Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4706

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
8929917_KTN-28052021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering afgewezen. Geen sprake van verzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8929917 CV EXPL 20-6328

uitspraak: 20 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

die bij [naam directeur] , directeur, procedeert,

tegen

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.B. Visser.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 1 december 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. het tussenvonnis van 18 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven is bepaald;

  4. de brief van [gedaagde] van 19 februari 2021 waarin partijen hebben verzocht om de procedure schriftelijk te laten verlopen;

  5. de conclusie van repliek, met producties;

  6. de conclusie van dupliek, met productie.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[gedaagde] heeft op 26 januari 2017 een hoogwerker aan [eiseres] verkocht.

2.3

[eiseres] had niet de beschikking over een geschikte aanhangwagen om de hoogwerker te vervoeren. [gedaagde] heeft een tweetal aanhangwagens aan [eiseres] aangeboden. [gedaagde] heeft [eiseres] op 24 februari 2017 per e-mail het volgende over de aanhangwagens bericht:

“De tweede offerte is inderdaad puur een machine transporter. Het is een goede aanhangwagen maar alleen te gebruiken voor het transporteren van uw machine. De eerste aanhanger die wij aanbieden is voor beide doeleinden zeer geschikt.”

2.4

[eiseres] heeft [gedaagde] op 25 februari 2017 per e-mail bericht dat zij graag een aanhangwagen bij [gedaagde] wil kopen.

2.5

Tussen partijen is op 24 maart 2017 een koopovereenkomst gesloten. Op grond hiervan heeft [eiseres] een aanhangwagen gekocht van [gedaagde] voor een bedrag van € 3.390,20 excl. btw.

2.6

Op de factuur van 24 maart 2017 staat vermeld dat de Saris aanhangwagen een totaal gewicht heeft van 3.500 kg en een laadvermogen van 2.715 kg.

2.7

In september 2017 heeft [gedaagde] , op verzoek van [eiseres] , de gekochte aanhangwagen verzwaard door het bevestigen van traanplaten.

2.8

Bij brief van 8 oktober 2020 heeft [eiseres] [gedaagde] in gebreke gesteld. In de brief staat verder:

“Begin 2017 hebben wij bij u een hoogwerker aangeschaft. Op uw advies hebben wij daarna tevens een aanhanger bij u besteld. De reden; dat onze eigen aanhanger te hoog was en derhalve niet geschikt is voor het vervoer van deze hoogwerker. […]

Nu blijkt dat de combinatie hoogwerker en de geadviseerde aanhanger een “economisch delict” is indien de openbare weg met bedoelde combinatie wordt betreden. Immers de hoogwerker is 3680 kg en het laadvermogen van de aanhanger is 2700 kg, derhalve op 20 kilo na, 1000 kilo zwaarder.

Derhalve stellen wij u hierbij in gebreke.

De koop is door deze feiten buiten wettelijk en dient teruggedraaid te worden. Wij eisen hierbij het aankoopbedrag retour, zijnde € 3.390,20 excl.. Btw (zie uw factuur 89433).”

2.9

Tussen partijen heeft op 26 oktober 2020 een telefoongesprek plaatsgevonden over voornoemde brief van [eiseres] .

2.10

Bij brief van 27 oktober 2020 schrijft [eiseres] aan [gedaagde] het volgende:

Het feit dat er pas na circa 3 jaren bekend is dat uw advies niet juist is, is geen reden om u van uw verantwoordelijkheid als professionele verkoper te ontslaan.

Feitelijk heeft [eiseres] , als gevolg van uw verkeerde berichtgeving omrent de aanhanger, 3 jaren risico gelopen met als mogelijk gevolg dat [eiseres] . veroordeeld had kunnen worden voor een economisch delict.”

3. Het geschil

3.1

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot:

  1. betaling van een bedrag van € 3.668,31;

  2. het terugnemen van bedoelde aanhangwagen;

  3. de kosten van deze procedure.

3.2

[eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij er in oktober 2020 bekend mee is geworden dat het transporteren van de bij [gedaagde] gekochte hoogwerker op de gekochte aanhangwagen een economisch delict is, omdat de hoogwerker bijna 1000 kg te zwaar is voor de aanhangwagen. In verband met de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] heeft [eiseres] de overeenkomst bij brief van 8 oktober 2020 buitengerechtelijk ontbonden. [eiseres] maakt hierdoor aanspraak op terugbetaling van de gedane betaling van € 3.390,20. Het gevorderde bedrag bestaat daarnaast uit administratiekosten van 5% ter hoogte van € 169,51 en de dagvaardingskosten van € 108,60.

