Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4614

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
C/10/598386 / HA ZA 20-581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis. Verdeling na echtscheiding. Wijze van verdeling polissen, verrekening van premies die betaald zijn. Zakelijke restschuld en zakelijke bezittingen. Gebruikersvergoeding en inboedelgoederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/598386 / HA ZA 20-581

Vonnis van 26 mei 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.F.A. Notenboom te Rotterdam,

tegen

[persoon B] ,

wonende te geheim adres,

gedaagde,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met productie,

  • -

    de brief van deze rechtbank van 9 september 2020 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal van mondelinge behandeling van 7 december 2020,

  • -

    de akte van de vrouw, houdende haar reactie op het proces-verbaal,

  • -

    de akte van de man, houdende zijn reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2. De feiten

2.1.

Partijen zijn op 5 september 2003 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 26 maart 2012 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.2.

In de echtscheidingsbeschikking van 26 maart 2012 is opgenomen, voor zover van belang:

- Bepaalt dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop en overdracht van de echtelijke woning aan de [adres] te Rotterdam en bepaalt dat de opbrengst van de

woning, na aftrek van de hypothecaire schuld en verrekening van de aan de hypotheek

gekoppelde levensverzekeringen, bij helfte zal worden gedeeld.

2.3.

Na de echtscheiding is de man blijven wonen in de voormalige echtelijke woning van partijen, de woonark, gelegen aan de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam (hierna: de woonark).

2.4.

In juni 2014 is de woonark getaxeerd. Medio 2015 bleek dat er een hypotheekachterstand was van € 18.000,=. De woonark is op 28 oktober 2016 verkocht. Na verkoop van de woonark bedroeg de restschuld € 33.536,10. De vrouw heeft een regeling getroffen voor haar deel van de restschuld.

2.5.

Partijen hebben tijdens hun huwelijk een beleggingsverzekering met polisnummer [nummer polis 1] en een lijfrenteverzekering met polisnummer [nummer polis 2] afgesloten bij Goudse Levensverzekeringen N.V. De waarde van de beleggingsverzekering bedraagt op 23 november 2018 € 25.939,59.

3. Het geschil

in conventie en reconventie

3.1.

De vrouw vordert in conventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: te verklaren voor recht dat tussen partijen is overeengekomen dat de polissen

met kenmerk [nummer polis 1] en kenmerk [nummer polis 2] bij de Goudse verzekeringen aan

partijen ieder voor de helft toekomen;

II. primair: de door de vrouw van de man benodigde toestemmingen te vervangen door

toestemmingen van de rechtbank om de polissen met kenmerk [nummer polis 1] en kenmerk

[nummer polis 2] op te heffen en te laten uitkeren waarbij de opbrengst van de betreffende

polissen na aftrek van de kosten aan ieder van partijen voor de helft zullen toekomen;

III. subsidiair: de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te gelasten

zoals onder punt 2.2 en 2.3 van de dagvaarding is omschreven;

IV. primair en subsidiair: de man te veroordelen in de kosten van deze procedure,

daaronder begrepen alle kosten welke onder de tenuitvoerlegging vallen met daarbij de

bepaling dat de proceskosten binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis moeten

zijn voldaan, met veroordeling van de man tot betaling van de wettelijke rente over de

proceskosten indien de man deze kosten niet heeft voldaan binnen de hierbij

genoemde termijn.

3.2.

De man voert verweer in conventie. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen als volgt:

a) indien en voor zover de polis mét boeteclausule al afgekocht dient te worden, wenst de man het deel van de vrouw over te nemen en de vrouw uit te betalen, waarbij rekening gehouden wordt met de boete;

b) te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden inhoudende het negatieve saldo op de bankrekeningen [bankrekeningnummer] ;

2. de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de door de man betaalde schulden ad. € 7.090,07 aan de man zorg te dragen, te vermeerderen met de wettelijke rente van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

3. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

De vrouw voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

In geding zijn de (wijze van) verdeling van de polissen, verrekening van premies die betaald zijn, de zakelijke restschuld, de zakelijke bezittingen, de gebruikersvergoeding en de inboedelgoederen.

4.2.

Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren (HR 17 april 1998, NJ 1999, 550).

polissen en premies

4.3.

