bedrijf A] benaderd voor het snoeien van een walkant en het afvoeren van groenafval in Zwijndrecht.

2.3

Bij e-mailbericht van 11 februari 2019 heeft [bedrijf A] een tarievenlijst naar [persoon B] gestuurd. [persoon B] heeft diezelfde dag een voorstel gedaan. In het e-mailbericht staat verder:

“Ik zou je graag een voorstel doen:

Ik zorg dat ik deze week alle bomen en grote stammen heb weggezaagd.

Wat jij doet:
Opbouw en afvoer: € 200,-
16 uur midi kraan €880,-
2 dag verleng arm en heggeschaar € 300.-
Totaal:€1380.- Ik neem aan ex BTW

Als we nou €1950.- ex btw afspreken, u snoeit dan de walkant met de kraan en heggeschaar en voert het “grote” groenafval af. Schat ik in op 1 a 2 vrachten. Is dat een redelijke deal? […]”

2.4

[bedrijf A] heeft op 12 februari 2019 per e-mail akkoord gegeven op het voorstel van [persoon B] .

2.5

[bedrijf A] is op 18 februari 2019 aangevangen met de werkzaamheden. Na drie dagen werden de snoeiwerkzaamheden stilgelegd.

2.6

Op 12 en 13 maart 2019 heeft [bedrijf A] de werkzaamheden met de midikraan en de verlengarm hervat.

2.7

Bij e-mailbericht van 18 april 2019 heeft [bedrijf A] een kostenoverzicht van de werkzaamheden aan [persoon B] verstrekt. De kosten bedragen in totaal € 6.091,00.

2.8

[persoon B] heeft [bedrijf A] op 2 mei 2019 per e-mail bericht dat hij het niet eens is met deze kosten.

2.9

Op 28 november 2019 heeft [bedrijf A] een factuur ter hoogte van € 5.117,09 aan [persoon B] gestuurd voor de uitgevoerde werkzaamheden.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1

[bedrijf A] vordert in conventie dat [persoon B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

Primair:
de hoofdsom ad € 5.117,09, alsmede de wettelijke handelsrente over dat bedrag tot de dag der gehele voldoening, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 630,85;

Subsidiair:
de overeengekomen prijs voor de eerste twee dagen ad € 1.950,- vermeerderd met betaling van het meerwerk van 12 en 13 maart 2019 ad € 1.046,-, alsmede de wettelijke handelsrente tot de dag der gehele voldoening, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten;

Meer subsidiair:
de prijsafspraak ad € 1.950,-, alsmede de wettelijke handelsrente over de hoofdsom tot de dag der gehele voldoening, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten.

Een en ander met veroordeling van [persoon B] tot betaling van de proceskosten.

3.2

[bedrijf A] legt aan haar vordering nakoming van de overeenkomst tussen partijen ten grondslag. Hij stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de afgesproken werkzaamheden op regiebasis worden uitgevoerd. Partijen hebben voor de opbouw en afvoer van materialen, 16 uur werken met een midikraan, twee dagen werken met een verlengde heggenschaar en twee vrachten groenafvoer een prijsafspraak, geen vaste aanneemsom, van € 1.950,- gemaakt. Vanwege kostenverhogende omstandigheden is Peeksteek een bedrag van € 5.117,09 aan [bedrijf A] verschuldigd. De factuur van 28 november 2019 is tot een bedrag van € 5.117,09 onbetaald gebleven. Subsidiair stelt [bedrijf A] dat [persoon B] naast de prijsafspraak van € 1.950,- ook het meerwerk van 12 en 13 maart 2019, zijnde een bedrag van € 1.046,- is verschuldigd. Meer subsidiair voert [bedrijf A] aan dat [persoon B] de tussen partijen gemaakt prijsafspraak van € 1.950,- verschuldigd is.

3.3

[persoon B] betwist dat de werkzaamheden op regiebasis zouden worden uitgevoerd. Partijen hebben een vaste aanneemsom van € 1.950,- afgesproken. Er is geen sprake geweest van kostenverhogende omstandigheden. [persoon B] betwist daarnaast opdracht te hebben gegeven aan [bedrijf A] voor het verrichten van meerwerk. Tot slot betwist [persoon B] de verschuldigdheid van de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten nu [bedrijf A] hem geen deugdelijke factuur heeft toegestuurd zodat hij het overeengekomen bedrag van € 1.950,- kon betalen en er sprake is van schuldeisersverzuim.

4. De vordering en het verweer in voorwaardelijke reconventie

4.1

Voor het geval wordt geoordeeld dat geen sprake is van een vaste aanneemsom vordert [persoon B] in voorwaardelijke reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ontbinding van iedere overeenkomst die hem verdergaande betalingsverplichtingen oplegt dan hetgeen partijen op 11 februari 2019 zijn overeengekomen nu [bedrijf A] de werkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd doordat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd binnen het tijdsbestek waarvan partijen uitgingen op 11 februari 2019.

