Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4489

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
8296550
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8296550 \ CV EXPL 20-3849

uitspraak: 21 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. V.S. Waterval te Spijkenisse,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. N. Roos te Rotterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [persoon A] ” en “ [persoon B] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het (verdere) verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het tussenvonnis van 18 december 2020;

  • -

    de akte bewijslevering van [persoon B] ;

  • -

    de akte bewijslevering van [persoon A] ;

  • -

    het proces-verbaal van het op 16 april 2021 gehouden getuigenverhoor.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

In conventie

2.1

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 18 december 2020. In dit vonnis is [persoon B] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [persoon A] op 23 februari 2018 [persoon B] heeft geduwd en in het gezicht heeft geslagen én dat te dien aanzien sprake was van een zodanige duw of klap door [persoon A] , dat dit rechtvaardigt dat [persoon B] in reactie daarop [persoon A] een duw of klap in het gezicht heeft gegeven.

2.2

Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [persoon B] in enquête als getuigen doen horen de heer [persoon C] en de heer [persoon D] . In contra-enquête is mevrouw [persoon E] gehoord.

2.3

[persoon C] heeft op dit punt als volgt verklaard:

“(…)

Ik zag dat een dame [persoon B] sloeg en hij duwde haar vervolgens terug.

(…)

[persoon B] duwde de dame nadat zij hem had geslagen. Hij duwde haar, volgens mij, in het gezicht. Ik weet niet precies waar in het gezicht hij haar duwde. Voordat [persoon B] de dame duwde, zei hij eerst “mijn bril”. Daarna gaf hij haar pas een duw.

(…)”

[persoon D] heeft in dit verband het volgende verklaard:

“(…)

[persoon B] en de dame stonden op een gegeven moment op. Toen heeft de dame [persoon B] geslagen. [persoon B] duwde haar uiteindelijk weg.

(…)

De dame sloeg met de vlakke hand, maar ik weet niet meer welke hand. De dame sloeg [persoon B] in het gezicht, maar ik weet niet aan welke kant van het gezicht.

(…)

Volgens mij duwde [persoon B] de dame daarna met één hand weg, als een soort kogelstoot zoals je in de sportschool een kogel wegduwt. Er zaten enkele secondes tussen het slaan door de dame en het wegduwen door [persoon B] .

(…)”

Ten slotte heeft [persoon E] hieromtrent als volgt verklaard:

“(…)

Mijn vriendin is opgestaan om hem van zich af te wenden. Mijn vriendin kreeg toen een klap van [persoon B] en daardoor viel zij achter op haar hoofd.

(…)

Het klopt niet dat mijn vriendin [persoon B] een klap heeft gegeven. Daar ben ik zeker van. Er is geen klap aan [persoon B] uitgedeeld.

(…)”

2.4

Thans dient te worden beoordeeld of [persoon B] in het bewijs is geslaagd. In dat verband constateert de kantonrechter dat zowel [persoon C] als [persoon D] heeft verklaard dat eerst [persoon A] [persoon B] heeft geslagen en dat [persoon B] daarna [persoon A] (in het gezicht) heeft geduwd. Daarbij valt op dat [persoon D] gedetailleerd weet te verklaren over hetgeen is gebeurd. [persoon D] verklaart immers dat [persoon A] [persoon B] eerst in het gezicht heeft geslagen en [persoon B] haar daarna met één hand wegduwde ‘als een soort kogelstoot’. Deze verklaring is echter tegenstrijdig aan hetgeen [persoon D] , blijkens de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 24 juli 2019, bij de politie heeft verklaard. Blijkens hetgeen in de beschikking is vermeld heeft [persoon D] destijds tegenover de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [persoon A] opstond en de bril van [persoon B] van zijn hoofd viel, maar dat hij niet gezien heeft wat er is gebeurd. Gelet op deze strijdigheid met de eerder afgelegde verklaring acht de kantonrechter de thans door [persoon D] afgelegde getuigenverklaring dan ook niet geloofwaardig en zal daar op dit punt geen waarde aan hechten.