De vrouw vordert nakoming van de beschikking waarin is bepaald dat de levensverzekeringen bij helfte tussen partijen worden gedeeld. Hiervan wordt een verklaring voor recht gevraagd, tevens wordt verzocht om vervangende toestemming te verlenen om over te gaan tot opheffing en uitkering van de betreffende polissen. Subsidiair vordert de vrouw dat de niet verdeelde bestanddelen alsnog worden verdeeld, waaronder de beleggingsverzekering (ook wel levensverzekering) met polisnummer [nummer polis 1] met

een waarde per 23 november 2018 van € 25.939,59 en de lijfrenteverzekering met polisnummer [nummer polis 2] met een waarde van €40.000,=.

4.4.

De man vordert dat beide polissen aan de man worden toebedeeld. Volgens de man zouden in beginsel beide partijen gerechtigd zijn tot de helft van de waarde van de polissen per 24 januari 2012, (de rechtbank leest hier 4 januari 2012). De waarde van de polissen bedragen per 12 februari 2020 € 43.590,06 ( [nummer polis 2] ) en € 31.393,66 ( [nummer polis 1] ). Echter de man heeft, zowel gedurende het huwelijk, als na ontbinding van het huwelijk, de volledige premies voor de polissen voldaan. Doordat de man de premiebetalingen is blijven voldoen, is de waarde van de polissen gestegen. De man voert aan dat hij van januari 2012 tot en met november 2013 € 6.122,14 heeft ingelegd in de beleggingsverzekering ( [nummer polis 1] ). Uit zijn premiebetalingen van januari 2012 tot en met november 2014 volgt dat hij € 7.875,- heeft ingelegd in de lijfrentepolis ( [nummer polis 2] ).

4.5.

In reactie op het verweer van de man heeft de vrouw gesteld dat partijen het nu eens lijken te zijn dat de peildatum van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap 4 januari 2012 is. De vrouw meent eveneens dat het beter is om de lijfrentepolis met kenmerk [nummer polis 2] om te zetten in twee nieuwe lijfrentepolissen in plaats van de polis af te kopen en wijzigt op dit punt haar eis. De vrouw komt voor beide polissen op basis van de overgelegde stukken op een lager bedrag dat de man aan premies zou hebben voldaan. Voor de beleggingspolis ( [nummer polis 1] ) heeft de man volgens de vrouw een bedrag van € 5.057,42 voldaan en voor de lijfrentepolis ( [nummer polis 2] ) een bedrag van € 6.957,=. Volgens de vrouw hebben beide partijen recht op de helft van de waarde van de polissen en beide partijen dienen de helft van de schuld voortvloeiende uit de premiebetalingen van de polissen te voldoen. Van de totale premie dienden de man en de vrouw ieder de helft te voldoen, een eventueel vorderingsrecht van de man bedraagt daarom € 14.447,14 bij helfte, € 7.223,57. De man heeft € 12.032,42 voldaan, zodat zijn vorderingsrecht uit hoofde van premiebetalingen van de beide polissen hooguit € 4.808,85 bedraagt, aldus de vrouw.

4.6.

De vrouw en de man hebben tijdens de mondelinge behandeling eensluidend verklaard dat moet worden uitgerekend wat de man aan premies heeft betaald en dat hij voor de helft van dat bedrag een vorderingsrecht heeft op de vrouw ter zake de betaalde premies.

4.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat bij echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de opbrengst van de woning, na aftrek van de hypothecaire schuld en verrekening van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekeringen, bij helfte zal worden gedeeld. De polissen die nu in geding zijn niet gekoppeld aan de hypotheek van destijds. Het zijn goederen overgeslagen bij de verdeling, daarom zal de rechtbank daarover thans nog beslissen.

4.8.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 onder a BW is de omvangspeildatum van de huwelijksgemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. De vrouw heeft op 4 januari 2012 het verzoekschrift ingediend. De omvangspeildatum is derhalve 4 januari 2012.

4.9.

De rechtbank zal de beleggingspolis ( [nummer polis 1] ) toedelen aan de man en de man veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van de waarde van de polis.

De rechtbank zal bepalen dat de lijfrentepolis met kenmerk [nummer polis 2] dient te worden omgezet in twee nieuwe lijfrentepolissen, waarvan een op naam van de man en een op naam van de vrouw.

4.10.

Als waardepeildatum heeft in beginsel te gelden het moment van verdeling (nu). Er bestaat geen reden om van dit beginsel af te wijken.

4.11.

