Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4535

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
C/10/594946 / HA ZA 20-384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit hoofde van geldleningsovereenkomsten. In geschil is wie contractspartij is/zijn bij de geldleningsovereenkomsten. Niet is voldaan aan vereisten artikel 843a lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594946 / HA ZA 20-384

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. M. de Boorder te 's-Gravenhage,

tegen

1. [naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde 1],

gedaagde,

advocaat mr. B.R. Kleij te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap

[naam gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 2],

gedaagde,

niet verschenen,

3. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3],

gedaagde,

advocaat mr. B.R. Kleij te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk zullen gedaagden worden aangeduid als [naam gedaagde 1], [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3].

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 maart 2020 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het B16 formulier van [naam eiser] met producties 8, 9 en 10,

  • -

    het tussenvonnis van 29 september 2020 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 november 2020, en de als bijlagen aan het proces-verbaal gehechte en ter zitting overgelegde pleitnota van mr. De Boorder en spreekaantekeningen van mr. Kleij.

1.2.

Tegen [naam gedaagde 2] is verstek verleend. Er is sprake van meer gedaagden als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zodat op grond van dat artikel tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 21 april 2017 heeft [naam gedaagde 1] met [naam eiser] een “lening overeenkomst” gesloten. In de overeenkomst staat, voor zover van belang:

“[naam gedaagde 1] (…), hierna [d]e geldnemer,

en

[naam eiser], (…) hierna te noemen geldgever,

komen een overeenkomst overeen met de volgende voorwaarden:

1. Bedrag

Geldgever heeft op 15 mei 2017 een geldlening verstrekt ten bedrage van

€ 25.000,- en op 15 juli 2017 een bedrag van € 50.000,-.

2. Aanwending

De geldlening zal aangewend worden ten behoeve van een investering in [naam bedrijf 1].

3. Rente

De gegarandeerde rente bedraagt 10% per jaar. Per halfjaar zal de rentevergoeding plaatsvinden. De eerste betaling zal plaatsvinden op 1 december 2017 (…) De aflossing vindt plaats aan het einde van de looptijd. (…)

4. Looptijd

De looptijd van de investering is maximaal 5 jaar vanaf het moment van de verstrekking, of zoveel korter als mogelijk, maar minimaal 12 maanden.

5. Garantstelling

[naam gedaagde 2] in naam van [naam bedrijf 2] staat garant voor de terugbetaling aan het einde van de looptijd en de andere in artikel 4 van deze overeenkomst genoemde termijnen van het bedrag als bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst.

(…)

De storting zal plaatsvinden op een later aan te wijzen rekening nummer op naam van [naam bedrijf 2]. Vanuit deze holding zal de overname gefinancierd worden.

(…)

Aldus overeengekomen en in tweevoud getekend:

[naam gedaagde 1] [naam eiser]

(…)”

2.2.

[naam gedaagde 1] heeft in mei 2017 [naam bedrijf 1] opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] is [naam gedaagde 2]

2.3.

[naam gedaagde 3] is met ingang van 5 mei 2017 benoemd als bestuurder en algemeen directeur van [naam gedaagde 2]

2.4.

Op 23 mei 2017 heeft [naam eiser] een bedrag van € 35.000,00 overgemaakt aan [naam gedaagde 3] onder vermelding van “investering garagedeuren”.

2.5.

[naam gedaagde 1] heeft op 31 mei 2017 een overeenkomst gesloten met [naam] waarbij [naam gedaagde 1] voor een bedrag van € 150.000,00 een onderneming van [naam] heeft overgenomen die handelde in garagedeuren.

2.6.

Op 5 juli 2017 heeft [naam eiser] een bedrag van € 40.000,00 overgemaakt aan [naam gedaagde 3] onder vermelding van “garagedeuren invest”.

2.7.

Op 23 november 2017 heeft [naam eiser] een bedrag van € 15.000,00 overgemaakt aan [naam bedrijf 1]

2.8.

Op 30 november 2017 heeft [naam eiser] een bedrag van € 25.000,00 overgemaakt aan [naam bedrijf 1]

2.9.

