Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4363

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/608
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag VOG. Niet in geschil is dat is voldaan aan het objectieve criterium.

Verweerder heeft daarnaast in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat ook aan het subjectieve criterium is voldaan, zodat de gevraagde VOG,

gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden, diende te worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/608

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. G.A. Soebhag,

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 juli 2019 om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een VOG voor een functie als chauffeur om voertuigen van zeeschepen af te rijden via Randstad Nederland. Deze aanvraag is geregistreerd als een aanvraag voor de functie van havenwerker. Op deze aanvraag is het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, goederen, diensten en proces van toepassing verklaard. Eiser krijgt in de uitoefening van zijn functie (indirect) de beschikking over goederen en hij kan gebruik maken van het distributienetwerk van zijn werkgever. Ook heeft eiser toegang tot een bijzondere locatie (de haven) waar hoge veiligheidseisen aan worden gesteld. Verder zou eiser toegang kunnen hebben tot informatie over bijvoorbeeld wanneer zeeschepen precies aankomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft de afgifte van een VOG op grond van artikel 35 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) geweigerd omdat eiser binnen de terugkijktermijn van vier jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) staat geregistreerd wegens een veroordeling op 5 juli 2018 tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar wegens het medeplegen van hennepteelt/aanwezig hebben van drugs. Omdat eiser binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS, is tevens gekeken naar gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS. Hieruit blijkt dat eiser in 2018, 1997 en 1986 met justitie in aanraking is gekomen vanwege het medeplegen van hennepteelt/aanwezig hebben van drugs, het medeplegen van het aanwezig hebben van drugs, openlijke geweldpleging en huisvredebreuk.

3. Eiser stelt dat verweerder bij het beoordelen van het subjectieve criterium ten onrechte is uitgegaan van de datum van het vonnis in 2018. Ook de pleegdatum (1 juli 2017) is volgens eiser relevant in het kader van de te maken belangenafweging. Verder stelt eiser dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet welke criterium verweerder hanteert bij de beoordeling van de vraag of een veroordeling nog te kort geleden is om daarmee te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in

voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen.

4. De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

5.1.

Niet in geschil is dat eiser voldoet aan het objectieve criterium voor weigering van een VOG. Naar het oordeel van de rechtbank – die de beoordeling van verweerder terughoudend dient te toetsen (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3614) – heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat ook aan het subjectieve criterium is voldaan, zodat de gevraagde VOG, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden, diende te worden geweigerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.2.

Op grond van paragraaf 3.3 van de Beleidsregels voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen (beleidsregels) kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

5.3.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser niet alleen binnen de terugkijktermijn, maar ook meerdere keren buiten de terugkijktermijn met justitie in aanraking is gekomen wegens drugsdelicten. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid mee kunnen laten wegen dat, gelet op de hoogte van de opgelegde straf, het binnen de terugkijktermijn gepleegde strafbare feit eiser niet licht is aangerekend en dat eiser op het moment van het bestreden besluit nog in een proeftijd zat. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling van 5 juli 2018 – dan wel sinds het plegen van het strafbare feit op 1 juli 2017, zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft toegelicht – te kort mogen achten om te concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen om een toewijzing van een VOG te rechtvaardigen. Verweerder heeft voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake. Bij de belangenafweging zijn verder de benodigde integriteitseisen in de beoogde functie en de hoge veiligheidseisen die aan de werklocatie worden gesteld van belang. Verweerder heeft de weging daarom in redelijkheid niet in het voordeel van eiser hoeven laten uitvallen. Dat eiser sinds de laatste veroordeling niet meer in aanraking is gekomen met justitie maakt niet dat zijn belang bij de verkrijging van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij de bescherming van het tegen het bij het objectieve criterium vastgestelde risico. Het feit dat eiser een (groot) economisch belang heeft bij de afgifte van de VOG, omdat hij anders zijn baan verliest en niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien, heeft, in het licht van de geschetste omstandigheden, ook niet tot een andere uitkomst in de belangenafweging hoeven leiden. Verweerder hoefde dan ook niet op grond van het subjectieve criterium over te gaan tot afgifte van de VOG.

6. Gelet hierop is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 mei 2021.

De griffier is buiten staat

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert verweerder de afgifte van een VOG indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Op grond van paragraaf 3.1.1 van de beleidsregels geldt in het geval van eiser een terugkijktermijn van vier jaar. Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, worden bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag betrokken. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen dus een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Paragraaf 3.1.2 van de beleidsregels bepaalt – voor zover van belang – dat om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt, als uitgangspunt wordt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg. Wanneer tussen de pleegdatum en de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg een langere periode is verstreken dan twee jaren geldt de pleegdatum als uitgangspunt, tenzij sprake is van zedendelicten als bedoeld in deze beleidsregels en/of fraudedelicten.

Op grond van paragraaf 3.2 van de beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Paragraaf 3.3 van de beleidsregels bepaalt dat op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Paragraaf 3.3.1. bepaalt – voor zover van belang – dat het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.