Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4358

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
9035819
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging VvE-besluit ivm strijd met redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9035819 \ VZ VERZ 21-2032

uitspraak: 10 mei 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [verzoeker 1] ,

2. [verzoeker 2] ,

beiden wonende te [woonplaats verzoekers] ,

verzoekers,

gemachtigden: mr. J.H.C. Rijssenbeek en mr. A. Bedoucha te Amsterdam,

tegen

[verweerster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.C.W. Luijk-van Veldhuizen (Stichting VvE Belang) te Oosterhout.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “ [verzoekers] ” en “ [verweerster] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekers] , met producties, ter griffie ontvangen op 17 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift zijdens [verweerster] , met producties, ter griffie ontvangen op 8 april 2021;

  • -

    de spreekaantekeningen van [verzoekers]

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. [verzoeker 1] is daarbij in persoon verschenen, tezamen met zijn gemachtigden mr. J.H.C. Rijssenbeek en mr. A. Bedoucha. Namens [verweerster] is verschenen [naam 1] , werkzaam bij de bestuurder van [verweerster] , [bedrijf 1] , bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.C.W. Luijk-van Veldhuizen.

Verder zijn verschenen:

  • -

    [naam 2] (eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres 1] );

  • -

    [naam 3] (eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres 2] );

  • -

    [naam 4] (eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres 3] );

  • -

    [naam 5] (eigenaar van het appartementsrecht aan de [adres 3] ).

De mondelinge behandeling in onderhavige zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling ter zake van het door [naam 2] en [naam 6] ingediende verzoekschrift (zaaknummer 9033868 VZ VERZ 21-1980).

Van hetgeen ter zitting is besproken is aantekening gehouden door de griffier.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1.

[verweerster] bestaat uit de eigenaren van de appartementsrechten, rechtgevende op het gebruik van de woningen aan de [adressen] .

2.2.

[verzoekers] zijn eigenaren van het appartementsrecht [adres verzoekers] .

2.3.

Per 1 januari 2020 is de [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) aangesteld als bestuurder van [verweerster] .

2.4.

Op 26 mei 2020 hebben de leden van de kascommissie van [verweerster] , onder wie [verzoeker 1] , besloten af te treden, aan welk besluit ten grondslag is gelegd dat de kascommissie de controle van de financiële cijfers over het boekjaar 2019 niet naar behoren heeft kunnen uitvoeren. [verzoekers] hebben per brief aan [bedrijf 1] van 6 juni 2020 - voor zover van belang - het volgende medegedeeld:

“(…) Op deze ALV van 8 juni is er dus feitelijk geen kascommissie en geen verslag of advies van de kascommissie over de jaarstukken maar zitten we wél met de gebakken peren: uit hoofde van dwingendrechtelijk artikel 2:48 lid 2 BW zit er niets anders op dan dat voor de controle van de jaarstukken door de ALV nu alsnog een accountant wordt aangesteld dan wel dat een nieuwe kascommissie wordt benoemd. (…)”

2.5.

Op 8 juni 2020 heeft een Algemene Ledenvergadering plaatsgevonden. Op deze vergadering zijn een aantal goedkeuringsbesluiten genomen, onder meer ten aanzien van agendapunten 7 (‘Vaststelling van de jaarrekening 2019’), 8 (‘Bestemming exploitatieresultaat 2019’) en 9 (‘Décharge bestuur over 2019’). Deze besluiten zijn genomen zonder het verplichte verslag van een kascommissie.

2.6.

Naar aanleiding van een door [verzoekers] ingediend verzoekschrift tot vernietiging van de hiervoor genoemde besluiten, heeft [bedrijf 1] een nieuwe vergadering ingepland op

22 september 2020, tijdens welke vergadering een nieuwe kascommissie is benoemd en besloten is dat er over de goedkeuring van het financieel jaarverslag over het boekjaar 2019, het exploitatieresultaat over het boekjaar 2019 en het verlenen van décharge aan het bestuur over 2019 nieuwe besluiten zullen moeten worden genomen. Daartoe is een nieuwe vergadering gepland op 17 december 2020.

2.7.

De kascommissie heeft op 23 november 2020 een verslag betreffende het boekjaar 2019 ingediend, waarvan de inhoud - voor zover van belang - als volgt luidt:

“(…) Aan de hand van de ontvangen stukken heeft de Kascommissie vastgesteld dat er aan de zijde van het in inmiddels afgetreden bestuur geen sprake is van:

- fraude;

- persoonlijke zelfverrijking;

- overboekingen naar dubieuze rekeningen.