4.2

Aan die vordering heeft [persoon B] , kort gezegd, ten grondslag gelegd hetgeen is weergegeven onder 3.3.

4.3

[bedrijf A] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling


In conventie:

Overeengekomen prijs

5.1

[bedrijf A] en [persoon B] hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten als bedoeld in artikel 7:750 lid 1 BW. Partijen verschillen van mening over wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de prijs van de werkzaamheden. De beantwoording van de vraag of op regiebasis is gewerkt ofwel een vaste aanneemsom is overeengekomen moet plaatsvinden aan de hand van de uitleg van de e-mail van [persoon B] van 11 februari 2019 en de aanvaarding ervan. Hierbij komt het niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de in de e-mail gekozen bewoordingen, maar tevens op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan en aan elkaar gedragingen en verklaringen over en weer mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.2

Naar het oordeel van de kantonrechter wijzen de stukken en omstandigheden waarop [bedrijf A] zich beroept, niet op een afspraak zoals door hem gesteld. In het voorstel van [persoon B] staan alle posten opgenomen en die posten zijn voorzien van begrote kosten voor een totaalbedrag van € 1.950,- exclusief btw. Op de vraag van [persoon B] “Is dat een redelijke deal?” heeft [bedrijf A] geantwoord “De prijzen zijn akkoord”. In deze aanvaarding van het aanbod van [persoon B] ligt geen voorbehoud van bijvoorbeeld meer of minder uren of een tegenaanbod besloten. [bedrijf A] heeft daarmee het aanbod van [persoon B] aanvaard, althans [persoon B] heeft deze verklaring in de omstandigheden van dit geval zo mogen opvatten. De kantonrechter heeft daarbij laten meewegen dat [bedrijf A] in zijn e-mailbericht van 12 februari 2019 niet heeft verzocht om het werk op regiebasis c.q. tegen de daadwerkelijke kosten uit te voeren. Indien de ureninschatting van [persoon B] onjuist was, had het op de weg van [bedrijf A] , als specialist in de overeengekomen werkzaamheden, gelegen om [persoon B] daarop te wijzen. Dat [persoon B] geen overeengekomen resultaat en termijn in het prijsvoorstel heeft opgenomen maakt dat niet anders nu [bedrijf A] ter zitting heeft verklaard dat partijen het werk tevoren samen hebben besproken en bekeken waardoor het overeengekomen resultaat op grond daarvan voor hem duidelijk moest zijn. Hetgeen [bedrijf A] aan zijn stelling ten grondslag heeft gelegd, is aldus onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van aannemingsovereenkomst op regiebasis. Aan bewijslevering komt de kantonrechter daarom niet toe.

Meerwerk

5.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat partijen een vaste aanneemsom voor de werkzaamheden zijn overeengekomen. [bedrijf A] stelt dat in dat geval sprake is van meerwerk dat [bedrijf A] op 12 en 13 maart 2019 heeft uitgevoerd en dat [persoon B] dat apart dient te betalen. [persoon B] betwist dat hij opdracht heeft gegeven voor meerwerk.

5.4

Op grond van artikel 7:755 BW kan een aannemer voor door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen slechts een vergoeding voor meerwerk vorderen als hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Het is aan [bedrijf A] die betaling van het meerwerk vordert om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij aanspraak kan maken op betaling van het door hem gestelde meerwerk.

5.5

[persoon B] betwist dat er mondeling of schriftelijk meerwerk is overeengekomen of bevestigd. [bedrijf A] stelt zich op het standpunt dat hij dit telefonisch met [persoon B] heeft besproken en mondeling met een medewerker van [persoon B] . Aangezien [bedrijf A] zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept, ligt het op zijn weg om dat te bewijzen. [bedrijf A] heeft echter geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat hij [persoon B] er tijdig op heeft gewezen dat er extra werkzaamheden zouden worden uitgevoerd die een prijsverhoging met zich zouden meebrengen en dat partijen dit zijn overeengekomen, anders dat wat was afgesproken in de mail van 11 februari 2019. Voor zover [bedrijf A] meent dat [persoon B] de noodzaak van een uit die extra werkzaamheden voortvloeiende prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen, kan dat niet zomaar worden gevolgd. [bedrijf A] voert weliswaar aan dat [persoon B] hem heeft verzocht om na het verstrijken van de eerste twee dagen de werkzaamheden weer te hervatten, maar daarmee is niet duidelijk geworden dat hij heeft voldaan aan de uit artikel 7:755 BW voortvloeiende waarschuwingsplicht die ziet op het vooraf verstrekken van informatie over de te verwachten prijsverhoging. Dat [bedrijf A] een kostenoverzicht aan [persoon B] heeft gestuurd, maakt evenmin dat voldaan is aan de eisen van artikel 7:755 BW. Bovendien is door [bedrijf A] niet gesteld, noch anderszins gebleken dat de werkzaamheden vanaf dat moment qua aard en omvang zijn gewijzigd. Nu door [bedrijf A] verder geen feiten zijn gesteld waaruit volgt dat hij [persoon B] concrete informatie heeft verstrekt over de prijsverhoging die het gevolg zal zijn van het volgens hem opgedragen meerwerk, heeft [bedrijf A] niet voldaan aan zijn stelplicht zodat zijn vordering voor zover die strekt tot de vordering van meerwerk moet worden afgewezen.

