Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4612

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
C/10/599858 / HA ZA 20-650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap met betrekking tot casco van replica van klassiek zeilschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/599858 / HA ZA 20-650

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INGOMAR B.V.,

gevestigd te Abbenbroek,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf B] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. N. Rensen te Etten-Leur.

Eiseres in conventie, verweerster in reconventie wordt hierna Ingomar genoemd. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie worden [bedrijf A] respectievelijk [bedrijf B] genoemd. Wanneer [bedrijf A] en [bedrijf B] tezamen bedoeld zijn worden zij aangeduid als [bedrijf B] c.s.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 juni 2020, tevens houdende een provisionele vordering, met producties;

  • -

    de akte rectificatie waarbij Ingomar de dagvaarding voor wat betreft de nummering van de producties heeft gewijzigd, met bijlagen;

  • -

    de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties, waarbij [bedrijf B] c.s. ook hebben gereageerd op de provisionele vordering;

  • -

    de akte uitlatingen in het incident van Ingomar, met producties;

  • -

    de antwoordakte in incident van [bedrijf B] c.s., met producties.

  • -

    het incidenteel vonnis van 9 december 2020, waarbij de provisionele vordering is afgewezen;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de van de zijde [bedrijf B] c.s. overgelegde nadere producties x, y en z;

  • -

    de van de zijde van Ingomar overgelegde nadere productie 18;

  • -

    de mondelinge behandeling van 1 maart 2021, de daarbij door partijen overgelegde pleitnota’s en de tijdens de zitting aan de rechtbank toegestuurde e-mail met bijlagen die vanaf het emailadres [naam e-mailadres 1] op 20 februari 2019 aan het emailadres [naam e-mailadres 2] is gestuurd.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[persoon A] (hierna: [persoon A] ) houdt alle aandelen in Ingomar. [persoon A] is een zeezeiler. [persoon A] heeft meermaals (casco’s voor) replica’s van klassieke zeiljachten gebouwd in samenwerking met [persoon B] .

2.2.

[persoon B] is scheepsbouwer. [persoon B] houdt alle aandelen in [bedrijf B] . [bedrijf B] houdt alle aandelen in [bedrijf A] .

2.3.

In 2011 hebben Ingomar en [bedrijf B] het plan opgevat om samen een replica

van het casco van het klassieke zeilschip De Ingomar - een schoener - te bouwen (hierna:

het casco). Op 30 mei 2011 hebben Ingomar en [bedrijf B] in dat kader een

overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) gesloten, welke als volgt luidt:

Overeenkomst tussen Ingomar BV en [bedrijf B]

Het navolgende wensen partijen vast te leggen:

1. Dat Ingomar BV en [bedrijf B] samen een project willen financieren met eigen

middelen. Zij komen ter zake overeen geen bankfinanciering met bijbehorende zekerheden te zoeken.

2. Dit project betreft de bouw van een casco zoals vastgelegd in de aannemingovereenkomst [casconummer] , zijnde bijlage 1 van deze overeenkomst.

3. Ingomar BV zal de directie voeren over de bouw en verkoop van het project. Als uitgangspunt zal gelden dat het project tegen kostprijs wordt gebouwd en door beide partijen betaald. Bij verkoop aan een derde zal er naar gestreefd worden tenminste een prijs te realiseren gelijk aan de kostprijs te vermeerderen met opslag voor rekening en risico waarvan de opbrengst aan beide partijen zal toekomen.

4. Dat beide partijen, ongeacht van wat zich voordoet, de verplichting op zich neemt het casco zonder gerechtelijke tussenkomst te bouwen en te financieren binnen het financiële kader van de kostprijs begroting van 24 januari 2011, zijnde bijlage 2 van deze overeenkomst.

5. Bij een verkoop van het casco zal er minimaal naar worden gestreefd, de verkoopprijs te realiseren, zoals is gecalculeerd in de begroting van 24 januari 2011, zijnde de prijs volgens bijlage 3 van deze overeenkomst, te vermeerderen met inmiddels aan het casco geleverde extra werkzaamheden en of geplaatste onderdelen.

6. Wanneer een van de partijen van mening is dat de samenwerking niet goed verloopt en partijen in onderling overleg het geschil niet kunnen slechten komen partijen overeen de navolgende uitkoop te realiseren. De partij die van mening is dat er een geschil is brengt de ander partij daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Partijen dienen dan binnen twee weken een bod op het schip uit te brengen middels overlegging van een gesloten envelop aan de onafhankelijke bemiddelaar, zoals bedoeld onder 7. De bieding dient onherroepelijk te zijn en onvoorwaardelijk en wordt uitgebracht in die zin dat de bieder voor het geboden bedrag zowel zijn aandeel in het schip verkoopt als het aandeel van de andere partij koopt. Die partij die het hoogste bod in deze veiling uitbrengt is verplicht het schip tegen die prijs af te nemen en de partij dient aan de levering van zijn aandeel in het schip onvoorwaardelijk mee te werken.