(…)

Uit de administratie is gebleken dat [verweerster] NIET belast is voor werkzaamheden, die voor

rekening van de eigenaren zelf (zouden) zijn.

(…)

De Kascommissie heeft geen disputen, claims en onrechtmatigheden kunnen ontdekken in

de administratie.

(…)

De banksaldi van de ING en ABN over 2019 sluiten aan en de overlopende rentes op “Nog te betalen” en “Nog te ontvangen” geboekt. (…)”

2.8.

Voorafgaand aan de vergadering van 17 december 2020 hebben [verzoekers] op 10 december 2020 een e-mail aan [bedrijf 1] gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Er zijn mij enkele zaken niet duidelijk in het verslag van de kascommissie en ik heb enkele opmerkingen daarbij. Hieronder tref je mijn vragen en opmerkingen daarover. Zou je zo goed willen zijn om de vragen en opmerkingen tevens ter beantwoording naar de kascommissie door te sturen met het verzoek om ze voor 17 december schriftelijk te beantwoorden?

(…)

1. Het vergaderdocument van de ‘Afgebroken werkzaamheden van de op 26 mei 2020 afgetreden Kascommissie 2019’ dat alle leden bij de ALV van 8 juni hebben gekregen signaleert een gat van in totaal ruim €600 tussen de banksaldi per 31/12/2018 (ABNAMRO) c.q. per 1/1/2019 (ING) van de jaarrekening 2018 en de opgave van de banken. Bij het goedkeuringsbesluit van de jaarrekening 2018 is daar geen melding van gedaan en de jaarrekening 2019 opent met dat gat van ruim €600.

VRAGEN:

a. a) Kan de kascommissie waarvan de 2 leden ook in de kascommissie 2018 zaten uitleggen hoe het kan dat deze basale afwijkingen op de begin- en eindstanden niet zijn opgemerkt?

b) Zo deze wel zijn opgemerkt waarom worden ze dan niet als zodanig in het controleverslag benoemd?

II. Over het bovenstaand gat van ruim €600 stelt de kascommissie in haar punt f. “Aansluiting van de banksaldi op de balans 2018 met de banksaldi op de balans 2019 etc..” en dat de saldi zouden aansluiten. Dit is onjuist. De banksaldi in de jaarrekeningen sluiten niet aan met de opgave van de banken per 31/12/2018 en 31/12/2019. Tussen de beginstand en eindstand van de ING betaalrekening zit in 2019 -€1.574,93. Het vergaderstuk “ING 2019.pdf’ geeft een totaal van mutaties van -€1.050,89. Een gat in de aansluiting derhalve van €524,04.

VRAAG:

• Kan de kascommissie toelichten waarom zij verklaart dat de banksaldi aansluiten terwijl dat niet zo is en [naam 7] dit zelf erkent dat dit niet had moeten plaatsvinden?

III. In hetzelfde document van de “Afgebroken werkzaamheden van de op 26 mei 2020 afgetreden Kascommissie 2019” wordt gesignaleerd dat bij de schilderwerkzaamheden van 2019 houtreparaties zijn verricht voor schade als gevolg van de privé zonneschermen en dat de kosten daarvan op grond van artikel 4 van het huishoudelijk reglement (hhr) voor rekening en risico van de eigenaren in privé dienen te komen.

VRAGEN:

a. a) Heeft de kascommissie dit onderzocht?

b) Heeft de kascommissie daarvoor bij ter zake doende partijen informatie ingewonnen?

c) waarom heeft de kascommissie geen informatie ingewonnen bij de op 26 mei afgetreden kascommissie over haar waarnemingen die deugdelijk zijn gedocumenteerd en onomstotelijk vaststaan?

d) Heeft de kascommissie vastgesteld dat [bedrijf 2] de betreffende kosten heeft afgesplitst van de factuur voor [verweerster] en dat de kosten van de artikel 4 reparaties aantoonbaar voor rekening en risico van de betreffende eigenaren aantoonbaar in privé zijn gebracht c.q. zijn gekomen?

e) Zo ja welk bedrag is daar in totaal mee gemoeid?

f) Is het de kascommissie bekend dat een besluit in strijd met artikel 4 van het huishoudelijk reglement nietig is?

g) Zijn de kascommissie in het kader van de controle op de juistheid en rechtmatigheid van posten andere zaken bekend die in 2019 hebben plaatsgevonden?