Stortkosten

5.6

Ter zitting is [bedrijf A] toegelaten om de stortbonnen te overleggen. [bedrijf A] heeft bij akte zogenoemde ‘begeleidingsbrieven’ overgelegd. De kantonrechter is met [persoon B] van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [bedrijf A] stortkosten heeft gemaakt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7

[bedrijf A] heeft gesteld dat hij op 19 februari, 20 februari en 22 februari groenafval heeft afgevoerd met een knijperauto. Door [persoon B] is terecht opgemerkt dat uit de overgelegde begeleidingsbrieven niet kan worden afgeleid dat [bedrijf A] daadwerkelijk 14 of 15 m3 aan groenafval heeft gestort en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt. De enkele stelling van [bedrijf A] dat hij het groenafval heeft gedeponeerd bij [bedrijf C] . is daartoe onvoldoende, temeer nu uit de begeleidingsbrief kan worden afgeleid dat [bedrijf C] op hetzelfde adres is gevestigd als [bedrijf A] . Er kan dus niet met een redelijke mate van zekerheid worden geoordeeld dat [bedrijf A] daadwerken stortkosten heeft moeten maken, zodat die kosten niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5.8

Het voorgaande maakt dan ook dat de kantonrechter de vaste aanneemsom van € 1.950,- zal toewijzen nu vaststaat dat partijen dit bedrag zijn overeengekomen.

Crediteursverzuim

5.9

Voor zover [persoon B] zich erop beroept dat hij de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet verschuldigd is omdat [bedrijf A] nog geen deugdelijke factuur voor de overeengekomen aanneemsom van € 1.950,- heeft gestuurd en hierdoor sprake is van schuldeisersverzuim, gaat dit niet op. Op grond van artikel 6:58 BW is voor schuldeisersverzuim vereist dat de nakoming van de verbintenis wordt verhinderd doordat de schuldeiser, in dit geval [bedrijf A] , niet voldoet aan één van zijn verplichtingen of doordat een ander beletsel van de zijde van [bedrijf A] opkomt. Daarvan is onvoldoende gebleken. Vast staat immers dat partijen voor de afgesproken werkzaamheden een vaste aanneemsom van € 1.950,- zijn overeengekomen en dat [bedrijf A] op 28 november 2019 een factuur voor de werkzaamheden had gestuurd. [persoon B] had dan ook na ontvangst van de factuur over kunnen gaan tot betaling van het onbetwiste bedrag van € 1.950,-. Dat heeft [persoon B] nagelaten. Onder die omstandigheden is geen sprake van schuldeisersverzuim. Dat verweer van [persoon B] wordt verworpen.

5.10

Nu [persoon B] niet binnen de vervaltermijn van de factuur van 28 november 2019 aan zijn betalingsverplichting jegens [bedrijf A] heeft voldaan, is [persoon B] in verzuim komen te verkeren en is hij gehouden tot betaling van de wettelijke rente. De kantonrechter zal een bedrag van € 112,10 aan vervallen rente toewijzen, zijnde de wettelijke handelsrente over de periode van 28 december 2019 (vervaldatum factuur) tot en met 15 september 2020.

5.11

[bedrijf A] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [bedrijf A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt, zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom, zijnde een bedrag van € 1.950,-. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 292,50.

5.12

[persoon B] zal in conventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, wat het salaris voor de gemachtigde betreft begroot op € 467,50 (2,5 punten voor dagvaarding, mondelinge behandeling en de akte met bijzondere inhoud à € 187,- per punt).

In (voorwaardelijke) reconventie:

5.13

Nu uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling van de voorwaardelijke vordering in reconventie.

5.14

Gelet op de samenhang met de vordering in conventie ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten van partijen in de voorwaardelijke reconventie te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [persoon B] aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 2.354,60 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.950,- vanaf 16 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf A] vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 89,70 aan dagvaardingskosten en € 467,50 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in voorwaardelijke reconventie:

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

35789