7. Alle kosten die niet in de begroting zijn voorzien, zullen in gezamenlijk overleg, zonder

gerechtelijke tussenkomst, door beide partijen worden gedeeld. Indien partijen het niet onderling eens worden zal een door partijen aangewezen onafhankelijke bemiddelaar, Mr. J.L.M. Fruytier te Amsterdam, worden aangesteld. Hij zal in eerste instantie het geschil tussen partijen proberen in goed overleg te beslechten. Lukt dat niet komen partijen overeen het geschil aan hem bij wijze van bindend advies te laten beslechten. De bemiddelaar stelt het reglement voor een en ander zelfstandig vast.”

(Onderstreping in origineel)

2.4.

Bijlage 1 bij de onder 2.3 bedoelde overeenkomst (hierna: de Aannemingsovereenkomst) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“3) DE PRIJS

a. a) De contractprijs voor het stalen casco bedraagt: Euro 754.000,--

(zie bijlage begroting)

exclusief de verschuldigde B.T.W.

(…)

b) AANNEMER zal de onderdelen, welke eventueel door OPDRACHTGEVER worden toegeleverd zonder enige kosten op de werf aangeleverd krijgen

AANNEMER zal de door OPDRACHTGEVER toegeleverde onderdelen naar behoren opslaan.

c) Onder het voorbehoud van eventueel in deze overeenkomst opgenomen prijsverrekeningsclausules is de PRIJS vast.

4) BETALINGSVOORWAARDEN

a. a) De betaling van de PRIJS door OPDRACHTGEVER (Ingomar BV), zoals aangegeven in artikel 3) a) zal als volgt plaatsvinden:

50 % van de totale prijs. +/- 377.000,-- Euro

zal door OPDRACHTGEVER direct, zonder tussenkomst van AANNEMER worden voldaan aan de diverse leveranciers, als zijnde:

a. a) Alle kosten van de Architect, zijnde Wester Naval Archtecture (WNA)

b) Alle kosten betreffende de levering van alle staal en roestvrij staal materialen, daar waar nodig op maat gesneden en gevormd.

c) Machinewerk t.b.v. het roer, onderdelen van het roer, waterdichte deuren, machinewerk puttingen

en materialen, spuipijpen en patrijspoorten.

d) Mangatdeksels en bodempluggen.

e) Aanbouwverzekering..

f) Classificatiekosten Burea Veritas (BV).

g) Kosten destructief onderzoek.

h) Lasmaterialen

i. i) Overig teken, rekenwerk

j) Alle Transportkosten met bijbehorende materialen.

50% van de totaalprijs +/- 377.000,-- Euro zal door opdrachtgever ( [bedrijf B] ) direct aan aannemer worden voldaan.

A) De kosten voor de uren

B) Stijgerbouw en rolstijgers

(…).”

(Vet en onderstreping in origineel)

2.5.

Ingomar heeft een bedrag van € 40.000,- bij wijze van geldlening aan [bedrijf B] dan wel [bedrijf A] verstrekt. De niet-ondertekende akte met betrekking tot deze geldlening (hierna: de Akte van Geldlening) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“De ondergetekenden:

1. Ingomar B.V., (…), hierna te noemen de "geldgever";

2. [bedrijf B] (…), hierna te noemen de "geldnemer";

Overwegende:

- dat de geldgever op onderstaande datum van dagtekening dezer overeenkomst de geldnemer ter leen heeft verstrekt een bedrag ter grootte van € 40.000,00 (zegge:-veertigduizend euro);

- dat de geldnemer verklaart dit bedrag op onderstaande dagtekening ter leen te hebben ontvangen;

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen:

1. De lening is verstrekt voor bepaalde tijd.

2. Aflossing zal geschieden in overleg maar uiterlijk bij de verkoop en oplevering van een stalen casco met aannemingsovereenkomst [casconummer] .

3. Tussentijdse gehele of gedeeltelijke aflossing door de geldnemer is te allen tijde toegestaan zonder enige boeterente.

4. Over de hoofdsom of het nog niet afgeloste gedeelte is geen rente verschuldigd.
(…)”

(Onderstreping in origineel)

Het bedrag van de geldlening is op 22 augustus 2011 door Ingomar ter beschikking gesteld aan [bedrijf B] dan wel [bedrijf A] .

2.6.

Het casco is op 1 september 2014 door [bedrijf A] opgeleverd.

2.7.

