Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4428

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
8964513 CV EXPL 21-1237
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade aan verlijmde PVC-vloer nadat betonnen ondervloer is gaan scheuren. Schending waarschuwingsplicht (7:754 BW). Exoneratiebeding onredelijk bezwarend. Gevorderde schadevergoeding grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8964513 CV EXPL 21-1237

uitspraak: 21 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats eiser 1],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2],

eisers bij exploot van dagvaarding van 31 december 2020,

gemachtigde: mr. G.L. Court te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAB21 B.V.,

gevestigd te Geldrop en kantoorhoudende te Amersfoort,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Simoen te Breda.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als “[eisers]” dan wel afzonderlijk als “[eiser 1]” en “[eiser 2]”. Gedaagde wordt hierna aangeduid als “LAB21”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord;

 het tussenvonnis van 8 maart 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2021. [eiser 2] is niet verschenen. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens LAB21 is verschenen [naam 1], bijgestaan door de gemachtigde van LAB21 en diens kantoorgenoot, mr. E. Treffers. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Op 9 februari 2018 heeft [eiser 1] (als consument) LAB21 opdracht gegeven om voor een bedrag van € 3.055,02 een PVC-vloer te leggen in zijn nieuwbouwwoning, die is gebouwd door aannemer [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]).

2.2.

In de orderbevestiging staat dat de algemene verkoop-, levering- en betalingsvoorwaarden van LAB21 van toepassing zijn en dat deze zijn terug te vinden in de bijlage bij de orderbevestiging.

2.3.

In artikel 9 van de algemene voorwaarden van LAB21 staat met betrekking tot de garantie / aansprakelijkheid onder meer het volgende:

“9.7 De aansprakelijkheid van LAB21 beperkt tot ten hoogste het factuurbedrag der betreffende zaken, dan wel (naar keuze van LAB21) tot het maximale in het desbetreffende geval door de aansprakelijkheidsverzekering van LAB21 gedekte bedrag. Iedere aansprakelijkheid van LAB21 voor enige andere vorm van schade is uitgesloten, waaronder mede begrepen aanvullende schadevergoeding in welke vorm dan ook, door koper gemaakte extra kosten met inbegrip van maar niet beperkt tot transport, extra kosten van aannemer, legservice, bestrater, hovenier of ander soort derde partij, vergoeding van indirecte schade of gevolgschade of schade wegens gederfde winst.”

2.4.

De PVC-vloer is gelegd door [bedrijf 4], een onderaannemer van LAB21.

2.5.

Bij e-mail van 6 december 2018 heeft [eiser 1] bij LAB21 de volgende melding gedaan:

“(…) Helaas moet ik doorgeven dat er meerdere laminaat delen loslaten in onze woning.

Dit geld voor een gedeelte in de woonkamer en in de hal. In de woonkamer loopt er

een strook dwars door een aantal platen. De platen laten zichtbaar los. Voor wat

betreft de gang laten de uiteinden los van twee delen. Ik heb foto’s toegevoegd aan

de mail. (…)”

2.6.

Op 5 februari 2019 heeft [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) de vloer geïnspecteerd. Bij e-mail van 6 februari 2019 heeft [bedrijf 2] het volgende aan LAB21 gerapporteerd:

(…) Dit is een scheur die uit een beton plaat komt onder de cement dekvloer. Je ziet de

scheur ook lopen.

Ik heb de foto’s van de platen gezien(deze heeft de klant) die breuklijnen komen denk ik overeen met de scheur.

Er komt nu ook een 2e breuklijn in de keuken deze komt ook overeen met de beton plaat

(Het zijn platen die tegen elkaar aan liggen aangesmeerd met beton)

Plaatselijk herstel is geen optie.geheel vervangen!

Ik heb gevraagd dat ze de aanemer inschakelen.

Ze zien wel in dat lab er niks aan kan doen.