2.5

De twee overige getuigen, [persoon C] en [persoon E] , verklaren verschillend over de vraag of [persoon A] [persoon B] een duw of een klap heeft gegeven. De kantonrechter ziet geen reden aan één van de verklaringen meer waarde te hechten dan aan de ander, zodat nog immer niet vast is komen te staan welke fysieke handeling door [persoon A] aan de in beginsel onrechtmatige gedraging van [persoon B] vooraf is gegaan. Uit de afgelegde verklaringen en de standpunten van partijen kan in elk geval worden afgeleid dat sprake is geweest van een duw óf een klap door [persoon A] . Voor een geslaagd beroep op noodweer moet echter aangenomen kunnen worden dat het door [persoon B] toegepaste geweld was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [persoon A] . Gesteld noch gebleken is dat de situatie dermate dreigend was dat [persoon B] geen andere keus had dan [persoon A] een duw of klap in haar gezicht te geven. Zo is niet gebleken dat [persoon B] zodanig in het nauw was gedreven dat hij zich niet alsnog van de situatie had kunnen distantiëren of de hulp had kunnen inroepen van de politie, die volgens de getuigen reeds in de nabijheid van het betreffende McDonald’s-restaurant aanwezig was. Met andere woorden, niet is komen vast te staan dat het door [persoon B] toegepaste geweld onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk en proportioneel was teneinde zichzelf te verdedigen. Van noodweer of noodweerexces is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake.

2.6

Dit leidt ertoe dat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Nu er geen rechtvaardigingsgronden aanwezig worden geacht die het onrechtmatige karakter aan het handelen van [persoon B] ontnemen, staat vast dat sprake is van een onrechtmatige daad van [persoon B] jegens [persoon A] , die hem kan worden toegerekend. Op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is [persoon B] aansprakelijk voor de schade die [persoon A] dientengevolge lijdt.

2.7

Vervolgens dient te worden bepaald in welke mate [persoon B] aansprakelijk is voor de schade. In dat kader heeft [persoon B] een beroep gedaan op eigen schuld van [persoon A] in de zin van artikel 6:101 BW. Volgens [persoon B] is [persoon A] de agressor geweest door [persoon B] te slaan c.q. te duwen, zonder welke handeling het nimmer tot enig incident zou zijn gekomen. [persoon B] stelt dat dit aanleiding geeft de schade voor rekening van [persoon A] te laten althans de vergoedingsplicht van [persoon B] te verminderen.

2.8

Artikel 6:101 BW bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van de omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Toepassing van dit artikel houdt een causaliteitsafweging in, die in het onderhavige geval erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [persoon B] en anderzijds het gedrag van [persoon A] aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen.

2.9

Zoals hiervoor bij is overwogen is in elk geval enige fysieke handeling van [persoon A] jegens [persoon B] aan de onrechtmatige gedraging van [persoon B] vooraf gegaan. Blijkens de diverse getuigenverklaringen is (ook) aan die fysieke handeling van [persoon A] echter het nodige vooraf gegaan. Over wat exact is voorgevallen wordt wisselend verklaard. [persoon A] en [persoon E] verklaren dat een groep jongens - waaronder [persoon B] - bij hen kwam staan, waarna [persoon B] beledigende opmerkingen richting [persoon A] uitte en vervolgens weigerde weg te gaan. [persoon B] heeft in dat kader bij het verhoor door de politie verklaard dat het ‘zou kunnen’ dat hij opmerkingen over het uiterlijk van [persoon A] heeft gemaakt, maar dat [persoon A] was begonnen met ‘vervelend gedrag te vertonen’ door met een bakje met saus te gooien. Voorts hebben [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] verklaard dat er vanuit de groep dames - waaronder [persoon A] - een bakje met saus naar [persoon B] werd gegooid. Daarbij wordt evenwel in aanmerking genomen dat zowel [persoon C] als [persoon D] heeft verklaard niet meer precies te weten hoe het conflict is ontstaan en wie daartoe de eerste aanzet heeft gegeven. Gelet op de uiteenlopende verklaringen is voor de kantonrechter niet vast te stellen in welke mate [persoon B] dan wel [persoon A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het conflict. Nu in elk geval vast staat dat [persoon A] een fysieke handeling jegens [persoon B] heeft verricht en het aannemelijk is dat het slaan of duwen van [persoon A] door [persoon B] - hoe onrechtmatig die handeling op zichzelf ook moge zijn - daarop een reactie is, ziet de kantonrechter voldoende aanleiding de schadevergoedingsplicht van [persoon B] op grond van artikel 6:101 BW te verminderen tot twee derde (2/3) van de door [persoon A] geleden schade.