De man heeft als enige de premies op de twee polissen betaald vanaf 4 januari 2012 tot op heden. De rechtbank zal de vrouw veroordelen om aan de man de helft van de premies vanaf die datum tot op heden te vergoeden. De vrouw is immers mede draagplichtig voor het voldoen van de premies, die betrekking hebben op een gemeenschappelijk goed. Niet in geding is dat de vrouw voor de helft draagplichtig is. Welk bedrag de vrouw dan precies moet betalen aan de man is in deze procedure onduidelijk gebleven. Daarom zal de rechtbank volstaan met veroordeling van de vrouw dát zij de helft van de premies aan de man moet betalen. Het is aan partijen zelf om uit te rekenen op welk bedrag dat uitkomt. De rechtbank zal zekerheidshalve een voorziening treffen opdat beide partijen bij de verzekeraar kunnen opvragen wat de huidige waarde van de polissen is en welk bedrag aan premies is betaald vanaf 4 januari 2012 tot op heden.

zakelijke schuld

4.12.

De man vordert de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de door de man betaalde schulden. Hij stelt dat de totale hoogte van de schuld op de zakelijke rekening [bankrekeningnummer] € 14.180,13 bedroeg en dat hij de schuld heeft voldaan op 9 juni 2016. De vrouw diende, in het kader van de gemeenschap van goederen, de helft van de negatieve saldi, de schulden, te voldoen. De man vordert veroordeling van de vrouw om de helft van de schuld per 9 juni 2016 te voldoen en te bepalen dat de vrouw de regresvordering ten bedrage van € 7.090,07 dient te betalen aan hem.

4.13.

De vrouw betwist de zakelijke schuld van de man. Zij voert aan dat de man wel heeft aangetoond dat er een schuld is, maar niet heeft aangetoond dat hij de schuld ook daadwerkelijk heeft voldaan. Uit het feit dat het saldo in 2016 positief is, blijkt niet dat de schuld is afgelost en daadwerkelijk is betaald.

4.14.

De rechtbank zal de vordering van man afwijzen. De man heeft zijn vordering, tegenover het gemotiveerde verweer van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft de man aangegeven nog jaarstukken te willen inbrengen, maar dit is door de man niet tijdig ingediend. Verificatoire bescheiden waaruit blijkt van aflossing op deze schuld door de man zijn niet overgelegd.

zakelijke bezittingen

4.15.

De vrouw vordert verdeling bij helfte van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft aangevoerd dat nu de man heeft gesteld dat ook de schuld op de zakelijke rekening bij helfte moet worden gedragen, daar ook bezittingen tegenover staan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangevoerd dat als het tot verdeling van de onderneming en de schuld komt alles moet worden meegenomen. De man had bijvoorbeeld een bus en gereedschappen.

4.16.

De man heeft erkend tijdens de mondelinge behandeling dat er zakelijke bezittingen zijn, maar stelt dat er heel weinig aan vermogen is.

4.17.

De rechtbank oordeelt als volgt. Weliswaar heeft de man erkend dat er zakelijke bezittingen zijn, echter daar staan zakelijke schulden tegenover, zoals ook overwogen in rechtsoverweging 4.12. en verder. De vrouw betwist dit niet gemotiveerd. Er kan dus niet worden geoordeeld dat de man wordt overbedeeld. Nu de vordering van de man met betrekking tot de zakelijke schuld is afgewezen en de vordering van de vrouw een afgeleide van de vordering van de man is, wordt ook de vordering van de vrouw daarom afgewezen.

Gebruiksvergoeding

4.18.

De vrouw vordert een gebruiksvergoeding. In dit geval was geen sprake van een overwaarde zodat aansluiting kan worden gezocht bij de huurwaardemethode. De gebruiksvergoeding dient te worden berekend op basis van 4% van de WOZ waarde en bedraagt € 316,67 per maand. Vanaf de peildatum 4 januari 2012 tot aan de verkoop van de woonark op 28 oktober 2016 heeft de man 58 maanden de woonark bewoond. De gebruikersvergoeding komt derhalve op een totaalbedrag van € 18.366,86 aldus de vrouw.

4.19.

De man stelt dat een gebruiksvergoeding niet aan de orde kan zijn nu er sprake was van een sterke onderwaarde van de woonark. De man heeft alleen zorg moeten dragen voor de vaste lasten en het onderhoud. Gelet op artikel 3:168 lid 3 BW is het toekennen van een gebruiksvergoeding onder die omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover de rechtbank zou menen dat een gebruiksvergoeding aan de orde kan zijn is sprake van verjaring. De vrouw heeft nooit eerder aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding, dan wel de verjaring daarvoor gestuit zodat een eventuele vordering is verjaard.

