Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4435

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
8973639 CV EXPL 21-2184
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beide pp maken aanspraak op een bij de notaris gestorte boete, die gd heeft verbeurd ivm het niet nakomen van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning. Kwijtingsbepaling in leveringsakte ziet niet op die boete. Toewijzing vordering in conventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8973639 CV EXPL 21-2184

uitspraak: 21 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] , zowel in persoon als in haar hoedanigheid van erfgename van wijlen haar echtgenoot [naam 1],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde, eiser in reconventie,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 het exploot van dagvaarding van 7 januari 2021, met producties;

 de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

 de conclusie van antwoord in reconventie, met één productie;

 het tussenvonnis van 22 februari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn broer, [naam 2]. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Wijlen de echtgenoot van [eiseres], [naam 1] (hierna: [naam 1]) heeft aan [gedaagde] verkocht de woning gelegen aan de [adres] (verder de woning) voor een koopsom van € 332.500,-.

2.2.

In de door partijen op 21 september 2018 ondertekende koopovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de akte van levering zal worden gepasseerd op 15 februari 2019 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen. Verder zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uiterlijk op 9 november 2018 ofwel een bankgarantie stelt tot na te melden bedrag ofwel op de derdenrekening van notaris [naam 3] (hierna: de notaris) een waarborgsom zal storten voor een bedrag van € 33.250,- (artikel 5).

2.3.

Omdat de onder 2.2. bedoelde waarborgsom niet tijdig op de derdenrekening van de notaris is gestort heeft [gedaagde] op grond van artikel 11.3 van de koopovereenkomst een onmiddellijk opeisbare boete verbeurd van € 4.987,50 zijnde drie promille (3‰) van de koopsom.

2.4.

Op 6 december 2018 heeft, in aanwezigheid van de verkoopmakelaar [naam 4], een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en [naam 1] enerzijds en [gedaagde] anderzijds. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat de datum voor levering van de woning zal worden verschoven van 15 februari 2019 naar 29 maart 2019. Verder hebben partijen gesproken over het al dan niet opeisen door [eiseres] en [naam 1] van de verbeurde boete.

2.5.

Bij e-mail van 11 december 2018 (10.02 uur) heeft verkoopmakelaar [naam 5] [gedaagde] als volgt bericht:

“(…) De verkopers willen dat u de boete van 3 promille per dag na het verstrijken van de 8 dagen termijn na ingebrekestelling alsnog nakomt en dit op een derde rekening bij de notaris stort. (…) Verkoper geeft ook aan dat wanneer u zich verder aan de afspraken houd conform de koopovereenkomst dat dit bedrag dan wordt teruggestort op uw rekening na de overdracht op 29 maart 2019. Verkopers zijn bereid om dit schriftelijk aan u te bevestigen. (…)”

2.6.

Bij e-mail van eveneens 11 december 2018 (14.20 uur) heeft [naam 5] [gedaagde] nog het volgende bericht:

“(…) Hierbij bevestigen zij dat de boete (…) terug gestort wordt op uw rekening, indien alles goed verloopt conform de koopovereenkomst. (…)”

2.7.

Het transport van de woning kon op 29 maart 2019 geen doorgang vinden, omdat de koopsom op dat moment niet op de derdenrekening van de notaris stond. Bij brief van
2 april 2019 heeft [naam 5] namens [naam 1] [gedaagde] met betrekking tot het niet betalen van de koopsom in gebreke gesteld.

2.8

Op 8 april 2019 is de koopsom alsnog op de derdenrekening van de notaris gestort. De leveringsakte is vervolgens op 9 april 2019 verleden.

2.9.

[eiseres] en [naam 1] waren samen eigenaar van de woning.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eiseres] heeft in conventie gevorderd bij vonnis te verklaren voor recht dat het door [gedaagde] op de derdenrekening van [notariskantoor] gestorte bedrag ad € 4.987,50 aan [eiseres] toekomt en door de notaris aan [eiseres] mag worden doorbetaald, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] heeft in reconventie gevorderd dat de kantonrechter uitspraak doet dat het op de derdenrekening van [notariskantoor] gestorte bedrag van € 4.987,50 hem toekomt, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Ter onderbouwing van haar vordering en bij wijze van verweer tegen de vordering van [gedaagde] heeft [eiseres], naast de genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Op 6 december 2018 is niet afgesproken dat de boete zou worden terugbetaald zodra de woning is geleverd. Er is slechts toegezegd dat mogelijk het bedrag zou worden terugbetaald als alles verder "gladjes zou verlopen". Het verdere proces is echter in het geheel niet gladjes verlopen. Op de afgesproken datum van 29 maart 2019 is het transport immers niet doorgegaan, omdat de koopsom niet was gestort. Dit was het moment waarop [eiseres] en wijlen haar echtgenoot hebben besloten dat de boete definitief niet zou worden terugbetaald aan [gedaagde]. Verder is het niet zo dat de kwijting in de leveringsakte betekent dat de boete aan [gedaagde] terugbetaald moet worden.

3.4.