Er zijn verschillende opties om dit te verhelpen(maar laat de aannemer dit doen anders word hun probleem de onze)

Mijn voorstel is ge breuken uitsnijden en uitkappen zien hoe en wat? Dan als de aanemer een oplossing heeft? De scheuren provisorisch repareren en een strook overdwars er tussen snijden. Dan wachten tot de zomer.daarna pas aanvangen met herstel. Dit omdat als er nog een breuklijn ontstaat? Kan de aanemer dit ook nog herstellen.

Bij doorgaan order via de herstel order?

Meubels in een meubelzak buiten? Of verhuis bedrijf.

Dan slopen en egaliseren. Verwijderen hoge plint?

Bij beschadigingen ivm slopen? (Schilders kosten??)

Vervolgens geheel weer leggen.

Hierbij nog een foto waar de cementdekvloer aan de egaline.(met de vezels) zit (…)

2.7.

Op 7 februari 2019 heeft [naam 2] van [bedrijf 3] (de leverancier van de PVC-vloer) de vloer geïnspecteerd. Bij brief van 11 februari 2019 heeft hij de volgende bevindingen aan [eiser 1] gestuurd:

(…) Op de begane grond hebben wij een dekvloer aangetroffen die na het egaliseren is voorzien van een PVC-stroken bedekking.

Volgens uw informatie is er sprake van de volgende opbouw:

Een Ribcassette Prefab constructievloer waarvan de naden in het werk zijn aangesmeerd.

Op de constructievloer zijn netten geplaatst. Hierop is de vloerverwarming gemonteerd. Vervolgens is er, na het plaatsen van kantstroken, een 70 mm dikke, vezelversterkte dekvloer aangebracht.

Wij hebben de kruipruimte gecontroleerd op mate van ventilatie; de kruipruimte is voldoende geventileerd.

De PVC-stroken bedekking vertoont op enkele plaatsen zichtbare onvolkomenheden. Wij hebben een destructief onderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn ons de volgende zaken opgevallen:

- Daar waar delen los zijn gekomen, is een scheur in de vezelversterkte dekvloer waargenomen. De scheur is schoon; er is geen sprake van primer en/of egalisatieresten. De scheur is in een later stadium (na installatie PVC bedekking) ontstaan.

- De splitsing zit deels in de top van de dekvloer; de hechting van de egalisatie is optimaal.

- Aangaande het egaliseer- en lijmwerk zijn er geen applicatiefouten aangetroffen.

- De scheur die doortekent in de PVC- bedekking loopt over de volle breedte van de kamer en heeft een repeterend karakter; er is een duidelijke relatie met de eronder gelegen constructievloer. Ook in de woning op nr 15 (zelfde bouwdeel), hebben wij op exact dezelfde plekken onvolkomenheden waargenomen.

Wij wensen te benadrukken dat een egalisatielaag geen enkele constructieve waarde heeft; een niet blijvend vormvaste dek- constructievloer leidt tot zichtbare en blijvende schades. Om deze reden is het van belang dat de bouwer/hoofdaannemer zorg draagt voor een blijvend druk- en vormvaste ondergrond. (…)

2.8.

Op 4 september 2019 heeft [naam 3] (hierna: [naam 3]) van het Bureau voor Bouwpathologie BB onderzoek gedaan naar de vloer. In zijn rapport heeft hij onder meer het volgende gerapporteerd aan de gemachtigde van [eisers]:

“(…) Onderhavig schadebeeld is een veel voorkomend probleem/verschijnsel bij starre of dampdichte, volledig verlijmde vloerafwerkingen zoals PVC-vloeren aangebracht op “losliggende” vloerelementen zoals in onderhavige situatie de ribcassette vloerelementen. Dit punt wordt door [bedrijf 1] nazorg, ter plaatse direct onderschreven met de volgende bewoordingen “Dit verschijnsel zien wij zeer regelmatig”. Dit verschijnsel, het loskomen en opbollen van de volledig verlijmde vloerafwerking, is het gevolg van het feit dat de

