Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4480

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
C/10/612801 / HA ZA 21-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

cident bevoegdheid handel-kanton. Geen verwijzing naar kanton. Competitiegrens. Afwijzing incidentele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/612801 / HA ZA 21-117

Vonnis in incident van 19 mei 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. S.R. van der Boom te Alkmaar,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. L. Alberts te Hardinxveld-Giessendam.

Partijen zullen hierna [persoon A] en [persoon B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 januari 2021, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de conclusie van antwoord met 1 productie, tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1.

[persoon B] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de door [persoon A] ingestelde vorderingen en de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken, met veroordeling van [persoon A] in de kosten van dit incident.

2.2.

Het verweer van [persoon A] strekt tot afwijzing van de vordering.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat van (absolute) onbevoegdheid geen sprake kan zijn; de rechtbank is bevoegd. De vraag die – sinds de opheffing van de kantongerechten, nu bijna twintig jaar geleden – moet worden beantwoord, is welke kamer van de rechtbank de zaak moet behandelen. Als dat de kamer voor kantonzaken (de kantonrechter) is, leidt dit tot verwijzing (artikel 71 Rv) en niet tot onbevoegdverklaring.

3.2.

De rechtbank begrijpt daarom de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring als een vordering tot verwijzing.

3.3.

Ingevolge artikel 93 aanhef en onderdelen a en b Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, en zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00, door de kantonrechter behandeld en beslist.

3.4.

In de hoofdzaak strekt de vordering van [persoon A] primair tot het gebieden van [persoon B] om de bestaande ramen te (doen) wijzigen in volledige vaste ramen, zodat de ramen niet meer open kunnen en de bestaande ramen daarnaast volledig van melkglas te voorzien, althans deze voldoende ondoorzichtig te maken en/of te houden, zodat er geen rechtstreeks zicht op het perceel van [persoon A] mogelijk is, beide op straffe van een dwangsom met een maximum van € 25.000,00. Subsidiair strekt de vordering van [persoon A] tot de veroordeling van [persoon B] om aan zijn huurders/bewoners een verbod op te leggen om sigaretten en ander afval uit de ramen op het perceel van [persoon A] te gooien, op straffe van een dwangsom met een maximum van € 25.000,00. Daarnaast strekt de subsidiaire vordering tot de veroordeling van [persoon B] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat in strijd met dit nog op te leggen verbod wordt gehandeld, met een maximum van € 50.000,00. Primair en subsidiair vordert [persoon A] de betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.093,84 en de kosten van de procedure.

3.5.

[persoon B] stelt dat er duidelijke aanwijzingen zijn (zoals de verschillende maxima aan boetes) dat de door [persoon A] ingestelde vorderingen het belang van maximaal € 25.000,00 niet overstijgen. De sector kanton, locatie Dordrecht, van de Rechtbank Rotterdam is volgens [persoon B] dan ook absoluut bevoegd om van onderhavig geschil kennis te nemen (de rechtbank begrijpt: de kantonrechter is de rechter die de zaak na verwijzing moet behandelen).

3.6.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3.7.

Artikel 611h Rv bepaalt dat voor de bepaling van de rechterlijke bevoegdheid geen rekening wordt gehouden met de dwangsom. Het maximum van de verschillende gevorderde dwangsommen is dan ook niet relevant voor de bepaling van de waarde van de vorderingen van [persoon A] . [persoon B] heeft verder niet gesteld welke duidelijke aanwijzingen er nog meer zijn voor de stelling dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. Bij gebrek aan concrete, voldoende onderbouwde stellingen op dit punt, bestaat er geen grondslag voor de stelling dat de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.

3.8.

De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.9.

[persoon B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld met dien verstande dat de wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis.

3.10.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3.11.

De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat het verzoek daartoe is gegrond op de wet en er geen redenen zijn het niet toe te wijzen.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt [persoon B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon A] tot op heden begroot op € 563,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [persoon B] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [persoon B] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 juni 2021 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en op 19 mei 2021 uitgesproken in het openbaar.

3304/2438/1407