[gedaagde] heeft bij wijze van verweer tegen de vordering van [eiseres] en ter onderbouwing van zijn vordering, naast de hiervoor onder 2.4. tot en met 2.6. en 2.8. genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Partijen hebben afgesproken dat de formeel volgens de koopovereenkomst verbeurde boete (hiervoor onder 2.3.) door [eiseres] en [naam 1] niet zou worden opgeëist en door [gedaagde] niet hoefde te worden betaald. Het transport van de woning heeft plaatsgevonden op 9 april 2019. Daarmee is [gedaagde] alle voorwaarden van de koopovereenkomst nagekomen en heeft hij recht op terugbetaling van het boetebedrag. Partijen hebben elkaar bovendien over en weer kwijting verleend in de leveringsakte. Ook dit bevestigt dat [gedaagde] aan al zijn (financiële) verplichtingen uit de koopovereenkomst heeft voldaan en recht heeft op terugbetaling van het boetebedrag.

4. De beoordeling

4.1.

In artikel 93 sub b Rv is bepaald dat de kantonrechter zaken behandelt en beslist betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Nu beide partijen van de kantonrechter een verklaring voor recht vorderen met betrekking tot het recht op het boetebedrag van € 4.987,50 is duidelijk dat de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00. De kantonrechter is daarom bevoegd om op de vorderingen te beslissen.

4.2.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, worden deze hierna gezamenlijk besproken.

4.3.

Deze zaak gaat er in de eerste plaats om dat partijen van mening verschillen over de precieze inhoud van de op 6 december 2018 gemaakte afspraak over het al dan niet opeisen van de door [gedaagde] verbeurde boete van € 4.987,50 en in de tweede plaats over het antwoord op de vraag of [gedaagde] zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst is nagekomen.

4.4.

Met zijn betoog dat hij zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst is nagekomen, nu de akte van levering op 9 april 2019 is gepasseerd, miskent [gedaagde] dat hij reeds tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichting om ervoor te zorgen dat de koopsom op de afgesproken transportdatum (29 maart 2019) op de derdenrekening van de notaris was bijgeschreven. Dat [gedaagde] de koopsom binnen een termijn van acht dagen na de ingebrekestelling van 2 april 2019 alsnog op de derdenrekening van de notaris heeft gestort, heeft weliswaar tot gevolg gehad dat de leveringsakte kon worden gepasseerd en dat [gedaagde] niet ook nog een boete van 10% van de koopsom verschuldigd is geworden, maar betekent dus niet dat daarmee zijn eerdere tekortkoming, namelijk dat niet geleverd kon worden op 29 maart 2019, ongedaan is gemaakt.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] zich terecht op het standpunt stelt dat het traject ná het gesprek op 6 december 2018 niet is verlopen conform de koopovereenkomst. Gelet op de door partijen gemaakte afspraak, die is weergegeven in de e-mails van 11 december 2018 (hiervoor onder 2.5. en 2.6.), maakt [eiseres] reeds daarom terecht aanspraak op de door [gedaagde] verbeurde boete van € 4.987,50. De precieze inhoud van de op
6 december 2018 gemaakte afspraak kan in het midden blijven, nu partijen het er in ieder geval over eens zijn dat terugbetaling van de boete pas aan de orde zou zijn als alles conform de koopovereenkomst zou verlopen. Gelet op het niet kunnen afnemen van de woning door [gedaagde] op 29 maart 2019 is daarvan echter geen sprake. [eiseres] heeft derhalve recht op betaling van het boetebedrag ad € 4.987,50.

4.6.

Tot slot heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de kwijtingsbepaling in de leveringsakte van 9 april 2019, waarin is bepaald dat partijen elkaar “voor zover van toepassing kwijting [verlenen] voor de overige bedragen die als gevolg van de koopovereenkomst en deze levering verschuldigd zijn”. Die bepaling leidt echter niet tot een ander oordeel, omdat deze ziet op de (voor zover van toepassing) over en weer verschuldigde bedragen ten tijde van de levering, als afsluiting van het hele traject van koop en verkoop. [gedaagde] was de boete echter al in een eerder stadium verschuldigd geworden. Aan [gedaagde] is met betrekking tot het boetebedrag dus geen kwijting verleend in de leveringsakte.

4.7.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [eiseres] in conventie gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. In het verlengde daarvan zal de kantonrechter de door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring voor recht afwijzen.

4.8.

[gedaagde] wordt als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Tot aan deze uitspraak worden deze aan de zijde van [eiseres] in conventie vastgesteld op € 346,01 aan verschotten (€ 106,01 aan dagvaardingskosten en € 240,00 aan griffierecht) en € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt voor de dagvaarding en 1 punt voor de mondelinge behandeling à
€ 249,00 per punt). Gelet op de samenhang tussen en overlap van het dispuut in conventie en in reconventie zal ten aanzien van het salaris voor de gemachtigde van [eiseres] in reconventie worden volstaan met € 124,50 (0,5 punt voor de conclusie van antwoord in reconventie à € 249,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht dat het door [gedaagde] op de derdenrekening van [notariskantoor] gestorte bedrag ad € 4.987,50 aan [eiseres] toekomt en door de notaris aan [eiseres] mag worden betaald;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 346,01 aan verschotten en € 498,50 aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 124,50 aan salaris voor de gemachtigde;

in conventie en in reconventie voorts

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478/362