vloerafwerking te dampdicht is ten opzichte van het vocht uitdampingsbehoefte van de steenachtige ondervloer. Niet uitgesloten kan worden dat de zandcementdekvloer niet

voldoende gedroogd was ten tijde van de plaatsing van de PVCvloer. Los van dit punt is het binnen de bouwwereld een bekend verschijnsel dat er scheurvorming optreed in de afwerkvloeren welke vast liggen op de prefab vloerelementen zoals hier toegepaste ribcassette vloerelementen. (…) Herstel, met behoud van de huidige zandcementdekvloer en volledig verlijmde PVC-vloer is niet mogelijk. Herstel is alleen mogelijk wanneer de huidige zandcementdekvloer vervangen moet worden door een zogenaamde zwevende dekvloer. (…) Hierbij dient gesteld te worden dat niet gegarandeerd kan worden dat nieuwe scheur-/naadvorming niet meer op zal treden. De enige manier waarop naad-/scheurvorming van de ondervloer niet zichtbaar wordt in de PVC-vloer, is wanneer de PVC-vloer losliggend wordt aangebracht. (…) Herstel, door middel van een zwevende dekvloer, (…) wordt geraamd op € 6.750,00 all-in. (…) Dit schadebeeld verschijnsel is reeds vele jaren een bekend “fenomeen” in de bouw, afbouw en interieur branches. Om die reden acht ondergetekende het naar beide wederpartijen, [bedrijf 1] en Lab 21/[bedrijf 4], verwijtbaar dat zij uw cliënt niet op dit punt hebben gewezen. Daarnaast kan gesteld worden dat [bedrijf 1] onvolledige informatie verschaft heeft omtrent de geschiktheid van vloerafwerkingen bij vloerverwarming. Het is correct dat een verlijmde PVC-vloer weinig warmte tegenhoud en dus een goede warmte afgifte van de vloerverwarming niet verhinderen. Echter er wordt niets vermeld omtrent de al jaren bekende problematiek van de reële mogelijkheid van het onthechten van de dampdichte vloerafwerking en plooivorming ter plaatse van de vloerelement naden. Een leek leest deze informatie als dat een PVC-vloer zeer geschikt is en er geen problemen te verwachten zijn. (…)”

2.9.

Bij brieven van 13 december 2019 heeft de gemachtigde van [eisers] , onder verwijzing naar de rapporten van [bedrijf 3] en het Bureau voor Bouwpathologie BB, zowel LAB21 als [bedrijf 1] gesommeerd om binnen veertien dagen aan te geven of zal worden overgegaan tot volledig en deugdelijk herstel van het gebrek dan wel vergoeding van de herstelkosten ad € 6.750,00, bij gebreke waarvan [eisers] tevens de gemaakte expertisekosten ad € 1.306,81 alsmede de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente zullen verhalen.

2.10.

LAB21 heeft bij brief van 6 januari 2020 aan de gemachtigde van [eisers] iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.11.

[bedrijf 1] heeft bij brief van 13 januari 2020 de gemachtigde van [eisers] bericht zich niet te kunnen vinden in diens conclusies en niet bereid te zijn het door hem genoemde bedrag te vergoeden, maar bij wijze van tegemoetkoming wel bereid te zijn de scheur in de vloer te herstellen door middel van epoxy.

2.12.

Bij e-mail van 3 februari 2020 heeft [naam 3] de gemachtigde van [eisers] onder meer als volgt bericht:

“(…) Na overleg met collega’s kan ik u melden dat de voorgestelde reparatie methode ons geen vertrouwen geeft. Wij zijn van mening dat de huidige scheuren niet meer terug zullen keren maar er waarschijnlijk nieuwe scheurvorming in de directe omgeving van de elementnaden zal gaan optreden. (…)”

3. Het geschil

3.1.

[eisers] hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat LAB21 is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst met [eisers];

2. LAB21 te veroordelen tot betaling van € 6.750,00 inclusief btw als vervangende schadevergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de eerste datum van verzuim, althans de datum vanaf de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. LAB21 te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 837,14.

