Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4375

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
9088884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geen reden voor schorsing van een wwz ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 9088884 VV EXPL 21-114

uitspraak: 29 april 2021

vonnis in kort geding ex artikel 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 7 april 2021,

gemachtigde: mr. M.A.M. Lem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Erasmus Universiteit Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C. de Weerdt.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “De EUR”.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de aanvullende productie van [eiseres] d.d. 14 april 2021;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. [eiseres] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens De EUR zijn verschenen mevrouw [naam persoon 1] en mevrouw [naam persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigde.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 september 2005 werkzaam bij de EUR, in de functie van [naam functie] bij de sectie [naam sectie] .

2.2

De EUR heeft op 15 december 2020 een verzoekschrift strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b BW tussen partijen bij de kantonrechter te Rotterdam ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021, gelijktijdig met het door [eiseres] aanhangig gemaakte kort geding waarin zij onder meer wedertewerkstelling en loondoorbetaling heeft gevorderd.

2.3

In de verzoekschriftprocedure is onder zaaknummer 8927760 VZ VERZ 20-20247 beschikking gewezen op 5 maart 2021. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2021 ontbonden, onder toekenning aan [eiseres] van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Aan de EUR is de gelegenheid geboden tot en met 12 maart 2021 het verzoek in te trekken. Voor het geval de EUR het verzoek zal intrekken, heeft de kantonrechter de vorderingen in kort geding van [eiseres] toegewezen.

2.4

De EUR heeft het verzoekschrift tot ontbinding niet ingetrokken.

2.5

De kantonrechter heeft in de beschikking van 5 maart 2021 onder r.o. 4.1 het volgende overwogen: “Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden gelden. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend op 22 december 2020. Hoewel [eiseres] uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670 lid1 sub a BW blijkt uit het door haar overgelegde deskundigenoordeel van 28 januari 2021 dat zij in ieder geval vanaf 7 oktober 2020 volledig arbeidsgeschikt moet worden geacht. Nu de door de EUR geen andersluidende stukken of een ander deskundigenoordeel is overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres] nog arbeidsongeschiktheid moet worden geacht zal in rechte van worden uitgegaan van de juistheid van het deskundigenoordeel van 28 januari 2021. Het opzegverbod staat dan ook in beginsel niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst”.

2.6

[eiseres] gaat tegen de beschikking van 5 maart 2021 hoger beroep instellen.

3. Het geschil

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om, een voorziening te treffen, inhoudende dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking d.d. 5 maart 2021 van de kantonrechter Rotterdam, met zaaknummer 8927760 VZ VERZ 20-20247, voor de duur van de hoger beroep procedure zal worden geschorst, totdat in hoger beroep tegen de beschikking voornoemd een eindbeschikking zal zijn gegeven, en voorts te bepalen bij voorlopige voorziening, dat door De EUR uitvoering dient te worden gegeven aan het kort geding vonnis d.d. 5 maart 2021 met zaaknummer 8927221 VV EXPL 20-534, vanaf datum van dit vonnis, dan wel De EUR te veroordelen om:

  1. [eiseres] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in staat te stellen de werkzaamheden met betrekking tot haar functie van [naam functie] op de gebruikelijke wijze bij De EUR te hervatten, met alle faciliteiten en bevoegdheden die [eiseres] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst mocht en mag genieten;

  2. het onder a omschreven onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag (een deel van de dag daaronder begrepen) dat de EUR in gebreke is geheel of ten dele aan dit vonnis te voldoen, alsmede voor iedere dag (een deel van de dag daaronder begrepen) dat het verzuim voortduurt;

  3. aan [eiseres] vanaf 24 november 2020 te voldoen 100% van het overeengekomen loon ad € 6.940,00 bruto per maand en emolumenten (waaronder de vakantietoeslag), tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

  4. aan [eiseres] te voldoen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot en met maximum van 50%, van het onder sub a en b gevorderde vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. aan [eiseres] te voldoen de wettelijke rente over het onder sub c en d gevorderde, vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van De EUR in de kosten van dit geding.

3.2

De EUR heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal per 1 mei 2021 worden ontbonden. De spoedeisendheid van de zaak is daarmee gegeven.

4.2

De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord, is of (de uitvoerbaar bij voorraad verklaring uit) de beschikking van 5 maart 2021, op de voet van artikel 438 lid 2 Rv moet worden geschorst totdat in hoger beroep een eindbeschikking zal zijn gewezen.

4.3

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt in een executiegeschil het volgende. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van voormelde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel dient daarbij in beginsel buiten beschouwing te blijven. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd moet de eiser of verzoeker - afgezien van het geval dat de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag - aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat deze zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. In deze zaak leidt vorenstaande tot het volgende.

4.4

Het indienen van hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter schorst, anders dan de hoofdregel van artikel 360 lid 1 Rv bepaalt, de tenuitvoerlegging van die beschikking niet (artikel 7:683 lid 1 BW). Uitvoerbaar verklaring bij voorraad is dus niet nodig. De vraag of de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad al dan niet is gemotiveerd doet derhalve hier niet terzake. Gelet op de hiervoor geschetste maatstaf dient de vraag of er omstandigheden zijn die meebrengen dat het belang van [eiseres] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist zwaarder weegt dan het belang van De EUR bij de tenuitvoerlegging van de beschikking te worden beantwoord. De kans van slagen van het tegen de beslissing door [eiseres] aangewende rechtsmiddel mag hier - zoals onder 4.3. ook al is opgemerkt - daarentegen niet bij worden betrokken.

4.5

In dit geval wegen de belangen van [eiseres] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat deze beschikking direct ten uitvoer kan worden gelegd. Hierbij speelt de omstandigheid - zoals in artikel 7:683 lid 3 BW is bepaald - dat indien de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen, hij de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Wanneer het ontbindingsverzoek in eerste aanleg is toegewezen, dan eindigt daarmee (voor dat moment) de arbeidsovereenkomst. Dit komt de rechtszekerheid van zowel de werkgever als de werknemer ten goede.

4.6

De kantonrechter is voorts van oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in de beschikking van 5 maart 2021. Van een misslag wordt gesproken als er sprake is van een fout die voor eenieder op het eerste gezicht als zodanig herkenbaar is. Hiervan is geen sprake. De door [eiseres] aangevoerde standpunten hebben betrekking op inhoudelijke bezwaren tegen met name r.o. 4.1 van de beschikking van 5 maart 2021. Dat over de beoordeling in de beschikking ook anders zou kunnen worden gedacht, kan niet een grond opleveren voor ingrijpen in de tenuitvoerlegging. Dat raakt aan een oordeel over de juistheid van de beslissing, waarvoor in deze kort geding procedure geen ruimte is. Daarover wordt in hoger beroep beslist.

4.7

Dit betekent dat er geen gegronde redenen zijn om de beschikking van 5 maart 2021 van de kantonrechter te schorsen en er evenmin aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen, zoals door [eiseres] gevorderd.

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

4.9

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De EUR vastgesteld op € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821