IV. Spiegelbeeldig aan de positieve controle op de juistheid dient de kascommissie in het kader van de negatieve controle op de volledigheid o.a. na te gaan dat geen kosten of verplichtingen die wettelijk, reglementair of in redelijkheid voor gemeenschappelijke rekening dienen te komen op leden in privé zijn of worden verhaald of afgewenteld.

VRAAG:

• Zijn de kascommissie in dit kader, zoals in het verleden diverse malen is gebeurd maar niet in de controle verslagen werd gesignaleerd, kosten of verplichtingen bekend die wettelijk, reglementair of in redelijkheid voor gemeenschappelijke rekening dienen te komen maar die toch op leden in privé zijn of worden verhaald of afgewenteld?

V. In haar verslag staan enkele op de man gespeelde opmerkingen.

VRAAG:

• Kan de kascommissie uitleggen waarom zij zich ervoor heeft geleend om haar verslag als podium open te stellen voor op de man gespeelde aantijgingen waarvan in de kascommissie uit de eerste hand bekend is welke aantijgingen uit hun context zijn gerukt en welke uit welke hoek komen? De kascommissie heeft zich daarbij kennelijk niet gerealiseerd dat zij de waarde van haar verslag daarmee heeft laten reduceren tot die

van een partijmanifest?

VI. De kascommissie stelt dat zij aan de hand van de ontvangen stukken heeft vastgesteld dat er van de zijde van het inmiddels afgetreden bestuur geen sprake is van fraude, persoonlijke zelfverrijking of overboekingen naar dubieuze rekeningen en heeft verder geen kritische opmerkingen over het inmiddels afgetreden bestuur.

VRAGEN:

a. a) Heeft de kascommissie in het kader van de volledigheid niet alleen naar de ontvangen stukken gekeken maar ook zelfstandig een objectieve, onpartijdige en onafhankelijke negatieve controle uitgevoerd?

b) Zijn de kascommissie naar eer en geweten van het afgetreden bestuur geen acties of pogingen bekend die als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt?

c) Zijn de kascommissie naar eer en geweten geen strafbare feiten of delicten (in het recht omschreven gedragingen waarop straf gesteld is) bekend van het inmiddels afgetreden bestuur zoals al dan niet vve brede aantijgingen, acties, mails of geschriften waarbij de goede naam van een lid bewust met aantoonbare onwaarheden wordt aangetast zonder dat dit een algemeen (vve) belang dient?

d) Zo ja, welke feiten zijn de kascommissie dan bekend?

e) Zo nee, hoe beoordeelt de kascommissie dan de aan de 12 leden gerichte mails van 27

mei 2019 en 3 juni 2019 van het inmiddels afgetreden bestuur?

 Is het kascommissie bekend dat de breukdelen volstrekt irrelevant zijn aan de hand waarvan het inmiddels afgetreden bestuur in de mail van 3juni 2019 met berekeningen vaststelt dat de door de rechter fout bevonden formule in bepaalde jaren niet is toegepast?

 Is het de kascommissie bekend dat om vast te stellen of in enig jaar de formule is toegepast je genoeg hebt aan de totale jaarcontributie algemeen en de totale jaarcontributie lift van dat jaar?

 Is het de kascommissie bekend dat bij een totale jaarcontributie algemeen van afgerond 89% van de totale jaarcontributie en een totale jaarcontributie lift van afgerond 11% dat daarmee vaststaat dat de formule in dat jaar is toegepast? Hetgeen consistent is met de door de rechter verworpen stelling van het bestuur dat de formule door de splitsingsacte zou zijn voorgeschreven en de toepassing daarvan in het verleden dus verplicht was?

 Is het de kascommissie bekend dat bij controle op het bovenstaande blijkt dat de in de jaren 2009 t/m 2015 aan voornoemde percentages van 89% en 11% wordt voldaan?

 Is het de kascommissie bekend dat in de laatste jaren voorafgaand aan 2015 als gevolg van de toepassing van de formule en de daaruit voortvloeiende niet kostendekkende totale contributies lift oplopende verliezen in de liftexploitatie zowel werden begroot al gerealiseerd?

 Is het de kascommissie bekend dat het bestuur met ingang van 2016 uitvoering heeft gegeven aan de rechterlijke beschikking en de begrotingen middels een verhoging van de liftcontributies en een verlaging van de algemene contributie kostendekkend zijn opgesteld?

