Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4321

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
C/10/615315 / KG ZA 21-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Intellectueel eigendomsrecht. Auteursrecht. Auteursrechthebbende. Artikel 4 Aw. Artikel 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/615315 / KG ZA 21-217

Vonnis in kort geding van 18 mei 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. F.L.M. van Beek te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE DUBBELDE PALMBOOM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JE ZUSJE B.V.,

beide gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. R.W. de Pater te Breda.

Eiser wordt hierna [naam eiser] genoemd. Gedaagden worden hierna samen als zodanig aangeduid en afzonderlijk als De Dubbelde Palmboom en Zusje.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 april 2021 met producties 1A tot en met 16

  • -

    producties 17 en 18 en een ongenummerde productie van [naam eiser]

  • -

    het verweerschrift van gedaagden met producties 1 tot en met 8

  • -

    een e-mailbrief met 2 ongenummerde producties van gedaagden

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 19 april 2021 tijdens welke behandeling de zaak is aangehouden tot 4 mei 2021 te 13:00 uur, in afwachting van de beslissing op het verzet tegen het faillissement van De Dubbelde Palmboom

  • -

    de voortgezette mondelinge behandeling op 4 mei 2021

  • -

    de pleitnota van [naam eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] is werkzaam in de creatieve sector als vormgever en illustrator.

2.2.

[naam eiser] vormde sinds 2014 met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) het [naam collectief] (hierna: [naam collectief] ). In 2016 is [naam 1] uit [naam collectief] gestapt en heeft [naam 3] (‘ [naam 3] ’) zich, indirect, aan [naam collectief] verbonden.

2.3.

[naam collectief] is steeds gedreven in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. [naam bedrijf 1] is vanaf de oprichting van [naam collectief] haar enig aandeelhouder en bestuurder. De aandeelhouders en gezamenlijk bevoegde bestuurders van [naam bedrijf 1] zijn de persoonlijke holdings van [naam eiser] ( [naam bedrijf 2] ) en [naam 2] ( [naam bedrijf 3] ).

2.4.

Op 27 februari 2017 is Zusje opgericht. Vanaf 13 december 2016 heeft Zusje gefunctioneerd als een rechtspersoon in oprichting. De activiteiten van Zusje richten zich op de organisatie van evenementen, waaronder het Reggae Rotterdam Festival (hierna: het Festival). Aandeelhouders van Zusje waren ten tijde van de oprichting, direct of indirect, [naam eiser] , [naam 2] en [naam 3] . Bestuurders van Zusje waren [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en de persoonlijke holding van [naam 3] , [naam bedrijf 4] Zusje is houder van de domeinnaam [domeinnaam] .

2.5.

De eerste editie van het Festival heeft op 30 juli 2017 plaatsgevonden. Promotie vond in 2017 plaats via www.reggaerotterdam.nl en vanaf 2018 via [domeinnaam] . De editie van 2020 heeft geen doorgang gevonden in verband met de coronapandemie.

2.6.

In de periode vanaf 2017 zijn ten behoeve van de promotie en de huisstijl van het Festival verschillende ontwerpen, tezamen het Artwork genoemd, ontworpen en gebruikt. Tot het Artwork behoren (o.a.) de volgende ontwerpen:

Ontwerp logo (hierna: het Logo)

Ontwerp vormgeving.

2.7.

Begin 2020 verbreken [naam 3] en [naam 2] de samenwerking met [naam eiser] . De feitelijke werkzaamheden van [naam eiser] voor [naam collectief] waren al eerder gestopt. [naam eiser] , [naam 3] en [naam 2] zijn in gesprek (geweest) over de verkoop van de aandelen van [naam eiser] in Zusje aan [naam 3] en [naam 2] . Dit overleg heeft nog niet geleid tot wijziging van de aandeelhoudersverhoudingen in Zusje. [naam bedrijf 2] is per 17 april 2020 uitgetreden als bestuurder van Zusje.

2.8.

