Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4635

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
8362549 CV EXPL 20-7107
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

eindvonnis in verzet; bekrachtiging verstekvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8362549 CV EXPL 20-7107

uitspraak: 2 april 2021

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats eiser 2] en

3. [eiser 3] ,

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

beiden in hun hoedanigheid van vennoot van eiser sub 1),

eisers, gedaagden in verzet,

gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde, eiser in verzet,

gemachtigde: mr. J.S. Jordan.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser 1] ’ (in het vrouwelijk enkelvoud) en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2020;

  • -

    de akte van [eiser 1] ;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1

Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 4 september 2020. De kantonrechter blijft bij hetgeen hierin is vastgesteld, overwogen en beslist.

2.2

In het tussenvonnis is [eiser 1] in de gelegenheid gesteld te reageren op het bij conclusie van dupliek (voor het eerst) door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij betalingen heeft gedaan van eenmaal € 84,00 en tweemaal € 84,70, waarvan één contant.

2.3

[eiser 1] heeft bij akte van 13 oktober mei 2020 gereageerd op de stellingen van [gedaagde] en heeft een tweetal bankafschriften alsmede een totaaloverzicht van de gevorderde hoofdsom overgelegd. [gedaagde] erkent in die akte dat zij van [gedaagde] twee betalingen heeft ontvangen, namelijk een betaling van € 84,- op 27 april 2018 en een betaling van

€ 84,70 op 28 juni 2018. [eiser 1] stelt dat de twee ontvangen betalingen al in het door haar overgelegde betalingsoverzicht zijn verwerkt en dat hierna nog het gevorderde bedrag van € 932,40 resteert. [eiser 1] ontkent dat zij daarnaast ook nog een contante betaling van € 84,70 heeft ontvangen.

2.4

[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de door [eiser 1] overgelegde producties. Bij akte van 10 november 2020 heeft [gedaagde] gereageerd. [gedaagde] handhaaft zijn stelling dat hij een contante betaling heeft gedaan, maar geeft aan dat hij niet in staat is dit aan te tonen.

2.5

Uit het door [eiser 1] overgelegde overzicht kan worden afgeleid dat - zoals [eiser 1] stelt - de betalingen van € 84,- en van € 84,70 al zijn verwerkt in de berekening van de gevorderde hoofdsom. [gedaagde] heeft dit in zijn akte ook niet betwist. Dat staat dus vast. [eiser 1] heeft gemotiveerd betwist dat zij een contante betaling van € 84,70 heeft ontvangen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om bewijs te leveren van de door hem gestelde contante betaling. [gedaagde] heeft geen daartoe strekkend bewijsaanbod gedaan en heeft ook verklaard dat hij niet in staat is de betaling aan te tonen. Dit betekent dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en dat de gestelde contante betaling niet is komen vast te staan.

2.6

[gedaagde] is in de akte, hoewel hij daartoe niet in de gelegenheid was gesteld, voorts nog ingegaan op wat de kantonrechter in het tussenvonnis heeft overwogen en geoordeeld. De kantonrechter laat dit buiten beschouwing en ziet geen aanleiding om terug te komen van hetgeen is geoordeeld in het tussenvonnis.

2.7

De gevorderde hoofdsom van € 932,40 is gezien het voorgaande toewijsbaar.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.8

De kantonrechter stelt vast dat [eiser 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en is daarom toewijsbaar.

Rente

2.9

[eiser 1] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de gevorderde hoofdsom van € 932,40. De overeenkomst tussen [eiser 1] en [gedaagde] is een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW en er is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. De gevorderde wettelijke handelsrente is daarom toewijsbaar.

2.10

De vordering van [gedaagde] zal gezien het voorgaande worden afgewezen. Het verstekvonnis zal worden bekrachtigd.

Proceskosten

2.11

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze verzetprocedure.

3. De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het op 8 januari 2020 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] vastgesteld op € 186,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt maal tarief € 124,-);

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650