Op 1 december 2017 heeft [naam gedaagde 1] met [naam eiser] een “lening overeenkomst” gesloten. In de overeenkomst staat, voor zover van belang:

“[naam gedaagde 1] (…), hierna [d]e geldnemer,

en

[naam eiser], (…) hierna te noemen geldgever,

komen een overeenkomst overeen met de volgende voorwaarden:

1. Bedrag

Geldgever heeft op 1 december 2017 een geldlening verstrekt aan [naam bedrijf 1] ten bedrage van € 25.000,- en op 1 december een bedrag van € 15.000,-.

2. Aanwending

De geldlening is aangewend worden ten behoeve van de een investering in de bedrijfsvoering van [naam bedrijf 1].

3. Rente

De gegarandeerde rente bedraagt 10% per jaar. Per halfjaar zal de rentevergoeding plaatsvinden. De eerste betaling zal plaatsvinden op 1 juni 2018 (…) De aflossing vindt plaatst aan het einde van de looptijd. (…)

4. Looptijd

De looptijd van de investering is maximaal 5 jaar vanaf het moment van de verstrekking, of zoveel korter als mogelijk, maar minimaal 12 maanden.

5. Garantstelling

[naam bedrijf 1] in naam van [naam bedrijf 2] staat garant voor de terugbetaling aan het einde van de looptijd en de andere in artikel 4 van deze overeenkomst genoemde termijnen van het bedrag als bedoeld in artikel 1 van deze overeenkomst.

(…)

De storting heeft plaatsgevonden op het rekeningnummer van [naam bedrijf 1].

(…)

Aldus overeengekomen en in tweevoud getekend:

[naam gedaagde 1] [naam eiser]

(…)”

2.10.

Met ingang van 15 oktober 2019 is [naam bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 3] te veroordelen om aan [naam eiser] te verstrekken bewijs van de juiste aanwending van de geldlening in [naam bedrijf 1] ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijf; en

  2. het verstrekken van de balans en de winst- en verliesrekening van [naam bedrijf 1] vanaf het jaar waarin eiser heeft geïnvesteerd tot aan het faillissement; en

  3. [naam gedaagde 1], [naam gedaagde 3] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [naam eiser] te betalen het bedrag van € 115.000,- te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% tot aan algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 2.329,25 met bepaling dat als de één betaalt de ander alleen voor dat deel wordt gekweten en kosten rechtens;

  4. Alles dan wel zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.2.

[naam eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] op grond van de geldleningsovereenkomsten gehouden zijn tot betaling van het gevorderde bedrag.

Meer specifiek stelt [naam eiser] dat [naam gedaagde 1] aan de geldleningovereenkomsten is gebonden, omdat hij ze in privé heeft afgesloten. [naam gedaagde 2] is, naar de rechtbank begrijpt, op grond van de garantstelling in de geldleningsovereenkomst gehouden tot betaling van het gevorderde bedrag en is daarnaast aansprakelijk uit hoofde van onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid. Voor [naam gedaagde 3] geldt dat zij als feitelijk bestuurder van [naam bedrijf 1] zodanig betrokken is geweest bij het afsluiten en de uitvoering van de geldleningsovereenkomsten dat zij verantwoordelijk is voor de nakoming daarvan. Nu de gelden niet zijn aangewend ten behoeve van de bedrijfsvoering van [naam bedrijf 1] heeft [naam gedaagde 3] ernstige fouten gemaakt. Zij heeft onrechtmatig gehandeld en haar taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld waardoor zij gehouden is tot betaling van de schade, ter hoogte van het geleende bedrag. Subsidiair heeft [naam gedaagde 3] zich, door zich in de geldleningsovereenkomsten garant te stellen met een holding die niet bestaat, aan de geldleningsovereenkomsten verbonden.

3.3.

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 3] voeren (deels) verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vordering 3 tegen [naam gedaagde 1]

De vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 21 april 2017

4.1.

[naam gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [naam eiser] dat op hem een betalingsverplichting rust uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 21 april 2017. Ook tegen de hoogte en de opeisbaarheid van het gevorderde bedrag heeft hij geen verweer gevoerd. Evenmin is verweer gevoerd tegen de gevorderde contractuele rente. De vordering zal derhalve worden toegewezen. Nu [naam eiser] niet heeft gesteld vanaf welke datum de contractuele rente dient te worden toegewezen en evenmin aan de vordering een ingangsdatum heeft verbonden, zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding.

De vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 1 december 2017

4.2.

[naam eiser] stelt dat hij uit hoofde van de geldleningovereenkomst van 1 december 2017 een vordering heeft op [naam gedaagde 1]. [naam gedaagde 1] betwist dit en voert aan dat de geldlening is verstrekt aan [naam bedrijf 1] en dat alleen [naam bedrijf 1] kan worden aangesproken uit hoofde van de overeenkomst.

4.3.

De rechtbank zal moeten vaststellen of de geldleningsovereenkomst van 1 december 2017 is gesloten tussen [naam eiser] en [naam gedaagde 1] of tussen [naam eiser] en [naam bedrijf 1] Het antwoord op die vraag is afhankelijk van wat partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (zie Hoge Raad 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217).

Een ieder wordt geacht in beginsel voor zichzelf te handelen tenzij degene die handelt kenbaar maakt niet voor zichzelf te handelen maar voor een ander. De stelplicht en (eventuele) bewijslast van de stelling dat [naam gedaagde 1] gebonden is aan de leningsovereenkomst rust op [naam eiser].

4.4.

[naam gedaagde 1] betwist niet dat hij partij is bij de geldleningsovereenkomst van 21 april 2017. Deze overeenkomst is qua bewoordingen en lay-out grotendeels identiek aan de geldleningsovereenkomst van 1 december 2017. Als partijen die de overeenkomst aangaan wordt in beide overeenkomsten [naam gedaagde 1] als geldnemer, en [naam eiser] als geldgever, genoemd. [naam gedaagde 1] en [naam eiser] zijn degenen die beide overeenkomsten hebben ondertekend. Een vermelding van een functie of hoedanigheid waaronder de geldleningsovereenkomsten door [naam gedaagde 1] en [naam eiser] zijn gesloten staat in geen van de overeenkomsten vermeld. De overeenkomsten verschillen waar het gaat om hetgeen staat vermeld onder punt 2 ‘Bedrag’. In de overeenkomst van 21 april 2017 staat vermeld: “Geldgever heeft (…) een geldlening verstrekt ten bedrage van (…)”. In de overeenkomst van 1 december 2017 staat onder punt 1 ‘Bedrag’ vermeld: “Geldgever heeft (…) een geldlening verstrekt aan [naam bedrijf 1] ten bedrage van (…)”.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat het enige – voor deze discussie relevante – punt waarop de geldleningsovereenkomsten verschillen, ziet op hetgeen onder ‘Bedrag’ staat vermeld. Waar in de eerste overeenkomst van geldlening niet staat vermeld aan wie de geldlening wordt verstrekt, staat in de overeenkomst van 1 december 2017 vermeld dat de geldlening wordt verstrekt aan [naam bedrijf 1] Nu [naam gedaagde 1] erkent dat hij in privé partij was bij de eerste overeenkomst, is deze enkele wijziging in de overeenkomst van 1 december 2017, onvoldoende om te concluderen dat hij nu, anders dan hiervoor, niet meer in privé de lening is aangegaan. Immers, [naam gedaagde 1] staat vermeld als partij en ook als ondertekenaar van de overeenkomst. Nergens blijkt uit dat hij dit in een andere hoedanigheid heeft gedaan dan als privé persoon. Daarbij komt nog dat als onweersproken vaststaat dat [naam gedaagde 1] de overeenkomst van 1 december 2017 heeft opgemaakt en dat door hem niet is aangevoerd dat hij met [naam eiser] heeft besproken dat hij deze geldleningsovereenkomst, in tegenstelling tot de eerdere overeenkomst, niet in privé wilde aangaan. Ook overigens heeft [naam gedaagde 1] niet aangevoerd in welke hoedanigheid hij bevoegd was om namens [naam bedrijf 1] een lening af te sluiten. Onder deze omstandigheden maakt het enkele feit dat het geld zou worden verstrekt aan [naam bedrijf 1], niet dat de lening niet door [naam gedaagde 1] is aangegaan.