Op 7 december 2016 hebben Ingomar, [bedrijf A] en [bedrijf B] een overeenkomst gesloten (hierna: de Vaststellingsovereenkomst) die, voor zover voor dit geschil van belang, als volgt luidt:

Overwegende dat:

1. Partijen op 30 mei 2011 een aannemingsovereenkomst, hierna te noemen: ‘de

Aannemingsovereenkomst” hebben gesloten voor de bouw van een casco van de [schoener] Ingomar

met casconummer [casconummer] ,

2. Ingomar en [bedrijf B] op 30 mei 2011 een overeenkomst, hierna te noemen: de Overeenkomst, zijn aangegaan betreffende de gezamenlijke bouw van het casco van schoener Ingomar.

3. [bedrijf A] het casco conform de Aannemingsovereenkomst en tot tevredenheid van Ingomar en [bedrijf B] heeft opgeleverd per 1 september 2014 en daarmee aan haar verplichtingen uit hoofde van de Aannemingsovereenkomst heeft voldaan.

4 Ingomar op 1 september 2014 al haar verplichtingen uit de Aannemingsovereenkomst had vervuld.

5. [bedrijf B] haar verplichtingen jegens [bedrijf A] voortvloeiend uit de aannemingsovereenkomst nog moet vervullen.

6. Ingomar en [bedrijf B] in artikel 1 van de Overeenkomst hebben vastgesteld geen bankfinanciering met bijbehorende zekerheden te zoeken.

7. Partijen op grond van artikel 5 van de Aannemingsovereenkomst zijn overeengekomen dat het casco geleverd wordt drijvend in Dordrecht in toegankelijk vaarwater.

8. Ingomar en [bedrijf A] de levering evenwel constitutum possessorium hebben laten plaatsvinden op de werf aan de Malachiet 300, 3316LD te Dordrecht.


Bevestigen het navolgende:

Artikel 1: [bedrijf A] heeft per 1 september 2014. althans per heden, geleverd en Ingomar heeft per 1 september 2014, althans per heden, aanvaard, levering van 50% (zegge: vijftig procent) van het

eigendomsrecht van het casco van de schoener Ingomar casconummer [casconummer] .

Artikel 2: De overige 50% van het eigendomsrecht blijft bij [bedrijf A] tot dat [bedrijf B] haar

verplichtingen ten opzichte van [bedrijf A] ten volle heeft voldaan.

Artikel 3: Elke eigenaar is bevoegd haar eigendomsrecht te verkopen dan wel te bezwaren met beperkte rechten zoals pand en hypotheek.
(…).”

(Vet in origineel)

2.8.

Sinds 2014 wordt getracht het casco te verkopen doch tot op heden zonder succes.

2.9.

Ingomar heeft een beroep gedaan op de regeling in artikel 6 van de Overeenkomst (hierna: de Enveloppenmethode). Daarbij heeft Ingomar € 90.000,- geboden voor het aandeel van [bedrijf A] in het casco. Door [bedrijf A] en/of [bedrijf B] werd geen bod gedaan. Mr. J.L.M. Fruytier heeft vervolgens vastgesteld dat Ingomar het 50% aandeel van [bedrijf B] heeft gekocht voor € 90.000,-.

2.10.

In 2019 heeft Ingomar in kort geding (onder meer) de levering aan haar van het aandeel van [bedrijf B] en/of [bedrijf A] in het casco gevorderd. Die vordering is afgewezen.

2.11.

In 2020 heeft een tweede kort geding plaatsgevonden. Daarbij vorderde Ingomar - kort gezegd - verdeling van de gemeenschap van Ingomar en [bedrijf A] . Ook dat is in kort geding afgewezen.

3. De vordering in conventie

3.1.

Ingomar vordert:

“Primair:

I. De wijze van verdeling van de gemeenschap, bestaande uit de Schoener, te gelasten in die zin dat eiser[e]s en gedaagde de Schoener op de kortst mogelijke termijn dienen te verkopen;

II. Een makelaar te benoemen voor de bemiddeling bij de verkoop van de Schoener voor de duur van 3 maanden nadat de makelaar de getekende opdrachtbevestiging heeft ontvangen;

III. Een veilinghuis te benoemen voor de bemiddeling bij de verkoop nadat drie maanden zijn verstreken waarin de makelaar bij de verkoop van de Schoener heeft bemiddeld en deze geen verkoop tot stand heeft kunnen brengen.

