Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4326

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
8757918 CV EXPL 20-4393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van betaling maandelijkse VvE-bijdrage toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8757918 CV EXPL 20-4393

uitspraak: 20 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de vereniging

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: M.C.J.C. van Loon,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats gedaagden],

gedaagden,

die in persoon procederen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagden]’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 1 september 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis;

  4. de conclusie van dupliek.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

[eiseres] vordert – na wijziging van eis – dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 3.305,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2020 tot en met de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de periodieke voorschotbijdragen en opeisbare stookkosten voortvloeiend uit water- en/of elektraverbruik vanaf januari 2021 tot en met de dag van algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

2.2

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden], van rechtswege lid van [eiseres], maandelijks een bijdrage is verschuldigd aan de vereniging op grond van een daartoe strekkend besluit van de vergadering van eigenaars en dat in de betaling van de maandelijkse bijdrage een achterstand is ontstaan. Berekend tot en met de maand december 2020 bedraagt de achterstand € 2.994,97. Daarnaast is een bedrag van € 14,01 verschuldigd ter zake van tot 9 december 2020 vervallen rente en een bedrag van € 296,73 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.3

[gedaagden] stelt hiertegenover deelbetalingen te hebben verricht. Hier wordt later op ingegaan, voor zover relevant.

3. De beoordeling

3.1

Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de betalingsachterstand, berekend tot en met de maand september 2000, een bedrag van € 2.034,87. Bij antwoord heeft [gedaagden] gesteld dat hij op 2 december 2020 een bedrag van € 250,- heeft betaald. Bij repliek heeft [eiseres] haar vordering met genoemd bedrag van € 250,- verminderd, maar de vordering vermeerderd met een bedrag van € 600,-, zijnde de bijdragen over de maanden oktober, november en december 2020. Zonder nadere motivering is dan echter niet te begrijpen waarom ter zake van de achterstand thans € 2.994,97 wordt gevorderd. Uitgaande van een toename van de achterstand met € 600,- en een betaling van € 250,-, bedraagt de achterstand tot en met de maand december 2020 ‘slechts’ € 2.384,87. De vordering wordt dan ook toegewezen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als in het dictum bepaald.

3.2

[gedaagden] heeft bij dupliek gesteld dat er op 13 januari 2021 een bedrag van € 200,- is overgemaakt alsmede eenmalig een bedrag van € 600,-. Verder zou nu iedere maand de verschuldigde bijdrage van € 200,- worden betaald. [gedaagden] heeft geen betaalbewijzen overgelegd van deze door haar gestelde betalingen, zodat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat deze bedragen daadwerkelijk betaald zijn. Indien [eiseres] nog betalingen heeft ontvangen die strekken tot betaling van de achterstallige maandelijkse bijdragen, dan dient [eiseres] deze uiteraard in mindering te brengen op de vordering.

3.3

[eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

3.4

De vordering inzake toekomstige, nog te vervallen bijdragen, wordt toegewezen tot het einde van het lopende boekjaar, dan wel zoveel eerder als het lidmaatschap van [gedaagden] zal eindigen. De vordering ter zake van de termijnen nadien zal worden afgewezen.

3.5

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagden] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.695,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 2.384,87 vanaf 10 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagden] aan [eiseres] te betalen de periodieke voorschotbijdragen en opeisbare stookkosten en/of opeisbare kosten voortvloeiend uit water- en/of elektraverbruik vanaf januari 2021 tot en met december 2021, dan wel zoveel eerder als het lidmaatschap van [gedaagden] zal eindigen;

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 109,29 aan dagvaardingskosten en € 405,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645