4. LAB21 te veroordelen tot betaling van € 1.306,81 inclusief btw als vergoeding voor de door [eisers] gemaakte expertisekosten;

5. LAB21 te veroordelen tot betaling van € 389,00 inclusief btw als vergoeding voorschot voor de door [eisers] te maken kosten van opslag van zijn inboedel wanneer de herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd;

6. LAB21 te veroordelen tot betaling van € 797,00 inclusief btw als vergoeding voorschot voor de door [eisers] te maken kosten voor verblijf elders tijdens uitvoering van de werkzaamheden;

7. LAB21 te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eisers], te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval de voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.

3.2.

Aan hun vordering hebben [eisers] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Nu de PVC-vloer op meerdere plekken bolvorming vertoont, staat vast dat het werk niet deugdelijk is uitgevoerd. LAB21, dan wel de door haar ingeschakelde onderaannemer [bedrijf 4], had [eisers] moeten waarschuwen voor het ontstaan van mogelijke schade bij het leggen van een PVC-vloerafwerking in een nieuwbouwwoning en had hen moeten adviseren voor een andere vloerafwerking te kiezen. Door dit niet te doen is LAB21 tekortgeschoten in haar waarschuwingsplicht. In beginsel is zij reeds hierom aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. [eisers] zoeken voor wat betreft het schadebedrag aansluiting bij het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie BB, te weten herstelkosten ad € 6.750,00 inclusief btw. Ook de kosten voor het inschakelen van die deskundige ad € 1.306,81 inclusief btw komen voor vergoeding door LAB21 in aanmerking. Wanneer [eisers] de vloer door een derde partij laten herstellen dan zal de inboedel uit de woonkamer moeten worden verwijderd en opgeslagen. [eisers] beschouwen de kosten daarvan ad € 389,00 inclusief btw als (gevolg)schade en vorderen deze daarom ook van LAB21. Tevens zal het gezin tijdens de herstelwerkzaamheden tijdelijk niet in de woning kunnen verblijven. Een verblijf van vier nachten in een hotel zal [eisers] ten minste € 797,00 kosten en zij vorderen deze kosten op voorhand als schade. Het voorgaande leidt tot een totale hoofdsom van € 9.242,81. [eisers] vorderen tevens vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad van € 837,14 van LAB21. Deze kosten hebben [eisers] redelijkerwijs moeten maken om tot een oplossing buiten rechte te komen.

3.3.

LAB21 heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Op [eisers] rustte een informatieplicht wat betreft de eigen zaak. Zij dienden LAB21 daarom in te lichten over het type dekvloer alsmede de vloerverwarming die daarbij werd aangelegd. De zandcementdekvloer is gebrekkig of ongeschikt, waardoor de ondeugdelijke uitvoering voor rekening van [eisers] komt. Op grond van artikel 9.7 van de algemene voorwaarden van LAB21 is haar aansprakelijkheid beperkt tot ten hoogste het factuurbedrag ad € 3.055,02. Vergoeding van enige andere vorm van schade is uitgesloten. Deze algemene voorwaarden zijn [eisers] bekend en zijn aanvaard door middel van de bestelling. LAB21 betwist de begroting door het Bureau voor Bouwpathologie BB nu de samenstelling van de geraamde herstelkosten ad € 6.750,00 niet is gespecificeerd. LAB21 is bovendien niet de mogelijkheid geboden om bij het onderzoek aanwezig te zijn. De kosten van het rapport ad € 1.306,81 kunnen daarom niet op haar worden verhaald. De kosten voor de opslag van de inboedel ad € 389,00 en de kosten voor een verblijf elders tijdens de werkzaamheden ad € 979,00 hebben geen oorzakelijk verband met de gestelde gebrekkige uitvoering van het werk van LAB21, maar met de gebrekkige dekvloer. Daarnaast zijn deze kosten buiten iedere proportie en gaan [eisers] voorbij aan hun schadebeperkingsplicht. De werkzaamheden zullen namelijk ten hoogste twee dagen in beslag nemen en niet het gehele pand is onbruikbaar tijdens de werkzaamheden. Tijdelijke opslag van de inboedel kan ook binnen de woning plaatsvinden en er is geen noodzaak tot een verblijf elders tijdens de werkzaamheden. Ook deze gevorderde kosten dienen daarom te worden afgewezen. Ten slotte komen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 837,15 niet in aanmerking voor vergoeding, omdat deze louter zijn gemaakt ter voorbereiding van deze procedure. LAB21 heeft zich steeds loyaal gedragen in het vinden van de oorzaak van de gebreken en heeft hiertoe [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ingeschakeld teneinde onderzoek te doen. [eisers] hebben deze inspanningen en adviezen echter geheel naast zich neergelegd.