4.20.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vordering tot verdeling verjaart niet, anders waren de vorderingen van de man ook verjaard. Volgens de wet kán de rechter tussen deelgenoten een gebruiksregeling opleggen, daaronder mede begrepen een gebruiksvergoeding (artikel 3:168 lid 2 BW), maar is daartoe niet verplicht. Het hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding toe te kennen aan de vrouw. Van belang hierbij is dat de man de (woon)lasten van de woonark heeft betaald. Om die reden wordt bepaald dat partijen over en weer een verrekeningsrecht hebben. In zoverre de vrouw meent dat zij na verkoop van de woning aan de bank alsnog een deel van de woonlasten heeft betaald (door voldoening van achterstanden in de hypotheek), geldt dat dit standpunt niet is gespecificeerd en onderbouwd zodat hieraan voorbij wordt gegaan. De vordering van de vrouw wordt afgewezen.

Inboedel

4.21.

De vrouw heeft een vordering ingediend wegens vergoeding van de onverdeelde inboedel. Gelet op het tijdsverloop is het volgens de vrouw onvermijdelijk dat de man hiervoor een vergoeding zal voldoen aangezien de spullen niet meer beschikbaar zijn, althans niet in de conditie waarin ze toen verkeerden. De man heeft dus feitelijk de inboedel toebedeeld gekregen en daarom heeft de vrouw een vordering wegens overbedeling van de man. De vrouw begroot de waarde van de inboedel op een bedrag van € 5.000,-. Dit is gebaseerd op een inboedellijst die de vrouw in het kader van de echtscheiding aan de man heeft gestuurd.

4.22.

De man betwist de vordering uit hoofde van de waarde van de inboedel. Hij voert aan dat de inboedel reeds is geregeld gedurende de echtscheidingsprocedure. Feitelijk is er al verdeeld en als de goederen in 2012 werden gewaardeerd op € 5.000,- dan is de waarde nu nihil.

4.23.

De rechtbank oordeelt als volgt. Voor de vergoeding voor de onverdeelde inboedel verwijst de vrouw naar bijlage 2 van haar brief in productie 13. Dit behelst een opsomming van inboedelgoederen onder de naam van de man en onder de naam van de vrouw. De vrouw stelt niet (duidelijk) welke inboedelgoederen zijn achtergebleven bij de man en welke inboedelgoederen zij heeft meegenomen. De rechtbank heeft geen (deugdelijk) inzicht in de mogelijke overbedeling van de man. Als onvoldoende onderbouwd zal de vordering van de vrouw worden afgewezen. Afgezien hiervan zijn partijen al lange tijd geleden gescheiden en dient voor de waarde van de inboedel in beginsel te worden uitgegaan van het moment van verdeling. In beginsel mag worden aangenomen dat de onderhavige inboedel inmiddels weinig tot niets waard meer is.

Proceskosten

4.24.

De proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) zullen zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt de verdeling van de gemeenschap als volgt vast, respectievelijk gelast partijen tot de navolgende wijze van verdeling:

5.2.

bepaalt dat de lijfrentepolis bij Goudse Levensverzekering N.V. met polisnummer [nummer polis 2] dient te worden verdeeld door deze te splitsen in twee nieuwe lijfrentepolissen, waarvan één op naam van de man en één op naam van de vrouw en machtigt ieder van partijen om deze splitsing zonder medewerking van de wederpartij bij Goudse Levensverzekering N.V. te bewerkstelligen, alsmede bij Goudse Levensverzekering N.V. op te vragen wat de waarde van de lijfrentepolis is en welk bedrag aan premies is betaald vanaf 4 januari 2012 tot op heden,

5.3.

deelt de beleggingspolis bij Goudse Levensverzekering N.V. met polisnummer [nummer polis 1] aan de man toe, veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw de helft van de huidige waarde van deze polis per datum van dit vonnis en machtigt ieder van partijen om zonder medewerking van de wederpartij bij Goudse Levensverzekering N.V. op te vragen wat deze waarde is en welk bedrag aan premies is betaald vanaf 4 januari 2012 tot op heden,

5.4.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag ter hoogte van de helft van de door de man betaalde premies vanaf 4 januari 2012 van de lijfrentepolis met polisnummer [nummer polis 2] en de beleggingspolis met polisnummer [nummer polis 1] ,

5.5.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

5.6.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door de rolrechter en op 26 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

3255/2517/2872