2.10

Met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding heeft de kantonrechter [persoon A] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij ten gevolge van het handelen van [persoon B] schade heeft geleden aan haar jas ten bedrage van € 669,65, haar schoenen ten bedrage van € 470,00 en haar mobiele telefoon ten bedrage van € 228,95. In dit kader is [persoon E] als getuige gehoord. Zij heeft hieromtrent als volgt verklaard:

“(…)

Door de kracht van de klap in het gezicht van mijn vriendin is zij achterover op haar hoofd op de grond gevallen. Daardoor was haar telefoon stuk. Dat weet ik nog heel goed, want die heb ik gezien en die was gebarsten. Daarvoor was het nog een prima telefoon. Op dat moment heb ik geen schade aan haar kleding gezien, maar de volgende dag heeft zij mij dat wel laten zien. Ik weet wel zeker dat dat door de val is gebeurd. Ik zag aan de rode jas op de rug wat krassen van, naar mijn idee, de stoeptegels. Het is een relatief dure jas, dus het is doodzonde dat die beschadigd was. Het was zichtbare schade. Mijn vriendin werkt hard voor haar geld en houdt ervan om een mooie jas te kopen. De jas was van het merk Marlboro. Ik weet niet welke kleur de schoenen van mijn vriendin waren of dat er schade aan die schoenen was. Ik heb daar niet naar gekeken.

(…)

Ik weet voor 90% zeker dat de jas van mijn vriendin van Marlboro was. Ik kan mij niet meer herinneren welke schoenen mijn vriendin droeg. Volgens mij zat de telefoon van mijn vriendin niet in haar tas. De telefoon heeft op de tafel gelegen toen wij aan het eten waren.

Ik weet niet meer precies waar de telefoon was toen zij werd geslagen. Mijn vriendin is met de telefoon opgestaan en zij had hem bij zich toen zij werd geslagen. Later zag ik dat de telefoon kapot was.

(…)”

2.11

[persoon A] heeft in haar aangifte bij de politie verklaard over schade aan haar jas. Bij dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] gesteld dat haar jas aan de rugzijde beschadigd was geraakt, dat dit ‘schramschade’ betrof en dat dit niet kon worden gerepareerd. Deze verklaringen van [persoon A] worden ondersteund door de verklaring van [persoon E] die stelt dat zij de volgende dag krassen heeft gezien op de rug van de jas als gevolg van de val van [persoon A] . Hiermee is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat [persoon A] schade heeft geleden aan haar jas. Ter onderbouwing van de hoogte van deze schade heeft [persoon A] een prijskaartje van een jas van het merk Canada Goose in het geding gebracht, waarop melding wordt gemaakt van een verkoopprijs van € 669,95. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] gesteld dat de jas ongeveer één jaar oud was. [persoon E] heeft verklaard voor 90% zeker te weten dat [persoon A] in de bewuste nacht een jas droeg van het merk Marlboro. Gelet op deze tegenstrijdigheid en nu de waarde van de jas niet nader of op andere wijze door [persoon A] is onderbouwd, is niet komen vast te staan dat [persoon A] op 23 februari 2018 een jas met een nieuwwaarde van € 669,95 heeft gedragen. Omdat de omvang van de schade aan de jas niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maakt de kantonrechter gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW) en begroot de schade van de één jaar oude jas op € 200,00. Gelet op de hiervoor bepaalde vermindering van de vergoedingsplicht tot 2/3 van de geleden schade zal [persoon B] op dit punt worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 133,33.