 Is het de kascommissie bekend dat ingaande 2016 bijgevolg geen exploitatieverliezen lift meer werden gerealiseerd?

f) Dan de beschuldigingen in dezelfde mail van 3 juni 2019 aan mijn adres dat ik de rechter in woord en geschrift over de formule zou hebben voorgelogen.

 Kan de kascommissie de beschuldigingen “in geschrift” van de mail van 3 juni ook aanwijzen in het toenmalige verzoekschrift?

 Is het de kascommissie bekend dat het afgetreden bestuur daar in zijn verweerschrift met geen woord over rept?

 Is het de kascommissie bekend dat het afgetreden bestuur met betrekking tot de beschuldigingen in de mail van 3 juni 2019 van de leugens “in woord” tijdens de hoorzitting geen woord van protest heeft geuit?

 Is het de kascommissie bekend dat het afgetreden bestuur niet tegen de beschikking in beroep is gegaan?

 Is het de kascommissie bekend dat het bestuur in een email zelf heeft geconcludeerd dat die zogenaamde leugens tijdens de hoorzitting logischerwijs niet kunnen zijn gemaakt? (…)”

2.9.

Op 17 december 2020 heeft de nieuwe vergadering plaatsgevonden. De notulen van de vergadering luiden - voor zover van belang - als volgt:

“(…) Het verslag van de kascommissie is toegevoegd aan de vergaderstukken.

Het advies aan de leden is om décharge te verlenen aan de bestuurder. In reactie op het verslag worden er door enkele leden meerdere vragen gesteld die tijdens de beraadslaging worden besproken:

Allereerst worden de vragen van [verzoeker 1] besproken, welke waren toegevoegd aan de vergaderstukken. Daarbij heeft [verzoeker 1] nog een aanvullende opmerking: hij geeft aan te hebben geconstateerd dat na de ledenvergadering van 22 september in de balans wijzigingen zijn aangebracht om het gesignaleerde gat van €600 in de bank te verhullen waarover door de kascommissie niets gemeld wordt in haar verslag. De voorzitter vraagt de kascommissie om hierop te reageren. [naam 4] geeft aan dat punt 1 t/m 4 van de vragenlijst een herhaling is van de vragen die eerder door [verzoeker 1] zijn gesteld. Deze vragen zijn

meegenomen door de kascommissie en zijn behandeld in het verslag. Hier is tevens een overzicht terug te vinden met alle gemaakte doorbelastingen. De kascommissie heeft geen facturen aangetroffen die niet ten laste van [verweerster] zou moeten komen. [naam 4] wil benadrukken dat hij de discussie zou willen afronden, ook omwille van het prettig samenwonen. Hij geeft aan de vraag onder punt V niet te begrijpen en dat het zijn inziens geen zin heeft de vragen te beantwoorden, omdat het toch nooit goed is.

[naam 9] geeft aan 15 jaar in het bestuur te hebben gezeten en betalingen te hebben verricht. Ze is ontsteld om te horen dat er gesuggereerd wordt dat er geld achterover zou worden gedrukt. Ze benadrukt dat het bestuur nog nooit een Euro rijker is geworden van [verweerster] .

[verzoeker 1] reageert: hij geeft aan dat hij dit niet beweert met zijn gestelde vragen, of dit althans niet bedoeld heeft. De hoofdzaak van zijn vragen is dat er volgens hem kosten gemaakt zijn voor beschadigingen die door zonneschermen zijn veroorzaakt. Deze worden niet verantwoord in het jaarverslag. [naam 2] voegt hier aan toe dat het Huishoudelijk Reglement tijdens de werkzaamheden al bestond. Hierin is opgenomen dat

schade ontstaan door op- en aanbouwingen voor rekening en risico van de betreffende eigenaar komen. Hij blijft er bij dat er houtrot is geweest veroorzaakt door de zonneschermen, en is het niet eens met het antwoord van [naam 4] .

[naam 8] geeft aan dat er in dit geval aangetoond moet worden dat er daadwerkelijk schade is ontstaan door de zonneschermen. Dit is, gezien de werkzaamheden al enige tijd geleden tijd zijn afgerond, op dit moment lastig te achterhalen. Aan de hand van de facturen is niet niet te achterhalen. In de toekomst zal dit anders moeten; de aannemer zal moeten worden geinstrueerd om te onderzoeken wat de oorzaak van de

houtrot is.