3.3

[gedaagde] heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en voert daartoe primair aan dat zij door [eiseres] niet in verzuim is gesteld. De brief van 8 oktober 2020 bevat geen aanmaning met daarin een redelijke termijn voor nakoming. Bovendien is nakoming van de overeenkomst door [gedaagde] niet blijvend onmogelijk. [gedaagde] voert subsidiair aan dat [eiseres] niet aan haar klachtplicht van artikel 7:23 BW heeft voldaan. [gedaagde] stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat de geleverde aanhangwagen beantwoordt aan de overeenkomst en nog meer subsidiair dat zij niet gehouden is om de koopprijs in zijn geheel terug te betalen. [gedaagde] acht een gebruikersvergoeding van € 1.500,- redelijk.

4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] zich op het standpunt stelt dat de gekochte aanhangwagen niet aan de overeenkomst beantwoordt, omdat de aanhangwagen niet de eigenschappen bezit die zij als koper mocht verwachten. Volgens [eiseres] mocht zij op basis van hetgeen partijen voorafgaand aan de koopovereenkomst hebben besproken, verwachten dat de door [gedaagde] geleverde aanhangwagen de hoogwerker van 3680 kg mag en kan vervoeren over de openbare weg zonder dat zij een economisch delict pleegt. [gedaagde] betwist dat daarover is gesproken. Zij heeft enkel aan [eiseres] meegedeeld dat de gekochte aanhangwagen de eerder gekochte hoogwerker technisch zou kunnen vervoeren.

4.2

De beantwoording van de vraag wat [eiseres] op grond van de overeenkomst mocht verwachten en of er al dan niet sprake is van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 lid 1 BW kan naar het oordeel van de kantonrechter achterwege blijven in verband met het volgende. Voor een geslaagd beroep op ontbinding is (behoudens in gevallen dat nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is) vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert. Voor het intreden van verzuim is in beginsel een schriftelijke aanmaning (ingebrekestelling) nodig waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

4.3

Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat [eiseres] [gedaagde] in gebreke heeft gesteld, waarbij zij [gedaagde] een redelijke termijn voor (deugdelijke) nakoming heeft gegund. Uit de door [eiseres] overgelegde brief van 8 oktober 2020 kan worden afgeleid dat zij [gedaagde] enkel heeft medegedeeld dat de koop van de aanhangwagen buiten wettelijk is en dient te worden teruggedraaid doordat de hoogwerker ruim 1000 kg zwaarder is dan het laadvermogen van de aanhangwagen. [eiseres] heeft [gedaagde] geen redelijke termijn gegeven om de overeenkomst alsnog naar behoren na te komen dan wel om het gebrek aan de aanhangwagen te herstellen. [gedaagde] is daarom niet in verzuim geraakt op grond van artikel 6:82 lid 1 BW. Bovendien heeft [eiseres] niet gesteld noch is anderszins gebleken dat [gedaagde] , indien sprake zou zijn van een tekortkoming, niet bereid was haar verplichtingen na te komen.

4.4

[gedaagde] raakt zonder ingebrekestelling in verzuim als [eiseres] uit een mededeling van [gedaagde] moet afleiden dat deze de gebreken niet zal herstellen, met andere woorden dat [gedaagde] tekort zal schieten in de nakoming van de verbintenis (artikel 6:83 aanhef en onder c BW). [eiseres] voert aan dat partijen voorafgaand aan de brief van 8 oktober 2020 telefonisch contact hebben gehad. Voor zover [eiseres] zich erop beroept dat [gedaagde] tijdens dat telefoongesprek een dusdanige mededeling heeft gedaan waaruit [eiseres] mocht afleiden dat [gedaagde] in haar verplichtingen tekort zou schieten, gaat dit niet op. [gedaagde] betwist immers dat dat telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Het had dan op de weg van [eiseres] gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] zonder nadere ingebrekestelling in verzuim is geraakt.

4.5

Gelet op het voorgaande geldt dat [gedaagde] niet in verzuim is geraakt. De koopovereenkomst tussen partijen is dan ook niet (buitengerechtelijk) ontbonden waardoor [eiseres] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van de gedane betaling van € 3.390,20. De vordering van [eiseres] tot terugbetaling zal worden afgewezen. In het verlengde daarvan worden de gevorderde administratie- en dagvaardingskosten ook afgewezen.

4.6

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 436,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

35789