IV. [bedrijf A] te bevelen om ter uitvoering van het onder I gevorderde:

  • -

    binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis opdracht tot verkoop van de Schoener te geven aan de door de rechtbank aangewezen makelaar en veilinghuis;

  • -

    aan de door uw Rechtbank aangewezen makelaar en veilinghuis opdracht te geven een vraagprijs en bodemprijs te bepalen en deze zo nodig aan te passen, tegen welke prijs partijen verplicht zijn aan verkoop mede te werken;

  • -

    al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar en het veilinghuis noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen, meer in het bijzonder toegang te verlenen aan gegadigden om de Schoener, te bezichtigen en aan onderzoeken te (doen) onderwerpen;

  • -

    mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de (notariële) eigendomsoverdracht;

  • -

    medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de courtage van het veilinghuis en de makelaarscourtage;

  • -

    gezamenlijk aan de makelaar en het veilinghuis, die belast is met de overdracht van de Schoener, opdracht te geven de verkoopopbrengst naar rato van het aandeel van de deelgenoten te verdelen, met bepaling dat eerst voor verdeling van de verkoopopbrengst:

A) de kosten van verkoop, waaronder de makelaarscourtage en de courtage van het veilingbedrijf, in mindering dient te worden gebracht op de verkoopopbrengst;

B) op het aandeel van [bedrijf A] / [bedrijf B] in mindering dient te worden gebracht hetgeen verschuldigd is uit hoofde van ten laste van de gemeenschap door Ingomar voorgeschoten kosten ad in totaal € 25.338,20;

C) op het aandeel van [bedrijf B] / [bedrijf A] in mindering dient te worden gebracht hetgeen verschuldigd is op grond van de geldlening in hoofdsom groot € 40.000,- plus rente en kosten;

V. Te bepalen dat het door uw rechtbank in deze te wijzen vonnis ex artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats zal treden van de ondertekening door [bedrijf A] van de onderhandse akte van verkoop, indien en zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- De makelaar of het veilinghuis die de onderhandse akte van verkoop heeft opgesteld heeft partijen uitgenodigd de onderhandse akte van verkoop op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte toegezonden aan partijen;

- [bedrijf A] heeft niet uiterlijk op het door de makelaar of het veilinghuis vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;

VI. Te bepalen dat het door uw rechtbank in deze te wijzen vonnis ex artikel 3:300 lid 1 BW zal treden in de plaats van de medewerking van en ondertekening door [bedrijf A] van de (notariële) akte van levering, indien en voorzover aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de makelaar of het veilinghuis die met de levering is belast heeft partijen uitgenodigd de akte van levering op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte en een afrekening toegezonden aan partijen;

- [bedrijf A] heeft niet uiterlijk op het door makelaar of het veilinghuis vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;

VII. Gedaagde sub 1 te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,-, althans een door Uw rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat gedaagde niet voldoet aan het gevorderde onder I en III, beperkt tot een maximum van € 400.000,-;

VIII. Voorwaardelijk, te weten voor het geval gedaagde sub 1 de Schoener tussen de dag der dagvaarding en de zitting de Schoener heeft geleverd aan gedaagde sub 2, alsdan gedaagde sub 2 te veroordelen conform het hierboven gevorderde onder I tot en met VI, door over waar is geschreven “gedaagde sub 1” dit te vervangen door “gedaagde sub 2”;

Subsidiair

I. [bedrijf A] te bevelen om binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis

onvoorwaardelijk mede te werken aan de levering van hun (respectievelijke) aandeel in het casco van de schoener “Ingomar” aan eiseres op grond van tussen partijen overeengekomen en door Mr Fruytier toegepaste enveloppemethode d.d. 24 mei 2019 voor een bedrag van € 90.000,- , zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft of blijven om aan dit bevel te voldoen;

Primair en subsidiair

I. Gedaagde sub 1 te veroordelen tot vergoeding aan eiseres van 50 % de door haar voorgeschoten kosten van:

€ 3.025,00 kosten voor bemiddelaar mr. J.L.M. Fruytier;

€ 9.962,03 zijn de totale kosten voor vervoer op 19-07-2018, van scheepswerf naar huidige staplaats

€ 12.351,17 zijnde het bedrag dat eiseres heeft betaald voorde stalling van de Schoener.
II. Gedaagde sub 1 te veroordelen tot terugbetaling van de verstrekte lening groot € 40.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. Voorwaardelijk, voor zover niet gedaagde sub 1 maar gedaagde sub 2, [bedrijf B] , de lening is aangegaan, gedaagde sub 2 te veroordelen tot terugbetaling van de verstrekte lening groot

€ 40.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de datum van dagvaarding;

IV. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder deurwaarderskosten en griffierecht, alsmede betaling van een forfaitair bedrag aan nakosten van

€ 131,- te vermeerderen met € 68,- in geval van betekening van het in dezen te wijzen vonnis, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van voornoemde kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.”

3.2.

Het verweer van [bedrijf B] c.s. strekt ertoe:

“I. de vordering(en) van Ingomar af te wijzen, althans het aandeel van [bedrijf A] in de Schoener toe te wijzen aan Ingomar tegen betaling van € 420.905,06 respectievelijk € 327.423,75, althans in het geval van een (openbare) verkoop de bodemprijs te bepalen op € 420.905,06, respectievelijk

€ 327.423,75;”

met veroordeling van Ingomar in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en in de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna onder de beoordeling nader ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1.