2.12

Ten aanzien van de schade aan de schoenen is door [persoon B] betwist dat sprake is van een causaal verband tussen het handelen van [persoon B] en de gestelde schade. In het kader van het te leveren bewijs op dit punt heeft [persoon E] verklaard dat zij niet weet welke kleur de schoenen van [persoon A] waren en of er schade aan die schoenen was. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee niet vast komen te staan dat de op de schoenen zichtbare schade het gevolg is van het handelen van [persoon B] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de schoenen in de bewuste nacht van 23 februari 2018 al ruim twee jaar oud waren. Het is zeer goed voorstelbaar dat schoenen na een dergelijke lange periode reeds (meerdere) gebruikssporen vertonen, zodat - zonder deugdelijk bewijs - niet zomaar er van uit kan worden gegaan dat de zichtbare schade het gevolg is van het onrechtmatige handelen van [persoon B] . Het bewijs van dat causale verband heeft [persoon A] niet geleverd, zodat ook de gevorderde schade aan de schoenen van € 470,00 niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.13

[persoon A] heeft tevens aanspraak gemaakt op een vergoeding van de schade aan haar telefoon ten bedrage van € 228,95. Dit bedrag ziet op de noodzakelijke reparatiekosten van de telefoon. Door [persoon E] is verklaard dat [persoon A] de telefoon bij zich had, toen zij door [persoon B] werd geslagen of geduwd. [persoon B] heeft ook niet betwist dat [persoon A] haar telefoon bij zich had. [persoon A] heeft gesteld dat zij door de klap of duw van [persoon B] achteruit op de grond is gevallen. Dat [persoon A] ten gevolge van de klap van [persoon B] is gevallen vindt steun in de verklaring van [persoon E] en hetgeen [persoon C] en [persoon D] volgens de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 24 juli 2018 aan de politie hebben verklaard. Nu [persoon B] daar tegenover slechts heeft aangevoerd zich niet meer te kunnen herinneren dat [persoon A] ten val is gekomen, is voldoende vast komen te staan dat [persoon A] door de klap of duw van [persoon B] is gevallen. In het midden kan blijven of [persoon A] de telefoon in haar hand had of dat deze zich in haar achterzak bevond. In beide gevallen acht de kantonrechter het zeer aannemelijk dat het hard met stoeptegels in aanraking komen van een mobiele telefoon de door [persoon A] met foto’s onderbouwde schade ten gevolge kan hebben. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de telefoon ten gevolge van het handelen van [persoon B] zodanig beschadigd is geraakt dat deze gerepareerd diende te worden. De hoogte van gevorderde reparatiekosten van € 228,95 komt de kantonrechter niet onredelijk voor. Dat betekent dat de op dit punt gevorderde schadevergoeding van € 228,95 in beginsel toewijsbaar is. Rekening houdend met de vermindering van de vergoedingsplicht tot 2/3 van de geleden schade zal [persoon B] op dit punt worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 152,63.

2.14

[persoon A] heeft voorts gesteld in het ziekenhuis te zijn behandeld vanwege onderhuidse littekens in het gezicht en vordert vergoeding van de in verband daarmee gemaakte parkeerkosten ad € 5,50. Deze parkeerkosten zien op ziekenhuisbezoeken op

28 maart 2019, 6 augustus 2019 en 1 oktober 2019. Slechts van het ziekenhuisbezoek op

28 maart 2019 heeft [persoon A] een zogenaamd specialistenbericht van de behandelend plastisch chirurg in het geding gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat dit ziekenhuisbezoek verband houdt met de klachten ten gevolge van het incident op

23 februari 2018. Van de overige twee bezoeken heeft [persoon A] geen stukken overgelegd, waaruit volgt dat die bezoeken ook enig verband hielden met het incident op 23 februari 2018. Dat betekent dat ten aanzien van de parkeerkosten een bedrag van € 1,50 toewijsbaar is. Rekening houdend met de vermindering van de vergoedingsplicht tot 2/3 van de geleden schade zal de kantonrechter een bedrag van € 1,00 toewijzen.