4.6.

[naam gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte en de opeisbaarheid van het gevorderde bedrag. Evenmin is verweer gevoerd tegen de gevorderde contractuele rente. De vordering onder 3 zal jegens [naam gedaagde 1] voor wat betreft de hoofdsom en contractuele rente worden toegewezen. Nu [naam eiser] niet heeft gesteld vanaf welke datum de contractuele rente dient te worden toegewezen en evenmin aan de vordering een ingangsdatum heeft verbonden, zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding.

Vordering 3 tegen [naam gedaagde 3]

De vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten

4.7.

[naam eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat [naam gedaagde 3] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel haar taak als bestuurder van [naam bedrijf 1] – die de geleende gelden ontving – onbehoorlijk heeft vervuld. [naam gedaagde 3] voert gemotiveerd verweer.

4.8.

[naam eiser] stelt dat [naam gedaagde 3] zich als garantsteller verbonden heeft aan de overeenkomsten van geldlening, nu zij aan het rechtsverkeer heeft deelgenomen met een holding die niet bestond. [naam eiser] tekende de geldleningsovereenkomsten omdat [naam gedaagde 3] met haar holding garant zou staan.

4.9.

[naam gedaagde 3] betwist hetgeen [naam eiser] stelt en voert het volgende aan. De geldleningsovereenkomst is ondertekend op 21 april 2017. Op dat moment waren de vennootschappen [naam gedaagde 2] en [naam bedrijf 1] nog niet opgericht. [naam eiser] en [naam gedaagde 1] kozen ervoor om als werknaam van de garantsteller [naam bedrijf 2] op te nemen. Toen vervolgens bleek dat de naam [naam bedrijf 2] al in gebruik was is voor een andere naam voor de op te richten vennootschap gekozen, te weten [naam gedaagde 2] De tweede geldleningsovereenkomst is opgesteld op basis van hetzelfde model als bij de eerste overeenkomst is gebruikt. Hoewel op dat moment [naam gedaagde 2] al was opgericht, is ook in de tweede geldleningsovereenkomst de naam [naam bedrijf 2] opgenomen. [naam gedaagde 1] noch [naam eiser] hebben ingezien dat dit onjuist was. Tussen partijen was echter duidelijk wat de afspraken waren, aldus [naam gedaagde 3].

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat [naam eiser] onvoldoende feiten heeft gesteld op grond waarvan sprake zou kunnen zijn van onrechtmatig handelen van [naam gedaagde 3]. Zo is niet gesteld wat de rol was van [naam gedaagde 3] bij het sluiten van de geldleningovereenkomsten noch is gesteld op grond van welke handelingen of uitlatingen van [naam gedaagde 3] bij [naam eiser] de indruk is gewekt dat zij met [naam bedrijf 2] garant zou staan. Daarbij komt dat, wanneer het verweer van [naam gedaagde 3] wordt gevolgd, het kennelijk de bedoeling van partijen is geweest om [naam gedaagde 2] garant te laten staan, zodat uitgaande daarvan er wel degelijk een B.V. waaraan [naam gedaagde 3] verbonden was garant stond voor de geldleningen.

4.11.

[naam eiser] stelt voorts dat [naam gedaagde 3] als feitelijk bestuurder van [naam bedrijf 1] zodanig betrokken is geweest bij het afsluiten en de uitvoering van de geldleningsovereenkomsten dat zij verantwoordelijk is voor de nakoming daarvan. Nu de gelden niet zijn aangewend waarvoor ze waren bestemd heeft [naam gedaagde 3] ernstige fouten gemaakt. Zij heeft onrechtmatig gehandeld en haar taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld waardoor zij gehouden is tot betaling van de schade, ter hoogte van het geleende bedrag.

4.12.

[naam gedaagde 3] betwist dat de geleende gelden niet zijn aangewend waarvoor ze zijn bestemd. De gelden zijn gebruikt om activa te kopen en zijn aangewend voor de exploitatie van [naam bedrijf 1] Zo is een bedrag besteed aan betaling van de goodwill en is een ander bedrag aangewend ter voldoening van een bestelling bij een Russische leverancier. Ter onderbouwing van haar verweer heeft [naam gedaagde 3] een aantal bankafschriften en de balans en resultatenrekening over 2019 overgelegd.