4. De beoordeling

4.1.

De overeenkomst tussen [eiser 1] en LAB21 is aan te merken als een overeenkomst van aanneming van werk, zoals bedoeld in artikel 7:750 BW. LAB21 is in deze relatie als (hoofd)aannemer gehouden een deugdelijke PVC-vloer aan te (laten) brengen in de woning van [eisers] Op grond van artikel 7:751 BW was LAB21 bevoegd het werk onder zijn leiding door anderen - zoals [bedrijf 4] - te doen uitvoeren, en ten aanzien van onderdelen ook de leiding aan anderen over te laten, zulks onverminderd haar aansprakelijkheid voor de deugdelijke nakoming van de overeenkomst.

4.2.

Nu de PVC-vloer bolvorming vertoont, staat vast dat het werk niet deugdelijk is uitgevoerd.

4.3.

Uit artikel 7:760 lid 2 BW volgt dat de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk voor rekening komen van [eiser 1] als opdrachtgever, indien die ondeugdelijke uitvoering is te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van hem, zoals de zandcementdekvloer waarop hij het werk heeft laten uitvoeren, tenzij LAB21 als (hoofd)aannemer haar in artikel 7:754 BW bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden. Op grond van het bepaalde in artikel 7:754 BW was LAB21 bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst tussen partijen verplicht [eisers] te waarschuwen voor gebreken of ongeschiktheid van in dit geval de dekvloer met vloerverwarming waarop de PVC-vloer moest worden aangebracht, voor zover LAB21 deze gebreken of ongeschiktheid kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Of dit het geval is hangt af van de deskundigheid die van haar als (hoofd)aannemer mocht worden verwacht en van de onder de omstandigheden van het geval van haar te vragen zorgvuldigheid.

4.4.

LAB21 heeft de positie van professional; zij houdt zich bedrijfsmatig bezig met het verkopen en leggen van PVC-vloeren. Als professionele partij had zij zich er van moeten vergewissen of de aanwezige zandcementdekvloer geschikt was voor het aanbrengen van de PVC-vloer. Anders dan zij stelt, kan zij daarbij niet volstaan met af te gaan op hetgeen voor haar dan wel voor [bedrijf 4] zichtbaar was. Daarmee miskent LAB21 dat zij dan wel haar onderaannemer [bedrijf 4] als professionele stoffeerder een eigen verantwoordelijkheid heeft en in dat kader op z’n minst navraag dient te (laten) doen naar de dekvloer, bijvoorbeeld bij de bouwer [bedrijf 1]. LAB21 is immers door [eiser 1] ingehuurd in de veronderstelling dat zij haar vak verstaat en dat zij hem vanuit haar deskundigheid informeert over risico’s, (on)mogelijkheden en te verwachten gevolgen van een PVC-vloer op de aanwezige ondervloer van de nieuwbouwwoning.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat LAB21 is tekortgeschoten in haar waarschuwingsplicht jegens [eiser 1] en in beginsel reeds hierom aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar.

4.6.

