Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4524

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
8806271 CV EXPL 20-35472
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaald gelaten factuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8806271 CV EXPL 20-35472

uitspraak: 16 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde]

,

mede handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.H.P.M. Müskens te Papendrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 29 september 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vordering

2.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 15.753,02, vermeerderd met de wettelijke rente over € 15.753,02, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2

Aan haar vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is op grond van één of meerdere koopovereenkomsten gehouden tot betaling van de door [eiseres] aan [gedaagde] geleverde goederen. [gedaagde] heeft echter meerdere facturen (deels) onbetaald gelaten, waardoor zij een betalingsachterstand van € 17.271,80 heeft laten ontstaan.

Op 27 december 2019 en 17 juli 2020 heeft [gedaagde] een bedrag van in totaal

€ 3.022,65 (€ 22,65 + € 3.000,00) in mindering op de in de dagvaarding genoemde facturen voldaan, maar betaling van het restantbedrag van € 14.249,15 is uitgebleven.

2.3

Door de (gedeeltelijke) wanbetaling van [gedaagde] zag [eiseres] zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De daarvoor gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 947,49 dienen voor rekening van [gedaagde] te komen.

2.4

Verder maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van

€ 471,16 aan verschenen rente.

3. Het verweer

3.1

[gedaagde] heeft geconcludeerd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] – ter zake van het niet erkende deel van haar vordering – niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten.

3.2

Daartoe heeft [gedaagde] bij antwoord – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag in hoofdsom van € 14.249,15 aan [eiseres] verschuldigd is en zij zal [eiseres] een afbetalingsvoorstel doen. [gedaagde] betwist evenwel dat zij een bedrag van € 947,49 aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou zijn. Nergens blijkt immers uit dat [eiseres] daadwerkelijke en reële inspanningen heeft verricht om voldoening buiten rechte te verkrijgen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dienen dan ook te worden afgewezen.

4. De beoordeling

4.1

Niet in geschil is dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 3.022,65 aan [eiseres] betaald heeft (zie 2.2). Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekken betalingen ter voldoening van een geldsom normaliter eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de verschenen rente en daarna op de hoofdsom. Betaling van voormeld bedrag geschiedde echter al volledig vóórdat (de gemachtigde van) [eiseres] aan [gedaagde] buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente aankondigde. Zij heeft namelijk een tweetal aanmaningen naar [gedaagde] verstuurd, te weten op 22 juli en 3 augustus 2020. [eiseres] is daarom terecht uitgegaan van een hoofdsom van € 14.249,15 (in plaats van € 17.271,80). Nu [gedaagde] de verschuldigdheid van de hoofdsom ten bedrage van € 14.249,15 erkend heeft, ligt deze vordering voor toewijzing gereed.

4.2

De gevorderde verschenen rente ten bedrage van € 471,16 is – als onweersproken en op de wet gegrond – toewijsbaar. De wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

4.3

[eiseres] maakt voorts aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW). In het onderhavige geval is sprake van een handelsovereenkomst. Buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd zodra de betalingstermijn verstreken is, zonder dat daarvoor een aanmaning is vereist (zie artikel 6:96 lid 4 BW). Op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) heeft een schuldeiser recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, indien daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht. Een enkele brief is in beginsel voldoende.

De hoogte van de vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt bepaald (enkel) op basis van het door de schuldenaar verschuldigde bedrag. De hoeveelheid aan incassohandelingen is daarbij niet relevant. In het onderhavige geval heeft [gedaagde] niet betaald binnen de betalingstermijnen zoals die op de facturen zijn vermeld. Ook staat vast dat [eiseres] aanmaningsbrieven heeft gestuurd aan [gedaagde] . Deze omstandigheden zijn, zoals hiervoor is toegelicht, voldoende voor de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten bedragen conform het Besluit € 917,49 (in plaats van € 947,49) voor een hoofdsom van € 14.249,15. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten vóór dagvaarding door [eiseres] aan de gemachtigde zijn betaald.

4.4

[eiseres] heeft op grond van het bovenstaande recht op betaling van een totaalbedrag van

€ 15.637,80 (€ 14.249,15 + € 471,16 + € 917,49). Voor toewijzing van een hoger bedrag, zoals in het petitum gevorderd, bestaat geen grondslag.

4.5

[gedaagde] heeft bij antwoord de intentie geuit om een betalingsregeling te treffen. Ingevolge artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet gerechtigd tot het treffen van een betalingsregeling zonder toestemming van [eiseres] . Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het eventueel alsnog treffen van een betalingsregeling wordt [gedaagde] verwezen naar (de gemachtigde van) [eiseres] .

4.6

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] , tot heden begroot op een bedrag van € 1.083,89 aan verschotten

(€ 996,00 griffierecht + € 87,89 explootkosten) en een bedrag van € 746,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 373,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 15.637,80, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van € 14.249,15 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op een bedrag van € 1.083,89 aan verschotten en een bedrag van € 746,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240