[bedrijf B] c.s. vorderen:

“II. Ingomar te gebieden medewerking te verlenen aan inschrijving van de Schoener in het openbare schepenregister van het Kadaster, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 400.000,00;
III. Ingomar te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 95.519,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 december 2016, althans 16 september 2020, althans de datum van het te wijzen vonnis;”,
met veroordeling van Ingomar in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en in de nakosten.

4.2.

Het verweer van Ingomar strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [bedrijf B] c.s. in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan met veroordeling van [bedrijf B] c.s. in de kosten van het geding.

5. De beoordeling

in conventie

Verdeling gemeenschap

5.1.

Ingomar en [bedrijf A] hebben het casco in gemeenschappelijk bezit. Er is sprake van een eenvoudige gemeenschap waarin Ingomar en [bedrijf A] ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd zijn. Nu in elk geval het aandeel van Ingomar in het casco niet is ingeschreven in het openbare schepenregister van het kadaster, is van een rederij als bedoeld in artikel 8:160 lid 1 BW geen sprake. Dat betekent dat het algemene deel van Titel 7 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de gemeenschap beheerst.

5.2.

Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan elk van de deelgenoten in een gemeenschap te allen tijde verdeling van die gemeenschap vordering, tenzij uit de aard van de gemeenschap of de overige leden van artikel 3:178 BW anders volgt. Dit is de vastlegging van het uitgangspunt dat niemand gehouden is tegen zijn wil in een gemeenschap te blijven. Gesteld noch gebleken is dat de aard van de gemeenschap of de bepalingen in de leden 2 tot en met 5 zich in dit geval tegen verdeling verzetten.

5.3.

Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling daarvan kunnen bereiken, kan de rechter de verdeling op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.

5.4.

In het midden kan blijven of Ingomar zich tot op heden al dan niet voldoende heeft ingespannen tot het verkopen van het casco. Het casco is nog niet verkocht. Ingomar en [bedrijf A] hebben beiden te kennen gegeven het casco niet in volledige eigendom te willen verkrijgen. Ingomar kan niet gedwongen worden het casco over te nemen, ook niet indien juist is - zoals [bedrijf B] c.s. stelt - dat het de bedoeling was dat Ingomar het volledige eigendom zou verkrijgen teneinde het casco af te bouwen. Kennelijk wenst Ingomar dat thans niet meer. Onder deze omstandigheden is het in het belang van alle partijen dat het casco op de korst mogelijke termijn tegen de hoogst mogelijk prijs wordt verkocht.

5.5.

De rechtbank zal, het voorgaande in aanmerking nemende, partijen bevelen tot de verkoop van het casco aan een derde. Omdat partijen het niet eens zijn over de prijs waarvoor het casco te koop zou moeten worden aangeboden, zullen Ingomar en [bedrijf A] gelast worden gezamenlijk opdracht te geven aan een makelaar tot verkoop van het casco tegen de hoogst mogelijke prijs en op de kortst mogelijke termijn. Ingomar en [bedrijf A] zullen eerst in de gelegenheid gesteld worden zich er bij akte over uit te laten wie zij als makelaar voorstellen, waartoe de zaak zal worden terugverwezen naar de rol. De rechtbank heeft een voorkeur voor een eenparige voordracht van een makelaar. Indien partijen niet tot een eenparige voordracht komen, acht de rechtbank zich vrij één van de voorgedragen makelaars te benoemen.

5.6.

De rechtbank zal in het vonnis waarbij partijen worden gelast het schip te verkopen bepalen dat indien het casco zes maanden na de opdrachtverstrekking aan de makelaar niet onderhands is verkocht, het casco zal worden geveild. Daarbij zal voorts worden bepaald dat Ingomar en [bedrijf A] de termijn van zes maanden voor onderhandse verkoop op gezamenlijke instructie aan de makelaar kunnen verlengen.

5.7.

Het vonnis waarbij partijen worden gelast de makelaar opdracht te geven tot verkoop zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zonder zekerheidstelling. Deze kwestie heeft lang genoeg gesleept; het is tijd om de balans op te maken en als er verlies is voor die of gene, dat verlies te (doen) nemen.

De in de verdeling te betrekken bedragen

5.8.

Ingomar vordert dat bij de verdeling van de verkoopopbrengst op het aandeel van [bedrijf A] in mindering wordt gebracht de kosten van de bemiddeling door mr. J.L.M. Fruytier ad € 3.025,-, de kosten van vervoer van het casco van de scheepswerf naar de huidige plaats ad € 9.962,03 en de achterstallige huurpenningen voor de stalling van het casco ad € 12.351,17. Daarover wordt het volgende geoordeeld.