[verzoeker 1] geeft aan dat de kascommissie informatie had kunnen inwinnen bij de op 26 mei afgetreden kascommissie, omdat deze over aanvullende informatie beschikt. Tevens is hij van mening dat de kascommissie niet verder heeft gekeken dan de stukken die aan de kascommissie zijn gepresenteerd; negatieve controle is belangrijk. Zo beschikt hij over foto’s van de beschadigingen. Hij heeft zelf een technische partij benaderd om een schatting te maken van wat de kosten zouden kunnen geweest. Dit valt nagenoeg mee, maar dit veranderd niets aan het principe dat de kosten toch zouden moeten zijn doorbelast.

Ten slotte vraagt [verzoeker 1] via de chat om als opmerking in de notulen op te nemen dat zijn vragen beschouwd kunnen worden als een motie van wantrouwen over de onpartijdigheid, onafhankelijkheid, objectiviteit, integriteit en betrouwbaarheid van het onderzoek van deze kascommissie als basis voor een goedkeuring van de jaarcijfers. Ook is hij van mening dat de reactie van de kascommissie hierover alleen maar verdere twijfels oproept.

De voorzitter geeft aan dat er geen kwalificaties zijn om onderdeel te zijn voor de kascommissie. Wel adviseert hij om in de toekomst te kijken of dit op een manier gedaan kan worden waar iedereen vrede mee heeft. De kascontrole kan bijvoorbeeld ook gedaan worden door een accountantskantoor.

De voorzitter benadrukt dat het oordeel van de oorzaak van ontstane schades overgelaten moeten worden aan de aannemer. Nergens staat zwart op wit of er kosten zijn gemaakt voor herstel van schades die door de zonneschermen zijn ontstaan. [verzoeker 1] heeft aangegeven dit te hebben onderzocht en dat deze niet noemenswaardig zijn. Het is belangrijker om naar de toekomst te kijken om onduidelijkheden hierover te voorkomen. (…)”

2.10.

Ter vergadering van 17 december 2020 zijn vervolgens door [verweerster] goedkeuringsbesluiten genomen, waarbij - onder meer - akkoord is gegaan met het financieel jaarverslag over het boekjaar 2019 (punt 7 van de notulen), met het toevoegen van het positieve exploitatieresultaat aan de algemene reserve/liftreserve (punt 8 van de notulen) en met het verlenen van décharge aan het bestuur ten aanzien van het boekjaar 2019 (punt 9 van de notulen).

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1.

[verzoekers] hebben verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de (goedkeurings)besluiten van de vergadering van [verweerster] van 17 december 2020,

opgenomen onder punten 7, 8 en 9 van de notulen van die vergadering, te vernietigen

wegens strijdigheid met artikelen 2:8 BW en 2:15 BW;

II. [verweerster] te veroordelen tot:

  • -

    het inschakelen van een externe accountant ter beoordeling van de jaarcijfers van 2019, waarna een accountantsverklaring zal worden afgegeven zoals bedoeld in artikel 2:48 lid 2 jo. artikel 2:393 lid 1 BW;

  • -

    het, binnen een maand na ontvangst van voornoemde accountantsverklaring,

uitschrijven van een nieuwe ledenvergadering waarin opnieuw over de vernietigde

besluiten dient te worden gestemd; en

III. [verweerster] te veroordelen in de kosten van het geding;

3.2.

Aan hun verzoeken hebben [verzoekers] - voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

De besluiten, die op de vergadering van 17 december 2020 door [verweerster] zijn genomen, zijn genomen in strijd met de op grond van artikel 2:8 BW vereiste redelijkheid en billijkheid. Er is sprake van moeizame verhoudingen binnen [verweerster] . De leden van [verweerster] gedragen zich niet jegens elkaar zoals door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid om voorbij te gaan aan de belangen van [verzoekers] en consequent te stemmen over (goedkeurings)besluiten, terwijl er aan de zijde van [verzoekers] nog onbeantwoorde vragen zijn.

3.3.

Voorafgaand aan de vergadering van 17 december 2020 hebben [verzoekers] een aantal vragen gesteld omtrent de financiële cijfers over 2019. Op die vragen is geen of onvoldoende antwoord gegeven. Daarnaast is er tijdens de vergadering nauwelijks ruimte geweest voor overleg of beraadslagingen. Er is bovendien geen aandacht geschonken aan de door [verzoekers] ingezonden stukken, zodat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [verzoekers] [verweerster] had bij afweging van de betrokken belangen niet tot de genomen besluiten kunnen komen.

3.4.