[eisers] vorderen bij wijze van hoofdsom in de eerste plaats de kosten die zij zullen moeten maken om de vloer deugdelijk te laten herstellen door een derde. Zij zoeken daarvoor aansluiting bij de schaderaming ad € 6.750,00 genoemd in het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie BB. LAB21 betwist dit geraamde bedrag aan herstelkosten, omdat de samenstelling van het bedrag in het rapport niet is gespecificeerd.

4.6.1.

LAB21 stelt op zich terecht dat de door het Bureau voor Bouwpathologie BB geraamde herstelkosten ad € 6.750,00 in het rapport niet zijn gespecificeerd. Dit betekent echter niet dat de vordering van dit bedrag reeds daarom moet worden afgewezen. [eisers] hebben in dit verband namelijk verwezen naar de twee als productie 10 overgelegde offertes voor het verwijderen van de huidige PVC-vloer, het egaliseren van de dekvloer en het leggen van een nieuwe PVC-vloer. Bij [bedrijf 5] komt het offertebedrag neer op 6.448,80 inclusief btw en bij de firma Dijkgraaf Parketvision op € 7.450,50 inclusief btw. Het gemiddelde van die bedragen ligt iets boven de door [eisers] gevorderde herstelkosten. De offertes hebben betrekking op de werkzaamheden waar het Bureau voor Bouwpathologie BB ook over spreekt.

4.6.2.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eisers] de gevorderde herstelkosten ad € 6.750,00 voldoende hebben onderbouwd. Deze kosten komen daarom voor toewijzing in aanmerking.

4.7.

Verder vorderen [eisers] de kosten voor het inschakelen van de deskundige ad € 1.306,81 inclusief btw. LAB21 stelt dat deze kosten niet op haar kunnen verhaald, nu zij niet de mogelijkheid heeft gekregen om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

4.7.1.

Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW komt als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Hieronder vallen zowel expertisekosten als kosten van juridisch advies en verzameling van bewijs. Vereist is verder dat, in de gegeven omstandigheden, de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (hierna: de dubbele redelijkheidstoets).

4.7.2.

De kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie BB kunnen worden aangemerkt als expertisekosten als hiervoor bedoeld. De inschakeling van een deskundige ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid was bovendien nodig, nu de rapporten van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] weliswaar iets zeggen over de toestand van de vloer en de (mogelijke) oorzaak, maar niets over de te maken herstelkosten.

4.7.3.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Dat het zorgvuldiger was geweest als niet alleen [bedrijf 4] maar ook LAB21 was uitgenodigd voor de inspectie van de PVC-vloer, betekent voorts niet dat vergoeding van de kosten voor het deskundigenrapport ad € 1.306,81 daarom moet worden afgewezen. LAB21 heeft immers voldoende gelegenheid gehad om op de inhoud van het rapport te reageren en tijdens de mondelinge behandeling is namens LAB21 verklaard dat zij de oorzaak van de bolvorming in de PVC-vloer – te weten de scheuren in de zandcementdekvloer – niet betwist.

4.7.4.

De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] de noodzaak en de redelijkheid van de gevorderde expertisekosten ad € 1.306,81 voldoende hebben onderbouwd. Ook deze kosten komen daarom voor toewijzing in aanmerking.

4.8.

[eisers] vorderen verder een bedrag van € 389,00 omdat zij hun inboedel uit de woonkamer zullen moeten verwijderen en opslaan, wanneer zij de vloer door een derde partij laten herstellen. Tevens vorderen zij een bedrag van € 797,00 aan kosten voor verblijf in een hotel voor vier nachten, omdat het gezin tijdens de herstelwerkzaamheden tijdelijk niet in de woning zal kunnen verblijven.

4.8.1.

Gelet op haar oordeel over de aansprakelijkheid van LAB21 voor de schade van [eisers] verwerpt de kantonrechter het standpunt van LAB21 dat de gevorderde kosten geen oorzakelijk verband hebben met de uitvoering van het werk, maar met de gebrekkige dekvloer. Die aansprakelijkheid voor LAB21 vloeit immers voort uit het niet naleven van haar waarschuwingsplicht.