2.15

Voorts heeft [persoon A] gesteld een aantal dagen niet te hebben kunnen werken ten gevolge van de klachten na het incident. Zij stelt in totaal 45 uur niet te hebben kunnen werken. Vast staat dat door de huisarts op 23 februari 2018 is geconstateerd dat sprake is van een ‘commotio cerebri’ oftewel een hersenschudding. Gelet daarop acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat [persoon A] vanwege haar klachten op vrijdag 23 februari 2018, zaterdag 24 februari 2018 en zondag 25 februari 2018 niet heeft kunnen werken. Dat zij ook op maandag 26 februari 2018 niet heeft kunnen werken is onvoldoende aannemelijk geworden, te meer daar [persoon A] in haar aangifte zelf heeft verklaard dat zij ‘dat weekend’ niet heeft kunnen werken. Daarnaast is voldoende aannemelijk - en door [persoon B] onvoldoende gemotiveerd betwist - dat de afspraak van [persoon A] bij Slachtofferhulp op 26 maart 2018 verband houdt met het onrechtmatig handelen van [persoon B] . Dat de afspraak is gemaakt in het kader van de strafrechtelijke afwikkeling van het incident doet niets aan dat causale verband af. Dat het voor [persoon A] niet mogelijk was ook op 21 juni 2018 voor de duur van één uur niet te werken, zulks omdat zij gedurende dat uur de (strafrechtelijke) uitspraak van de rechtbank moest ‘relativeren’, is onvoldoende onderbouwd, zodat dat niet als voor vergoeding door [persoon B] in aanmerking komend inkomensverlies kan worden beschouwd. Uitgaande van een uurloon van € 12,05 en een toeslag van 200% voor het werken op zondag 25 februari 2018, betekent dit dat de volgende uren voor vergoeding in aanmerking komen:

23 februari 2018 - 10 uur à € 12,05 = € 120,50

24 februari 2018 - 8:15 uur à € 12,05 = € 99,41

25 februari 2018 - 6:15 uur à € 24,10 = € 150,63

26 maart 2018 - 5 uur à € 12,05 = € 60,25

Totaal € 430,79

Gelet op het bovenstaande is een totaalbedrag van € 430,79 aan inkomensverlies toewijsbaar. Rekening houdende met de vermindering van de vergoedingsplicht tot 2/3 van de geleden schade zal een bedrag van € 287,19 worden toegewezen.

2.16

Ten slotte maakt [persoon A] aanspraak op vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.000,00. Vooropgesteld wordt dat als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

2.17

[persoon B] heeft [persoon A] een duw of klap gegeven, waardoor [persoon A] ten val is gekomen en (ten minste) een hersenschudding heeft opgelopen. Hiermee staat vast dat [persoon A] lichamelijk letsel heeft opgelopen, hetgeen noodzakelijkerwijs heeft geleid tot de nodige pijn en ongemak. Hiermee is gegeven dat [persoon A] immateriële schade heeft geleden, die voor toewijzing in aanmerking komt, nu deze schade het gevolg is geweest van het onrechtmatig handelen van [persoon B] . Aanknopend bij gelijksoortige zaken, oordeelt de kantonrechter een vergoeding voor immateriële schade van € 300,00 redelijk en billijk. Gelet op de vermindering van de vergoedingsplicht tot 2/3 van de geleden schade zal aan immateriële schade een bedrag van € 200,00 worden toegewezen.

2.18

Het bovenstaande samenvattend zal ten aanzien van de geleden materiële en immateriële schade in totaal een bedrag van € 774,15 (€ 133,33 + € 152,63 + € 1,00 + € 287,19 + € 200,00) worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding zal, als op de wet gegrond en niet inhoudelijk betwist, worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

In reconventie

2.19

[persoon B] is in reconventie toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [persoon A] op 23 februari 2018 [persoon B] heeft geduwd en in het gezicht heeft geslagen én dat [persoon B] daardoor schade heeft geleden aan zijn bril. Zoals hiervoor in conventie reeds overwogen, is, ook na het horen van de diverse getuigen, niet vast te stellen waaruit de fysieke handeling van [persoon A] jegens [persoon B] heeft bestaan. Uit de getuigenverklaringen is wel komen vast te staan dat sprake was van een duw óf een klap van [persoon A] jegens [persoon B] . In beide gevallen heeft [persoon A] daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [persoon B] , zodat dat handelen van [persoon A] in beginsel als een onrechtmatige gedraging heeft te gelden.