[verzoekers] acht het van groot belang dat de jaarcijfers van 2019 kloppen en van toelichting worden voorzien. Nu er geen vertrouwen is in de juistheid van de cijfers en het bestuur van [verweerster] en de kascommissie weigerachtig blijven antwoorden op de gestelde vragen te geven, is het noodzakelijk dat er een externe accountant wordt ingeschakeld om daarover duidelijkheid te verkrijgen.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer van [verweerster] strekt tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekers] , met veroordeling van [verzoekers] in de kosten van deze procedure. Daartoe heeft [verweerster] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

De vaststelling van de jaarcijfers over 2019 is gebaseerd op feiten en staat los van de onderlinge verhoudingen tussen de leden van [verweerster] onderling en het bestuur. De in geding zijnde besluiten zijn met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen in een vergadering waarin ten minste de helft van het totaal aantal stemmen kon worden uitgebracht.

4.2.

Tijdens de vergadering van 17 december 2020 zijn de door [verzoekers] gestelde vragen besproken. De leden van de kascommissie hebben daarbij aangegeven dat de vragen (ook) zijn meegenomen en behandeld in het verslag van de kascommissie. Op alle vragen is gereageerd. Voorts hebben alle leden tijdens de vergadering de tijd gehad vragen te stellen. De beraadslagingen hebben 1,5 uur geduurd. De door [verzoekers] ingezonden stukken zijn in de notulen onder punt 3 vermeld als ‘ingekomen stukken’ en deze zijn tijdens de vergadering besproken. Tijdens de vergadering is voornamelijk over deze stukken gesproken.

5. De beoordeling

5.1.

Artikel 5:130 lid 2 BW bepaalt dat een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit kennis heeft genomen of kennis heeft kunnen nemen. Als onweersproken staat vast dat [verzoekers] eerst na toezending van de notulen op 19 januari 2021 bekend zijn geworden met de op de vergadering van 17 december 2020 genomen besluiten. Nu het verzoekschrift van [verzoekers] op 17 februari 2021 ter griffie is ontvangen, stelt de kantonrechter vast dat het verzoek tijdig is gedaan.

5.2.

De kantonrechter is op grond van artikel 2:15 BW, in samenhang gelezen met artikel 5:130 BW, bevoegd een besluit van de vergadering van [verweerster] te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of de wijze van totstandkoming in strijd is met de voornoemde gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de vergadering van [verweerster] bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

5.3.

Uit de processtukken en het ter zitting verhandelde is genoegzaam gebleken dat er minst genomen sprake is van vertroebelde verhoudingen tussen [verzoekers] en [naam 2] c.s. enerzijds en de overige leden van [verweerster] anderzijds. Aan de verzoeken is door [verzoekers] ten grondslag gelegd dat de besluiten op de vergadering van 17 december 2020 in strijd met de redelijkheid en billijkheid tot stand zijn gekomen. Het enkele feit dat er sprake is van een moeizame verhouding binnen [verweerster] betekent echter nog niet dat er ter vergadering in strijd met de redelijkheid en billijkheid is gehandeld.

5.4.

In het kader van de genoemde moeizame verhoudingen binnen [verweerster] is door [verzoekers] nog aangehaald dat er door het (toenmalige) bestuur geen uitvoering zou zijn gegeven aan de beschikking van de kantonrechter van 25 mei 2016. De vraag of er wel of geen uitvoering is gegeven aan hetgeen in die beschikking is bepaald en in hoeverre dit invloed heeft op de uiteindelijke jaarcijfers van 2019 raakt voornamelijk de inhoud van de ter vergadering genomen besluiten. De inhoud van de besluiten is echter thans niet ter beoordeling aan de kantonrechter voorgelegd. Thans ligt (slechts) ter beoordeling aan de kantonrechter voor of de besluiten wegens de wijze van totstandkoming in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

5.5.

Vast staat dat [verzoekers] voorafgaand aan de vergadering en in reactie op het verslag van de kascommissie een aantal vragen hebben voorgelegd, ten aanzien waarvan zij stellen dat deze niet of onvoldoende zijn beantwoord.

5.6.