4.8.2.

Met betrekking tot de door LAB21 gestelde disproportionaliteit van de door [eisers] gevorderde kosten oordeelt de kantonrechter als volgt. LAB21 heeft bij antwoord gesteld dat de herstelwerkzaamheden slechts twee dagen in beslag zullen nemen en dat [eisers] dus niet vier nachten elders hoeven te verblijven. Verder heeft LAB21 gesteld dat [eisers] de inboedel uit de woonkamer ook elders in het huis zouden kunnen opslaan, zodat ook de gevorderde opslagkosten voor afwijzing in aanmerking komen. [eisers] hebben deze stellingen tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken. Het had op de weg van [eisers] gelegen om meer inzicht te geven in de noodzaak van de opslag van de inboedel en (de duur van) het verblijf in een hotel. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [eisers] met betrekking tot de onderbouwing van de vordering van beide bedragen niet aan hun stelplicht voldaan. Hierdoor wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Deze twee kostenposten komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.9.

Tussen partijen is verder in geschil of LAB21 zich met succes kan beroepen op artikel 9.7 van de algemene voorwaarden van LAB21 (hierna: het exoneratiebeding), waarin is bepaald dat de schadevergoeding is beperkt tot het factuurbedrag ad € 3.055,02.

4.9.1.

Op grond van 6:237 onder f BW wordt, bij een overeenkomst tussen een gebruiker (LAB21) en een wederpartij die consument is ([eisers]), vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Een dergelijk exoneratiebeding is om die reden vernietigbaar, tenzij de gebruiker dit wettelijke vermoeden voldoende weerlegt.

4.9.2.

[eisers] hebben de vernietigbaarheid van dit exoneratiebeding tijdens de mondelinge behandeling ingeroepen. LAB21 heeft in reactie hierop ter zitting enkel gesteld dat [eisers] de algemene voorwaarden hebben aanvaard door middel van de bestelling en dat het exoneratiebeding niet onredelijk bezwarend is. Met deze enkele, niet nader onderbouwde stelling heeft LAB21 naar het oordeel van de kantonrechter het in artikel 6:237 sub f BW neergelegde vermoeden onvoldoende weersproken. Het exoneratiebeding is daarom vernietigbaar.

4.10.

De conclusie is dat de kantonrechter een bedrag van (€ 6.750,00 + € 1.306,81 =) € 8.056,81 aan schadevergoeding zal toewijzen.

4.11.

[eisers] maken voorts aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 6.750,00. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat vaststaat dat LAB21 niet aan haar schadevergoedingsverplichting jegens [eisers] voldoet. [eisers] hebben onbetwist gesteld dat dit op 6 januari 2020 is, te weten de datum van de brief waarbij LAB21 alle aansprakelijkheid van de hand wijst. Vanaf die verzuimdatum is de gevorderde rente toewijsbaar, nu vast staat dat [eisers] als gevolg van de bolvorming in de PVC-vloer schade hebben geleden. Daaraan doet niet af dat [eisers] in de praktijk wellicht nog geen herstelkosten hebben gemaakt.

4.12.

Ten slotte maken [eisers] aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom, in dit geval € 8.056,81. De vergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 777,84. De stelling van LAB21 dat, de buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze louter zijn gemaakt ter voorbereiding van deze procedure, wordt verworpen, nu de gemachtigde van [eisers] werkzaamheden heeft verricht die niet kunnen worden beschouwd als werkzaamheden ter voorbereiding van deze procedure.

4.13.

LAB21 wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op € 346,47 aan verschotten (€ 106,47 aan dagvaardingskosten en € 240,00 aan griffierecht) en € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 311,00 per punt).

4.14.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat LAB21 is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst met [eisers];

veroordeelt LAB21 om aan [eisers] tegen kwijting te betalen € 8.834,65, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 6.750,00 vanaf 6 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt LAB21 in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] vastgesteld op € 346,47 aan verschotten en € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening en, indien LAB21 niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478