Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4488

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
ROT 19/1123
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kinderopvangtoeslag / toeslagpartner / ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/1123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. A. Dinc,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

gemachtigde: N. Marienus.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2018 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 28 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door de dochter van eiseres met de voorletters [voorletters dochter] en geboren op [geboortedatum dochter] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. S. Akbulut.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de verlaging van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2018 naar € 0,-.

De rechtbank is hierbij uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

In het besluit van 28 december 2017 heeft verweerder eiseres (onder meer) een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2018 van € 12.519,- voor de opvang van haar kinderen [naam kind 1] , geboren [geboortedatum kind 1] 2014 en [naam kind 2] , geboren [geboortedatum kind 2] 2012, toegekend. Bij besluit van 21 februari 2018 is het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2018 vastgesteld op € 12.868,-. Tegen het besluit van 24 juli 2018, waarbij de kinderopvangtoeslag per 15 januari 2016 is beëindigd, is, zoals ter zitting van 29 april 2021 is bevestigd, geen bezwaar ingediend.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat [naam] als toeslagpartner van eiseres moet worden aangemerkt.

Volgens de gegevens van de Basisregistratie personen (Brp) staat eiseres van 29 februari 2012 tot heden en staat [naam] van 17 februari 2012 tot heden ingeschreven op het adres [adres] , het woonadres van eiseres (hierna; het adres). Uit de gegevens van de Brp is tevens gebleken dat er op [datum] een kind uit hun relatie is geboren. Op grond hiervan is [naam] volgens verweerder toeslagpartner van eiseres.

3. Eiseres voert aan dat ze 21 jaar geleden gescheiden is van [naam] . Omdat zij vanwege haar inkomen niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning is zij genoodzaakt een gedeelte van de woning van haar ex-partner te huren. De woning is feitelijk in tweeën gesplitst en eiseres huurt een gedeelte van deze woning. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule en meent dat er bij haar sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan de ex-partner niet als toeslagpartner moet worden aangemerkt.

4. Wettelijk kader

Kinderopvangtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling, zodat op de verstrekking daarvan de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing is.

Artikel 3, tweede lid, onder a. en e., van de Awir luidde ten tijde van 1 januari 2018:

“In aanvulling op het eerste lid wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en:

a. uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren; (…).

5. Eiseres heeft niet betwist dat zij, [naam] en hun op [datum] geboren kind, het gehele jaar 2018 op het adres [adres] stonden ingeschreven. In zoverre is daarmee in beginsel aan het gestelde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir voldaan en dient [naam] dus aangemerkt te worden als toeslagpartner van eiseres.

Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a is niet relevant of de toeslagpartners op het woonadres beiden een zelfstandige woonruimte bewonen. De rechtbank verwijst voor de onderbouwing van dat oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RCS:2018:664). Voor een partnerschap op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir is niet relevant of degene die op hetzelfde woonadres in de BRP staat ingeschreven als de belanghebbende, aldaar een zelfstandige woonruimte bewoont. Dus de stelling dat eiseres zelfstandig op het adres woont kan haar sowieso niet baten.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in de schriftelijke huurovereenkomst waaruit blijkt dat zij vanaf 1 februari 2011 de compleet gemeubileerde woonruimte huurt van [naam] , niet is omschreven welke ruimte wordt gehuurd. Tevens is geen bewijs van maandelijkse huurbetalingen overgelegd. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat niet met verifieerbare gegevens voldoende is onderbouwd dat sprake is van feitelijke zelfstandige woonruimte en een op zakelijke gronden bestaande huurovereenkomst.

Op grond van artikel 47 van de Awir is onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget mochten voordoen.

Beroep op de hardheidsclausule is op grond van artikel 47 van de Awir is bij de beoordeling of iemand als toeslagpartner voor de kinderopvangtoeslag moet worden aangemerkt dus niet mogelijk.

Voor een belangenafweging op grond van het Verzamelbesluit Toeslagen (besluit van 11 januari 2021) dient er sprake te zijn van bijzondere omstandigheden. Die moeten zien op matiging van de terugvordering (in bepaalde situaties) of het proportioneel vaststellen van de toeslag. Beide is hier niet aan de orde. De rechtbank overweegt dat het bovendien aan eiseres is om bijzondere omstandigheden te onderbouwen. Eiseres heeft geen gegevens overgelegd die haar standpunt dat er sprake is van een noodsituatie en dat zij 21 jaar geleden gescheiden is en geen kant op kan doordat zij niet in aanmerking komt voor een huurwoning, onderbouwen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 mei 2021.

De griffier en de echter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.