Ten eerste is door [verzoekers] het door hen geconstateerde financiële ‘gat’ van € 600,00 tussen de jaarrekening van 2018 en de jaarrekening van 2019 aan de orde gesteld. De kantonrechter constateert dat de kascommissie er in haar verslag blijk van heeft gegeven de mutaties op de diverse betaal- en vermogensrekening van ABN AMRO en ING te hebben gecontroleerd alsmede de overlopende rentes, waarbij zij geconstateerd heeft dat de banksaldi op de balans van 2018 aansluiten op de banksaldi op de balans van 2019. Uit de notulen van de vergadering van 17 december 2020 blijkt voorts dat het ‘financiële gat’ ook besproken is ter vergadering. Daarnaast is door [verweerster] in haar verweerschrift en door [naam 4] ter mondelinge behandeling namens de kascommissie nader toegelicht dat het ‘gat’ van € 600,00 slechts een vergissing betrof, veroorzaakt door een onjuiste boeking van een tweetal VvE-bijdragen. Door [verzoekers] is bovendien ter mondelinge behandeling erkend dat dit geen invloed heeft op de vermogenspositie van [verweerster] . Juist nu het geen invloed heeft op de vermogenspositie van [verweerster] kan dit naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie leiden dat de besluiten ten aanzien van de jaarcijfers over 2019 in strijd met de redelijkheid en billijkheid tot stand zijn gekomen, nog daargelaten dat uit het kasverslag en de notulen reeds volgt dat de vragen van [verzoekers] op dit punt genoegzaam aan de orde zijn gekomen.

5.7.

Ten tweede hebben [verzoekers] vragen gesteld ten aanzien van de kosten van de uitgevoerde houtrotreparaties, welke volgens [verzoekers] slechts in rekening gebracht dienden te worden bij de eigenaren, bij wie de reparaties zijn verricht. In het verlengde daarvan hebben [verzoekers] tevens gevraagd of er sprake is geweest van (andere) kosten, die voor gemeenschappelijke rekening dienden te komen, doch desondanks op afzonderlijke leden van [verweerster] zijn afgewenteld. Ook op deze punten is de kascommissie reeds in haar verslag ingegaan, nu daaruit volgt dat zij een controle op het onderscheid tussen privé- en gemeenschappelijke kosten heeft uitgevoerd aan de hand van offertes, facturen en andere relevante documenten, waarbij door de kascommissie geconstateerd is dat [verweerster] niet belast is voor werkzaamheden die feitelijk voor rekening van de afzonderlijke eigenaren zouden moeten komen. Blijkens de notulen zijn de vragen van [verzoekers] ook ter vergadering besproken - hetgeen ter zitting ook door [verzoekers] is erkend - en is er daarbij (uitvoerig) gediscussieerd over de vraag of de houtrot wel of niet veroorzaakt is door de zonneschermen van de betreffende eigenaren. Dat de uiteindelijke conclusie ter vergadering, dat niet meer te achterhalen is wat de exacte oorzaak van de houtrot is, wellicht niet het antwoord is waar [verzoekers] op hadden gehoopt, doet er niet aan af dat de vragen van [verzoekers] op dit punt wel degelijk in voldoende mate zijn behandeld in het verslag van de kascommissie en ter vergadering van 17 december 2020.

5.8.

Voorts hebben [verzoekers] vragen gesteld over door de kascommissie in haar verslag opgenomen persoonlijke opmerkingen aan het adres van [verzoekers] . De kantonrechter neemt aan dat [verzoekers] hiermee doelen op hetgeen in de alinea’s onder het kopje ‘Nog even dit’ is vermeld. Afgezien van de vraag of dergelijke opmerkingen thuis horen in een financieel verslag van de kascommissie, ziet de kantonrechter niet in hoe deze opmerkingen invloed of relevantie hebben voor het goedkeuren van de besluiten ten aanzien van de jaarcijfers van 2019 en de wijze waarop deze besluiten tot stand zijn gekomen. Het toont veeleer aan, zoals hiervoor ook al is geconstateerd, dat er sprake is van moeizame verhoudingen binnen [verweerster] , maar dit betekent niet dat de uiteindelijke besluiten daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen.

5.9.

Daarnaast hebben [verzoekers] vragen gesteld in het kader van het onderzoek naar mogelijke fraude, persoonlijke zelfverrijking of overboekingen naar dubieuze rekeningen door het in juli 2019 afgetreden bestuur van [verweerster] . De kascommissie heeft in dat kader in haar verslag vermeld dat zij, aan de hand van de ontvangen stukken, heeft vastgesteld dat er aan de zijde van het afgetreden bestuur geen sprake is van fraude, persoonlijke zelfverrijking of overboekingen naar dubieuze rekeningen. Ook overigens heeft de kascommissie geen onrechtmatigheden kunnen ontdekken in de administratie. Uit punt 6 van de notulen van de vergadering van 17 december 2020 volgt dat ook deze kwestie besproken is ter vergadering, gezien de opmerkingen van [naam 9] , oud-bestuurslid van [verweerster] , over dit onderwerp. Nu voldoende gebleken is dat de in dit kader gestelde vragen van [verzoekers] aan de orde zijn geweest, kan de stelling van [verzoekers] , inhoudende dat zijn vragen op dit punt niet zijn beantwoord, geen stand houden.