5.9.

Het bedrag van € 3.025,- betreft (de helft van de) kosten voor bemiddeling door mr. J.L.M. Fruytier. Die kosten zijn voortgevloeid uit het inroepen door Ingomar van de in artikel 6 en 7 van de Overeenkomst overeengekomen regeling voor geschillen. Partijen bij de Overeenkomst zijn evenwel Ingomar en [bedrijf B] . [bedrijf A] is geen partij bij de Overeenkomst. Deze kosten kunnen dan ook niet ten laste van de gemeenschap worden gebracht. Een grondslag om vergoeding van (de helft van) die kosten van [bedrijf A] te vorderen ontbreekt. Ingomar heeft geen vordering tot vergoeding van deze kosten door [bedrijf B] anders dan in het kader van de verdeling van de gemeenschap ingesteld.

5.10.

De kosten van vervoer van het casco van de scheepswerf naar de huidige plaats ad € 9.962,03 zijn, zo moet uit de factuur worden opgemaakt, gemaakt in juli 2018. Ter zitting heeft Ingomar naar voren gebracht dat die kosten zijn gemaakt omdat het schip verplaatst moest worden en dit geen uitstel duldde. [bedrijf A] heeft dat niet betwist. Daarmee staat vast dat sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 3:170 lid 1 BW die Ingomar zelfstandig mocht worden verrichten. De met die handeling gemoeide kosten komen ten laste van de gemeenschap. Dat betekent dat de helft van die kosten, zijnde (afgerond) € 4.981,01, in mindering strekt op de aan [bedrijf A] toekomende helft van de verkoopopbrengst van het casco en aan het aan Ingomar toekomende aandeel in de verkoopopbrengst moet worden toegevoegd.

5.11.

Het bedrag van € 12.351,17 ziet op huur voor de stalling van het casco. Uit de overgelegde facturen volgt dat het de periode van augustus 2018 tot en met februari 2020 betreft. [bedrijf A] heeft niet betwist dat deze kosten zijn gemaakt, zodat dat in rechte vast staat. Deze kosten moeten worden aangemerkt als kosten voortvloeiend uit handelingen tot behoud van het casco in de zin van artikel 3:170 lid 1, zodat zij in beginsel ten laste van de gemeenschap komen.

5.11.1.

[bedrijf A] heeft aangevoerd dat als deze kosten ten laste van de gemeenschap komen, dat ook geldt voor de door [bedrijf B] in de periode vanaf 2013 tot en met december 2018 (ten dele bij helfte) betaalde kosten voor stalling van het casco. Volgens [bedrijf A] hebben zij en [bedrijf B] dit bedrag verrekend. [bedrijf A] heeft niet duidelijk gemaakt waarom deze kosten ten laste van de verkoopopbrengst moeten worden gebracht.

5.11.2.

Voor zover [bedrijf B] c.s. daarmee bedoelt dat zij inkomsten is misgelopen omdat het casco haar loods en later haar parkeerplaatsen bezet hield waardoor deze niet door [bedrijf B] konden worden verhuurd, is dat onvoldoende. Zonder nadere toelichting, die [bedrijf B] c.s. niet hebben gegeven, valt niet in te zien dat deze misgelopen inkomsten ten laste van gemeenschap kunnen worden gebracht. Dit verweer treft dan ook geen doel.

5.11.3.

De helft van de huurkosten neerkomend op € 6.175,59 zal te zijner tijd in mindering moeten worden gebracht op het aandeel van [bedrijf A] in de verkoopopbrengst van het casco en aan Ingomar toekomen en aan het aandeel van Ingomar moeten worden toegevoegd, zodat Ingomar en [bedrijf A] deze kosten uiteindelijk elk bij helfte dragen.

5.12.

Ingomar vordert ten slotte dat het bedrag van de lening ten laste van het aandeel van [bedrijf A] in de verkoopopbrengst wordt gebracht. Hiervoor is geen deugdelijke grondslag gesteld. Van een gemeenschapsschuld is geen sprake. Bovendien betwist [bedrijf A] gemotiveerd dat de geldlening aan haar is verstrekt.

De geldlening

5.13.

Dat betekent dat wordt toegekomen aan de voorwaardelijke vordering onder “primair en subsidiair”, nummer III, waarbij Ingomar terugbetaling vordert door [bedrijf B] van het bedrag van de geldlening ad € 40.000,-. [bedrijf B] heeft deze vordering erkend, zodat zij in beginsel toewijsbaar is. Volgens [bedrijf B] is het bedrag van de geldlening evenwel pas opeisbaar als het casco is verkocht. Uit de als productie 7b door Ingomar overgelegde e-mailwisseling van 24 en 26 juli 2018 volgt dat partijen het er over eens waren dat de lening moest worden terugbetaald zodra het aandeel in het casco van [bedrijf A] zou worden overgedragen. Dat moment is nog niet gekomen, zodat Ingomar het bedrag van € 40.000,- nu nog niet kan opeisen van [bedrijf B] . Op het moment dat het casco is verkocht, dient [bedrijf B] dat bedrag aan Ingomar te betalen. De vordering zoals thans geformuleerd onder “primair en subsidiair”, nummer III, die ziet op betaling ten tijde van het vonnis, kan derhalve niet worden toegewezen.

in reconventie

Inschrijving schepenregister

5.14.

