Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4473

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
ROT 19/6228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete voor vervoer van rund dat ongeschikt was voor transport. Volgens de rechtbank is in het rapport van bevindingen door de toezichthouder voldoende gemotiveerd dat het dier niet geschikt was voor transport. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de toezichthoudend dierenarts

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/6228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. G.H. Blom,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.F. Kabiri.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- vanwege een overtreding van de Wet dieren.

Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiseres is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit:

“De houder op de plaats van vertrek liet een rund vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen.”

Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 8, eerste lid, en Bijlage I, Hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder a, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG (de Transportverordening)

2. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 12 december 2018 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder schrijft in het rapport over zijn bevindingen op 16 november 2018 onder meer het volgende:

Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de stal behorende bij bovengenoemd slachthuis.Ik zag daar een rund met levensnummer NL [nummer] . Ik zag dat het dier tijdens rust zijn rechter achterpoot niet belastte. Ik heb het dier doen laten voortbewegen en zag dat ze daarbij haar rechter achterpoot niet belastte (ZIE FILM 1898). Bij nadere inspectie van deze achterpoot zag ik dat dit been gezwollen was vanaf de kroonrand tot haar liesplooi en dat deze gezwollen poot drie keer de omvang had van haar gezonde linker achterpoot. Dit duidt op een ontsteking. Het niet belastten van haar rechter achterpoot duidt bij dit rund op een pijnlijk proces in de onderpoot.

Hieruit concludeer ik, vanuit mijn deskundigheid als dierenarts, gezien de zwelling en de omvang van het ontstekingsproces dat de aandoening minimaal 1 dag aanwezig was alvorens het dier opgeladen werd bij de houder. Aangezien het rund tijdens het in- en afladen en tijdens transport, door bewegen van het transportmiddel, gedwongen wordt om deze poot te belasten kan gesteld worden dat het transport van dit rund extra lijden veroorzaakt heeft. Het personeel van het slachthuis heeft het dier met voorrang gedood en ter destructie aan Rendac aangeboden.

Ik zag op het VKI formulier dat de houder van bovenstaand rund alle vragen ontkennend heeft beantwoord. Zie vraag 5: is er nog relevante informatie over de gezondheidsstatus van het dier, waarbij op het VKI nee is ingevuld. Mijn inziens is dit VKI niet naar waarheid ingevuld (ZIE BIJLAGE VKI 1898).

De houder op de plaats van vertrek liet een dier vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport omdat het dier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Dit dier was kreupel en had pijn, daarom had dit dier niet vervoerd mogen worden.

3. Eiseres voert aan dat het rund op 17 oktober 2018 op afmesten is gezet vanwege beenproblemen; het werd niet meer gemolken en in een groot hok met stro gehuisvest. Het dier mocht het bedrijf pas verlaten als het daartoe in staat was; er was geen enkele aanleiding het dier met spoed te laten slachten. Het rund heeft daarom pas op 15 november 2018 het bedrijf verlaten. Als het dier toen ongeschikt was voor vervoer had eiseres het rund niet aangeboden ter slacht en had de transporteur het dier niet meegenomen. Er moet dan ook tussen het vervoer en de slacht wat zijn misgegaan. Daarbij is het vreemd dat het rund op 15 november 2018 voor 21.00 uur het bedrijf van eiseres heeft verlaten en pas de volgende dag in de middag is aangeboden aan het slachthuis; wat er daartussen is gebeurd is onbekend maar wordt eiseres wel aangerekend. Verweerder gaat hier ook niet op in. Ten aanzien van het standpunt van verweerder in het verweerschrift dat het VKI-formulier onjuist is ingevuld, voert eiseres aan dat zij het formulier niet zelf heeft ingevuld en daar dus niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Voorts voert eiseres aan dat er te veel tijd heeft gezeten tussen de controle en de boeteoplegging, waardoor het voor haar ondoenlijk was tegenbewijs aan te leveren. Eiseres ontving pas zeven maanden later het voornemen en was toen zeer verbaasd. Alle dieren die het bedrijf van eiseres verlaten worden op camera vastgelegd om misverstanden te voorkomen. Het is echter niet mogelijk om de opnames langer dan twee maanden te bewaren. Het is voor eiseres zeer moeilijk zo niet onmogelijk om de bevindingen van de toezichthouder te weerleggen. Daarnaast voert eiseres aan dat gelet op alles wat zij heeft aangevoerd de boete in elk geval moet worden gematigd; de toezichthouder was niet aanwezig bij het transport en eiseres heeft niet de mogelijkheid gehad om tegenbewijs te leveren, aldus eiseres.