5.10.

Het bovenstaande leidt er naar het oordeel van de kantonrechter toe dat niet gebleken is dat de door [verzoekers] gestelde vragen niet of onvoldoende zijn beantwoord voorafgaande aan de besluitvorming ter vergadering. Voldoende gebleken is dat de vragen zowel in het verslag van de kascommissie als ter vergadering van 17 december 2020 uitvoerig aan de orde zijn gekomen en zijn besproken.

5.11.

[verzoekers] hebben voorts gesteld dat er tijdens de vergadering nauwelijks ruimte was voor overleg of beraadslagingen. Uit het hiervoor overwogene volgt reeds dat de vragen van [verzoekers] (uitvoerig) ter vergadering aan bod zijn gekomen. Uit de notulen blijkt voorts dat [verzoekers] ter vergadering meerdere malen en over diverse punten aan het woord zijn geweest, met name omtrent het verslag van de kascommissie (punt 6 van de notulen). Door [verweerster] is onweersproken gesteld dat de beraadslagingen anderhalf uur hebben geduurd en dat alle leden de tijd en gelegenheid hebben gehad vragen te stellen. [verzoekers] hebben onvoldoende gesteld om het tegendeel te kunnen aannemen. De stelling van [verzoekers] dat er nauwelijks ruimte was voor overleg of beraadslagingen zal dan ook worden verworpen.

5.12.

Ten slotte hebben [verzoekers] gesteld dat er ter vergadering geen of nauwelijks aandacht is geschonken aan ingekomen stukken. Op dat punt heeft te gelden dat in de notulen de door [verzoekers] geformuleerde vragen voor de kascommissie onder punt 3 staan vermeld als ‘ingekomen stuk’. Uit punt 6 blijkt dat de vragen vervolgens ook ter vergadering zijn besproken. In dat verband heeft [verweerster] bovendien onweersproken gesteld dat tijdens de anderhalf uur durende vergadering voornamelijk de door [verzoekers] ingezonden vragen aan de orde zijn geweest. Om die reden wordt ook de stelling, dat er geen of nauwelijks aandacht is geschonken aan de ingekomen stukken, verworpen.

5.13.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat niet gebleken is dat de besluiten ter vergadering van 17 december 2020, zoals in de notulen vermeld onder de punten 7 tot en met 9, zijn genomen in strijd met de op grond van artikel 2:8 BW vereiste redelijkheid en billijkheid. Voldoende gebleken is dat kascommissie op deugdelijke wijze verslag heeft gedaan omtrent de jaarcijfers over 2019 en dat hier tijdens de vergadering van 17 december 2020, mede aan de hand van de door [verzoekers] ingebrachte vragen, uitvoerig over is gesproken. [verzoekers] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de leden van [verweerster] - waaronder [verzoekers] - onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om gehoord te worden omtrent de diverse punten, in het bijzonder de jaarcijfers over 2019. Een en ander brengt met zich dat niet gebleken is dat [verweerster] , bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de genomen besluiten heeft kunnen komen. De verzochte vernietiging van de besluiten zal om die reden worden afgewezen.

5.14.

Nu de kantonrechter geen aanleiding ziet de betreffende besluiten te vernietigen, bestaat er dientengevolge ook geen aanleiding [verweerster] te veroordelen tot het inschakelen van een externe accountant teneinde een accountantsverklaring op te laten maken over de jaarcijfers van 2019. Ook dat verzoek zal worden afgewezen.

5.15.

Hetgeen partijen voor het overige nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.16.

[verzoekers] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van [verweerster] worden veroordeeld. Nu [verweerster] ten aanzien van zowel de verzoeken van [verzoekers] als de (identieke) verzoeken van [naam 2] en [naam 6] slechts één verweerschrift heeft opgesteld en beide verzoekschriften gezamenlijk zijn behandeld op dezelfde mondelinge behandeling, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten van [verweerster] in onderhavige procedure te beperken tot één punt gemachtigdensalaris van € 373,00.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzoeken van [verzoekers] af;

veroordeelt [verzoekers] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487