[bedrijf B] c.s. vordert Ingomar te gebieden mee te werken aan de inschrijving van het casco in het openbare schepenregister van het kadaster. [bedrijf B] c.s. legt hieraan ten grondslag dat in de Vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de deelgenoten in de gemeenschap bevoegd zijn hun eigendomsrecht te verkopen dan wel te bezwaren met beperkte rechten zoals pand en hypotheek.

5.15.

Ingomar betwist dat zij zich bij de Vaststellingsovereenkomst heeft verbonden om mee te werken aan de inschrijving van het casco.

5.16.

De rechtbank zal dus de Vaststellingsovereenkomst moeten uitleggen. Bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomst vervatte bedingen mochten toekennen. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.

5.17.

[bedrijf B] c.s. heeft evenwel geen stellingen naar voren gebracht die de conclusie kunnen dragen dat zij mocht verwachten dat Ingomar zou meewerken aan de bedoelde inschrijving. De rechtbank stelt voorop dat de Vaststellingsovereenkomst geen beding bevat dat de verplichting die [bedrijf B] c.s. erin leest, rechtstreeks formuleert. De passage waar [bedrijf B] c.s. op doelt, heeft als onderwerp de mogelijkheid van vestigen van zekerheidsrechten. Hypotheek is zo’n zekerheidsrecht, maar het is slechts een voorbeeld, hetgeen blijkt uit het gebruik van het woord “zoals” en het ook opnemen van het andere voorbeeld van het vestigen van een pandrecht. De kern is dus niet een verbintenis tot het mogelijk maken van een hypotheek (wat inschrijving impliceert), maar het mogelijk maken van een zekerheidsrecht en daarvoor is inschrijving niet nodig (als voor pand wordt gekozen). Uit deze passage kan dan ook niet een verplichting tot inschrijving in het schepenregister worden afgeleid. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Vordering tot betaling van € 95.519,01

5.18.

[bedrijf B] c.s. vordert betaling door Ingomar van een bedrag van € 95.519,01. Daarin is een bedrag begrepen van € 38.707,61 terzake van volgens [bedrijf B] c.s. in de kostprijs voorziene kosten die door [bedrijf B] zijn gedragen maar door Ingomar hadden moeten worden gedragen. Daarnaast gaat het om de helft van een bedrag van € 113.622,80, zijnde door [bedrijf B] gedragen kosten voor posten die niet in de kostprijsbegroting waren voorzien en waarvan Ingomar volgens [bedrijf B] c.s. de helft ad € 56.811,40 dient te dragen.

Ontvankelijkheid

5.19.

Het meest verstrekkende verweer van Ingomar tegen deze vordering is dat de rechtbank niet inhoudelijk over deze vordering mag beslissen omdat partijen in artikel 7 van de Overeenkomst zijn overeengekomen dat zij is onderworpen aan bindend advies. Omdat het geen arbitragebeding is, maar een bindendadviesbeding, zou dit moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. Daarover oordeelt de rechtbank het volgende.

5.20.

Voorafgaand aan deze procedure is op initiatief van Ingomar meermalen getracht bemiddeling door mr. J.L.M. Fruytier ( [voornaam] ) op te starten, op grond van het bepaalde in artikel 6 en 7 van de Overeenkomst. Dat heeft onder meer geen succes gehad omdat er bij [bedrijf B] onduidelijkheid bestond over de hoedanigheid waarin mr. J.L.M. Fruytier optrad. In artikel 7 van de Overeenkomst is als bemiddelaar aangewezen “Mr. J.L.M. Fruytier te Amsterdam”. De e-mailcorrespondentie die met mr. J.L.M. Fruytier heeft plaatsgevonden maakte evenwel melding van “Fruytier Ventures & Visions”, welke onderneming kennelijk in Leusden gevestigd is. De advocaat van [bedrijf B] heeft mr. J.L.M. Fruytier destijds gevraagd aan te geven in welke hoedanigheid hij als bemiddelaar optrad. Uit de e-mailcorrespondentie kan niet worden opgemaakt dat die duidelijkheid is gegeven. Onvoldoende duidelijk is dan ook wie partijen beoogd hebben als bemiddelaar aan te wijzen, zodat aan artikel 7 van de Overeenkomst geen rechtsgevolgen verbonden kunnen worden. Ter zitting heeft Ingomar erkend dat het inroepen van bemiddeling door mr. J.L.M. Fruytier geen reëel pad (meer) is.