3.1.

Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (onder meer herhaald in de uitspraak van 5 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:551) weegt de verklaring van een toezichthoudend dierenarts in beginsel zwaar en mag hetgeen in de verklaring is vastgelegd voor juist worden gehouden indien daarin duidelijk is gemotiveerd waarom sprake is van een dier dat niet geschikt is voor transport. Daarnaast geldt dat, zoals het CBb heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 10 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:147), een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen, maar dat, indien die bevindingen gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen voldoende gemotiveerd dat het dier niet geschikt was voor transport. De toezichthouder beschrijft dat het rund een poot niet belastte, dat deze poot tot drie keer de normale omvang was gezwollen en dat dit duidt op een ontsteking en een pijnlijk proces. Bij het rapport van bevindingen is ook een video gevoegd waarop het niet belasten van de poot en de zwelling te zien is. Ook concludeert de toezichthouder, op basis van zijn deskundigheid als dierenarts, dat de aandoening al minimaal één dag, voor het opladen, aanwezig was. Daarbij wijst de toezichthouder op de zwelling en de omvang van het ontstekingsproces. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het rapport van bevindingen. Ook ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om de conclusie van de toezichthouder dat het dier ongeschikt was voor transport in twijfel te trekken. Eiseres heeft er zelf al op gewezen dat het dier beenproblemen had; dat het dier volgens eiseres die dag wel geschikt was om te worden vervoerd is door haar in het geheel niet onderbouwd. Zij volstaat met de enkele stelling dat zij het dier niet zou hebben vervoerd als het niet verantwoord zou zijn. Ten aanzien van de gestelde lange tijd tussen het opladen van het rund bij eiseres en het afladen op de slachterij, overweegt de rechtbank allereerst dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het rund op het door haar gestelde moment was opgehaald door de vervoerder, maar ook indien daar wel van wordt uitgegaan biedt dat onvoldoende reden voor twijfel aan de bevindingen in het rapport. De toezichthouder concludeert immers vanuit zijn deskundigheid als dierenarts dat de aandoening al minimaal een dag aanwezig was.

3.3.

De rechtbank gaat voorbij aan wat door verweerder en eiseres is gesteld over het VKI-formulier van dit rund, nu dit geen rol heeft gespeeld bij de opgelegde boete. Verweerder heeft niet gesteld dat eiseres ten aanzien van het VKI-formulier (ook) een overtreding heeft begaan.

3.4.

Eiseres stelt wel terecht dat zij laat op de hoogte is gesteld van de constateringen. Op grond van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder binnen 13 weken na het rapport van bevindingen te beslissen over boeteoplegging. Die termijn is in dit geval met 12 weken overschreden. De termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is evenwel een termijn van orde (TK 2003-2004, 29701, nr. 3, p.150). Overschrijding ervan leidt als zodanig niet tot verval van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Evenmin ziet de rechtbank in de overschrijding in dit geval reden om de boete te matigen, nu niet is gebleken dat eiseres daardoor zodanig in haar belangen of bewijspositie is geschaad. De periode waarbinnen volgens eiseres haar camerabeelden worden gewist zou ook al zijn verstreken als verweerder zich wel aan die termijn van 13 weken had gehouden. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres geen andere mogelijkheden heeft gehad om zich te verweren tegen de constateringen van de toezichthouder (bijvoorbeeld met verklaringen van de vervoerder of stukken van haar eigen dierenarts).

4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Verweerder was dus bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen.

5. De rechtbank overweegt dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Transportverordening gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn - staat voorop. De hoogte van de boete als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voorts heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan verweerder het boetebedrag had dienen te matigen. De rechtbank verwijst daartoe naar alles wat zij hiervoor heeft overwogen.

6. Het beroep is dus ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 mei 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd

deze uitspraak te tekenen deze uitspraak te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.