Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4406

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/734
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WOZ, proceskostenvergoeding taxatierapport, geregistreerd taxateur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-5-2021
FutD 2021-1696 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2021-1696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zitting houdende te Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nissewaard, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Skaron.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), van 16 februari 2019, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Spijkenisse (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 198.000,-.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de waarde nader vastgesteld op € 175.000,-. Verweerder heeft aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van in totaal € 508,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 254,-).

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2021.

Eiseres is verschenen bij [naam persoon 1] en [naam persoon 2] , kantoorgenoten van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam persoon 3] .

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het door gemachtigde van eiseres ingediende taxatierapport in de bezwaarfase.

2. Eiseres kan zich niet verenigen met de door verweerder voor de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding, voor zover daarin vergoeding van het taxatierapport is uitgebleven. Volgens eiseres moet dat vergoed worden, en wel voor een bedrag van € 256,52 (4 uur tegen een uurtarief van € 53,- en in totaal € 44,52 aan BTW).

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het door gemachtigde van eiseres ingebrachte taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat het taxatierapport niet is opgesteld door een in het Nederlandse Register Vastgoed Taxateurs (NRVT) geregistreerde taxateur. Het taxatierapport voldoet daarmee niet aan de ondergrens geformuleerd in de uitspraak van Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch 15 november 2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2020 ECLI:NL:GHDHA:2020:1881 en Rechtbank Limburg 13 maart 2020 ECLI:NL:RBLIM:2020:2158 en kan dus niet worden aangemerkt als een deskundigen rapport. Voorts voldoet het rapport naar de mening van verweerder niet aan de daaraan te stellen kwaliteitscriteria nu met name de referenties er zonder enige screening bij zijn gezocht om zo een doelredenering vorm te geven. De kosten van het taxatierapport vallen dus niet onder de kosten, omschreven in artikel 1, lid 1, aanhef en letter b, jo. artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), aldus verweerder.

3.2

De taxatie is uitgevoerd door [naam persoon 4] en uitgewerkt door [naam persoon 5] en is door hen ondertekend op 14 juni 2019. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd vermeld dat de betrokkenheid van [naam persoon 4] is beperkt tot uitvoerende werkzaamheden en dat hij geen deskundige is, dat [naam persoon 5] in 2016 zijn diploma Real Estate and Facilities heeft behaald en dat hij sinds 2013 in het bezit is van een WOZ-diploma. [naam persoon 5] is al jaren werkzaam in het vak en werkt dagelijks met WOZ-taxaties, aldus eiseres.

4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Met de woorden ‘redelijkerwijs heeft moeten maken’ is bedoeld dat de kosten redelijkerwijs gemaakt moeten zijn, maar ook dat de hoogte van die kosten redelijk is (de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets). In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Deze regels zijn vastgelegd in het Bpb.

Artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb bepaalt dat een veroordeling in de kosten betrekking kan hebben op: kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

5.1

Het begrip ‘deskundige’ is in de Awb en het Bpb niet gedefinieerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de te hanteren maatstaf of degene die een deskundige heeft ingeschakeld, er - gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inschakeling - vanuit mocht gaan dat deze gezien zijn kennis en ervaring een relevante bijdrage kan leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door verweerder van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag (vergelijk bijvoorbeeld uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 13 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4323 en van 20 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH3891, een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 21 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BR3066 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8351).

5.2

Indien een deskundige een rapport aan een belanghebbende heeft uitgebracht dat zijn standpunt over een geschilpunt in de bezwaarprocedure ondersteunt, mag aan toekenning van een vergoeding voor de kosten van dat rapport niet de eis worden gesteld dat het een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van verweerder over dat geschilpunt (vergelijk Hoge Raad 16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770 en Hoge Raad 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4617).

5.3

Of een ingebracht (taxatie)rapport als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt is niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Als ondergrens heeft te gelden dat het is opgesteld door een ter zake deskundige, hier dus een geregistreerd taxateur, of in ieder geval onder zijn verantwoordelijkheid, waarvan uit de medeondertekening van het rapport moet blijken. Eisen aan vormgeving en omvang van het rapport zijn echter niet te stellen (Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 ECLI:NL:GHSHE:2018:4638).

6. Inschrijving als registertaxateur bij het NRVT, zoals verweerder dat bepleit, is geen vereiste bij de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een taxatierapport opgesteld door een taxateur. De toelichting bij het Bbp biedt geen aanknopingspunt voor de stelling van verweerder dat de kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen als het rapport is opgesteld door (of onder verantwoordelijkheid van) een zogenoemde RT-taxateur. De stelling van verweerder dat de inschrijving bij het NRVT als ondergrens heeft te gelden en dat de kosten van een taxateur, die geen RT-taxateur is, niet voor vergoeding in aanmerking komen, faalt dan ook (Gerechtshof Den Haag, 15 april 2021 ECLI:NL:GHDHA:2021:754). Ter zitting is komen vast te staan dat [naam persoon 5] over kwalificaties beschikt voor het uitvoeren van taxaties en het uitwerken van taxatierapporten en daar een aantal jaren ervaring mee heeft. Daarmee is zijn deskundigheid voldoende aannemelijk gemaakt.

7. De rechtbank is van mening dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de selectie van vergelijkingsobjecten in het rapport van eiseres zo willekeurig is, dat het taxatierapport daardoor onder de maat is.

8. Het beroep is gegrond.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Omdat de zaak in beroep uitsluitend betrekking heeft op de kostenvergoeding in bezwaar, waardeert de rechtbank het gewicht van de zaak als licht.

De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 0,5) en € 256,52 (4 uur x € 53,- + 21% BTW) aan kosten voor het in bezwaar overgelegde taxatierapport.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 27 december 2019, voor zover daarin is besloten dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op het niet vergoeden van de proceskosten voor het taxatierapport;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 790,52;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).