5.21.

Voor het gezamenlijk aanwijzen van een andere bemiddelaar dan mr. J.L.M. Fruytier omdat partijen bemiddeling zijn overeengekomen, zoals door Ingomar ter zitting is bepleit, is in de omstandigheden van het geval geen plaats. [bedrijf B] heeft onbetwist gesteld dat zij meermalen heeft voorgesteld een andere bemiddelaar aan te wijzen, op welke voorstellen Ingomar niet is ingegaan. [bedrijf B] mocht er in redelijkheid dan ook van uitgaan dat bemiddeling niet langer aan de orde was en zij mocht haar vordering bij de rechtbank instellen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt dan ook verworpen.

Inhoudelijke beoordeling

5.22.

Het eerste deel van deze vordering betreft volgens [bedrijf B] c.s. kosten die op grond van de Aannemingsovereenkomst door Ingomar hadden moeten worden gedragen, maar door [bedrijf B] zijn betaald.

5.22.1.

De rechtbank stelt voorop dat partijen op dit punt een Vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan, die zowel [bedrijf B] als [bedrijf A] bindt. Daarin is vastgelegd dat Ingomar de verplichtingen uit de Aannemingsovereenkomst heeft vervuld. Dat waren verplichtingen jegens [bedrijf A] . In elk geval heeft daarmee [bedrijf A] in beginsel dus niets meer te vorderen van Ingomar.

5.22.2.

Deze vaststelling laat strikt genomen de mogelijkheid open dat Ingomar jegens [bedrijf A] is nagekomen, omdat er feitelijk is gepresteerd door [bedrijf B] namens Ingomar (artikel 6:30 BW). Dat zou een regresrecht van [bedrijf B] op Ingomar kunnen opleveren. Echter, als dit het geval was geweest, mocht worden verwacht dat partijen dat zouden hebben opgenomen in de Vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gedaan. Er is evenmin gesteld of gebleken dat partijen dit wel onder ogen hebben gezien, maar zijn vergeten het vast te leggen. Daarom moet de Vaststellingsovereenkomst zo worden uitgelegd dat Ingomar geheel gekweten is met betrekking tot kosten die op grond van de Aannemingsovereenkomst voor haar rekening kwamen, omdat zij kennelijk zelf die kosten heeft voldaan. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

5.23.

Het tweede deel van de vordering is gebaseerd op een door [bedrijf B] c.s. opgemaakte nacalculatie, waaruit volgens [bedrijf B] c.s. volgt dat [bedrijf A] voor haar werkzaamheden met betrekking tot het casco nog een bedrag van € 113.622,80 te vorderen heeft, waarvan de helft door Ingomar gedragen zou moeten worden.

5.23.1.

De Aannemingsovereenkomst bepaalt evenwel onder 3 c) dat “[o]nder het voorbehoud van eventueel in deze overeenkomst opgenomen prijsverrekeningsclausules de [prijs] vast [is]”. De Aannemingsovereenkomst bevat in artikel 7 weliswaar een regeling die [bedrijf A] de mogelijkheid biedt schriftelijk te verzoeken tot wijziging van de constructie en een daarmee samenhangende prijsaanpassing, doch gesteld nog gebleken is dat deze regeling door [bedrijf A] is ingeroepen en dat de gevorderde kosten een dergelijke wijziging in de constructie betreffen. Dat [bedrijf A] een grond heeft tot het vorderen van nadere bedragen naast de aanneemsom is dan ook niet gebleken. Voor zover [bedrijf B] deze kosten reeds volledig aan [bedrijf A] zou hebben voldaan, kan zij dat niet (gedeeltelijk) op Ingomar afwentelen – die bovendien volgens de Vaststellingsovereenkomst alle verplichtingen uit de Aannemingsovereenkomst heeft voldaan –, maar dient zij zich te verstaan tot [bedrijf A] .

Conclusie

5.24.

De vorderingen in reconventie zullen dus worden afgewezen, met verwijzing van [bedrijf B] c.s. in de proceskosten, neerkomend op € 1.114,- aan salaris voor de advocaat van Ingomar (twee punten van liquidatietarief IV ad € 1.114,- per punt; factor 0,5 in verband met de samenhang met het geding in conventie).

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 juni 2021 voor het nemen van een akte door Ingomar over hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 5.5;

6.2.

bepaalt dat [bedrijf B] c.s. op de rol van vier weken later op deze akte mogen reageren;

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

6.4.

wijst de vorderingen af;

6.5.

veroordeelt [bedrijf B] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Ingomar tot op heden vastgesteld op € 1.114,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.

1861/1407