2.20

[persoon A] heeft aangevoerd dat ter zake van haar handeling jegens [persoon B] sprake was van een rechtvaardigingsgrond, te weten noodweer. Ook in dit geval zal aangenomen moeten kunnen worden dat het door [persoon A] toegepaste geweld was geboden door de noodzakelijke verdediging van haar lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [persoon A] . Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. Niet is komen vast te staan wat is voorafgegaan aan de fysieke handeling van [persoon A] jegens [persoon B] , nu de diverse getuigen hier verschillend over verklaren. Het blijft derhalve onduidelijk hoe het conflict is ontstaan en wie daartoe nu de eerste aanzet heeft gegeven. Dat gegeven leidt ertoe dat ook niet is komen vast te staan dat er ten aanzien van de handeling van [persoon A] sprake was van noodweer. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Nu geen rechtvaardigingsgronden aanwezig worden geacht die het onrechtmatige karakter aan het handelen van [persoon A] ontnemen, staat vast dat sprake is van een onrechtmatige daad van [persoon A] jegens [persoon B] , die haar kan worden toegerekend. [persoon A] is op grond van artikel 6:162 lid 1 BW aansprakelijk voor de schade die [persoon B] door het onrechtmatig handelen lijdt. De gevorderde verklaring voor recht wordt echter afgewezen, aangezien gesteld noch gebleken is dat [persoon B] hierbij belang heeft (artikel 3:303 BW).

2.21

Vervolgens ligt de vraag voor in welke mate [persoon A] aansprakelijk is voor de schade van [persoon B] , in welk kader [persoon A] een beroep heeft gedaan op eigen schuld van [persoon B] in de zin van artikel 6:101 BW. [persoon A] heeft aangevoerd dat [persoon B] het incident zelf heeft veroorzaakt en het zonder het handelen van [persoon B] niet tot enig conflict zou zijn gekomen, hetgeen voldoende aanleiding vormt de door [persoon B] gestelde schade volledig voor zijn rekening te laten. Nu hiervoor reeds is overwogen dat niet duidelijk is geworden wat aan de fysieke handeling van [persoon A] is voorafgegaan, is ook niet, althans onvoldoende, gebleken van aan [persoon B] toe te rekenen omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de gestelde schade. Dat betekent dat het beroep op eigen schuld van [persoon B] in de zin van artikel 6:101 BW wordt verworpen.

2.22

[persoon B] is eveneens toegelaten tot het bewijs dat hij door het onrechtmatig handelen van [persoon A] schade heeft geleden aan zijn bril. Door getuige [persoon C] is in dit verband het volgende verklaard:

“(…)

De bril van [persoon B] viel op de grond. [persoon B] zei dat zijn bril kapot was.

(…)

Ik heb niet gezien dat de bril kapot was, maar ik heb [persoon B] daarna niet meer met die bril gezien.

(…)”

Door [persoon D] is hieromtrent de volgende verklaring afgelegd:

“(…)

Volgens mij had [persoon B] een bril op, maar dat durf ik niet met zekerheid te zeggen.

(…)”

2.23

Uit de verklaring van [persoon C] volgt dat hij heeft gezin dat de bril van [persoon B] op de grond viel, maar dat hij niet heeft gezien dat er schade aan de bril was. [persoon D] heeft te kennen gegeven niet meer met zekerheid te kunnen zeggen of [persoon B] wel een bril op had. Volgens de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 24 juli 2018 heeft [persoon D] destijds nog verklaard dat hij heeft gezien dat de bril van [persoon B] van zijn hoofd viel, maar dat hij niet heeft gezien wat er is gebeurd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [persoon B] met voornoemde getuigenverklaringen niet bewezen dat hij door het onrechtmatig handelen van [persoon A] schade heeft geleden aan zijn bril. Buiten [persoon B] heeft geen van de getuigen verklaard dat de bril van [persoon B] was beschadigd door toedoen van [persoon A] .

2.24

Ook buiten de afgelegde getuigenverklaringen heeft [persoon B] geen enkel bewijs overgelegd van zijn stelling dat de bril onherstelbaar beschadigd zou zijn. [persoon B] heeft weliswaar een screenshot van de webwinkel van Cartier overgelegd met daarop de afbeelding van een bril, doch niet is vast te stellen dat dat dezelfde bril is als de bril in de politie-enveloppe, zoals zichtbaar op de door [persoon B] overgelegde foto. Daarbij komt nog dat op de foto van de bril in de enveloppe op geen enkele wijze enige schade aan de bril is waar te nemen.

2.25

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [persoon B] niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat hij door het onrechtmatig handelen schade heeft geleden aan zijn bril. De gevorderde schadevergoeding van € 797,00 wordt om die reden afgewezen.

Zowel in conventie als in reconventie

2.26

Nu partijen zowel in conventie en in reconventie deels in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 774,15 vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 20 januari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

en wijst af het méér of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487