4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat, zoals ook in de geldleningsovereenkomsten is opgenomen, de geleende gelden dienden te worden aangewend ten behoeve van een investering in [naam bedrijf 1] Nu [naam gedaagde 3] gemotiveerd heeft betwist dat het geleende geld niet op de overeengekomen wijze is aangewend, had het op de weg van [naam eiser] gelegen om zijn stelling nader toe te lichten en te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, is niet voldaan aan de stelplicht.

4.14.

De vordering onder 3 zal, voor zover deze zich richt op [naam gedaagde 3], worden afgewezen.

De vordering 1 en 2 tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 3]

4.15.

[naam eiser] stelt dat het geleende geld moet zijn besteed aan het doel waarvoor de geldleningsovereenkomsten zijn gesloten. [naam eiser] betwist dat dit is gebeurd en vordert daarom ex artikel 843a Rv inzage in diverse stukken, zodat kan worden nagegaan waar het geld naartoe is gegaan. [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 3] voeren gemotiveerd verweer.

4.16.

Lid 1 van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande rechtsbetrekkingen waarbij hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Aan de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering verbindt het artikel derhalve drie cumulatieve voorwaarden: (1) de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben, en het moet gaan om (2) bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.

4.17.

Nu [naam gedaagde 1] zal worden veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag heeft [naam eiser] geen rechtmatig belang bij de vorderingen 1 en 2 jegens [naam gedaagde 1], althans is onvoldoende gesteld wat het rechtmatig belang van [naam eiser] bij deze vorderingen is. De vorderingen 1 en 2 zullen jegens [naam gedaagde 1] worden afgewezen.

4.18.

De rechtbank zal de vorderingen 1 en 2 eveneens afwijzen voor zover deze zich richten op [naam gedaagde 3]. Ten aanzien van de vordering onder 1 geldt dat aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van bepaalde bescheiden niet wordt voldaan. Immers, [naam eiser] laat na de gevorderde bescheiden concreet te omschrijven, zodat niet duidelijk is op welke bescheiden precies wordt gedoeld. De bescheiden zijn onvoldoende bepaald. Ter zake de vordering onder 2, tot het verstrekken van de balans en de winst- en verliesrekening van [naam bedrijf 1] vanaf het jaar waarin [naam eiser] heeft geïnvesteerd tot aan het faillissement geldt dat de balans en resultatenrekening over 2019 door [naam gedaagde 3] reeds is overgelegd. Dat en waarom er een rechtmatig belang is bij overlegging van de balans en de winst- en verliesrekening over 2017 en 2018 heeft [naam eiser] niet (gemotiveerd) toegelicht. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen onder 4.13 is overwogen.

De vordering tegen [naam gedaagde 2]

4.19.

In een procedure waarin verstek is verleend aan een gedaagde dient de vordering te worden toegewezen, tenzij de onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De tegen [naam gedaagde 2] ingestelde vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.20.

Niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

Proceskosten


[naam gedaagde 3]

4.21.

[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde 3] worden begroot op € 2.589,50 waarvan € 1.770,00 aan salaris advocaat (1/2 van 2 punt x € 1.770,00) en € 819,50 aan griffierecht (1/2 van € 1.639,00).

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2]

4.22.

[naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen ieder in de helft van de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de [naam eiser] worden begroot op € 5.289,61 bestaande uit kosten dagvaarding € 110,61; salaris advocaat € 3,540,00 (2 punt x € 1.770,00); en griffierecht € 1.639,00.

5. De beslissing

De rechtbank

De vorderingen tegen [naam gedaagde 3]

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde 3] tot op heden begroot op € 2.589,50,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

De vorderingen tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2]

5.4.

veroordeelt [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [naam eiser] te betalen een bedrag van € 115.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente van 10% over het toegewezen bedrag met ingang van 25 maart 2020 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 2.644,81,

5.6.

veroordeelt [naam gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 2.644,81,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wielhouwer. Het is ondertekend door de rolrechter en op 19 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

[2710/2872]