Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4487

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
C/10/615161 / JE RK 21-670
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Altijd verdrietig en pijnlijk ook als je het als moeder ermee eens bent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

zaaknummer: C/10/615161 / JE RK 21-670

datum uitspraak: 4 mei 2021

Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad, locatie Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader] ,

hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de GI, wonende te gevestigd te Amsterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 15 maart 2021, ingekomen bij de griffie op 18 maart 2021.

Op 4 mei 2021 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;
- de moeder;

- de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de Raad, mevrouw [naam vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, de heer [naam vertegenwoordiger 2] .

Opgeroepen en niet verschenen is: de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Sinds 2015 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd, voor het laatst tot 19 oktober 2021. Vanaf 2015 is [voornaam minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst in voorziening voor pleegzorg. De maatregelen duren nog steeds voort.

De pleegmoeder heeft zich bij brief van 14 maart 2021 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de pleegmoeder tot voogdes over [voornaam minderjarige] te benoemen.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] heeft het naar haar zin bij de pleegouders. Het contact tussen de moeder en de pleegouders verloopt positief en de situatie rondom de gezagsbeëindiging verloopt harmonieus. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn niet langer de juiste maatregelen. De gezagsbeëindiging is daarom nodig, waarbij de pleegmoeder tot voogd wordt benoemd.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting het standpunt van de Raad ondersteund.

Het standpunt van de belanghebbenden

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat ze het verzoek tot gezagsbeëindiging moeilijk vindt, maar zij het wel fijn vindt dat de pleegmoeder tot voogd wordt benoemd.

De pleegmoeder heeft ter zitting het volgende aangegeven. [voornaam minderjarige] wil graag dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. Met de moeder is er goed contact. De moeder werkt als vrijwilliger op de verenging van de pleegouders en ziet [voornaam minderjarige] daardoor regelmatig.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ouders onvoldoende in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] te dragen. [voornaam minderjarige] ervaart binnen het pleeggezin duidelijke regels, structuur en voorspelbaarheid. Op school gaat het goed en zij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Daarnaast verloopt het onderling contact tussen de moeder en de pleegouders positief en wordt gezien dat de pleegouders het contact tussen [voornaam minderjarige] en haar ouders stimuleren. Nu de moeder vrijwilliger is bij de vereniging waar [voornaam minderjarige] aan twirlen doet, zien zij elkaar regelmatig. Beide ouders hebben aangegeven het eens te zijn met het verzoek van de Raad.

De aanvaardbare termijn voor [voornaam minderjarige] is inmiddels verstreken. Het is in het belang en eveneens haar wens dat haar plaatsing bij de pleegouders wordt voortgezet. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.

De rechtbank wijst er uitdrukkelijk op dat het beëindigen van het gezag niets afdoet aan het feit dat de ouders altijd de ouders van [voornaam minderjarige] blijven. Zoals ook door de pleegmoeder ter zitting benoemd en door [voornaam minderjarige] aan de kinderrechter is verteld, is het onderling contact met de moeder positief en is het van belang dat zij een rol blijft spelen in het leven van [voornaam minderjarige] .

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Ter zitting is duidelijk geworden dat in ieder geval tussen de moeder en de pleegmoeder sprake is van een goede samenwerking. [voornaam minderjarige] verblijft sinds 2016 bij de pleegmoeder en wordt sindsdien door haar verzorgd en opgevoed. De rechtbank is het daarom met de betrokkenen eens dat de pleegmoeder moet worden belast met de voogdij.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 van het BW wordt de ouder van wie het gezag is beëindigd, ervan uitgaande dat zij het bewind voerde over het vermogen van [voornaam minderjarige] , veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] over [naam minderjarige] geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] ;

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader] geboren op [geboortedatum vader] te [geboorteplaats vader] over [naam minderjarige] op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] ;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen de pleegmoeder [naam pleegmoeder] geboren op [geboortedatum pleegmoeder] ;

veroordeelt de ouders tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige] aan de pleegmoeder [naam pleegmoeder] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

De beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021 door

mr. A.C. Enkelaar, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, als griffier. Deze schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.