[naam 3] en [naam 2] hebben op 20 januari 2020 De Dubbelde Palmboom opgericht. De Dubbelde Palmboom is op 13 april 2021 failliet verklaard. Dit faillissement is in de daartegen ingestelde verzetprocedure vernietigd.

2.9.

De Dubbelde Palmboom heeft het Logo op 27 mei 2020 gedeponeerd als Benelux beeldmerk met woordelementen en dit beeldmerk op 1 september 2020 doen inschrijven onder depotnummer [depotnummer] .

2.10.

Tussen partijen is geschil ontstaan over de vraag of [naam eiser] auteursrechthebbende is van het Artwork en, in het vervolg daarvan, of gedaagden vanwege het vermeende (commerciële) gebruik van het Artwork en de inschrijving als beeldmerk en het gebruik van het Logo inbreuk maken op dat auteursrecht. [naam eiser] heeft gedaagden meermaals gesommeerd bedoeld gebruik te staken en gestaakt te houden. Hieraan hebben gedaagden geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagden ieder te bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis iedere inbreuk op de auteursrechten van [naam eiser] te staken en gestaakt te houden en gedaagden ieder te verbieden om in de toekomst inbreuk te maken op de auteursrechten van [naam eiser] , die voorvloeien uit het ten behoeve van het Festival ontworpen Artwork;

  2. gedaagden ieder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, of van € 10.000,00 per keer - dit ter uitsluitende keuze van [naam eiser] -, dat (ieder van) gedaagden het onder 1. gevorderde geheel of gedeeltelijk overtreedt/overtreden, een en ander met een maximum van € 100.000,00, althans zodanige dwangsommen als door de voorzieningenrechter in goede justitie wordt gelast;

  3. de termijn als bedoeld in artikel 1019i lid 1 Rv en in artikel 50 lid 6 van het TRIPS-Verdrag te bepalen op zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het ten deze te wijzen vonnis, althans een zodanige termijn als de voorzieningenrechter in redelijk-heid voorkomt;

  4. gedaagden ieder conform het bepaalde in artikel 1019h Rv hoofdelijk te veroordelen in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die [naam eiser] heeft gemaakt, thans begroot op € 15.000,00, althans gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Ambtshalve overweegt de voorzieningenrechter dat zij bevoegd is tot kennisname van dit geschil, alleen al omdat gedaagden die bevoegdheid niet hebben betwist.

4.2.

Aannemelijk is dat [naam eiser] een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. [naam eiser] beweert immers dat sprake is van een inbreuk op zijn auteursrechten op het Artwork en vraagt de voorzieningenrechter hieraan een einde te maken. Volgens vaste jurisprudentie wordt in een dergelijk geval het spoedeisend belang verondersteld aanwezig te zijn.

4.3.

Voor de toewijzing van de vordering onder 3.1 sub 1 dient de voorzieningenrechter te beoordelen of aannemelijk is dat deze vordering in een eventueel aan te spannen bodemprocedure toewijsbaar is, zodanig dat daarop bij wijze van voorziening bij voorraad vooruit gelopen kan worden. Dit betekent dat de vordering alleen kan worden toegewezen indien aannemelijk is dat aan [naam eiser] auteursrechten op het Artwork, waaronder het Logo, toekomen en dat gedaagden daarop inbreuk maken.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter er op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting vanuit gaat dat [naam eiser] het Artwork feitelijk heeft ontworpen/getekend. Dat Artwork wordt als werk in de zin van de Auteurswet aangemerkt.

4.5.

Om te kunnen bepalen aan wie de auteursrechtelijke bescherming van het Artwork toekomt en wie zich dus kan verzetten tegen mogelijke inbreuk, dient eerst de vraag te worden beantwoord wie als auteursrechthebbende op het Artwork moet worden aangemerkt.

4.6.

Op basis van het bepaalde in artikel 4 Aw wordt als maker beschouwd degene die op of in het werk als zodanig wordt aangeduid of - bij gebreke van een dergelijke aanduiding - degene die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan bekend is gemaakt, een en ander met uitzondering van tegenbewijs.

4.7.

Uit het procesdossier volgt niet dat [naam eiser] op het Artwork zelf of bij de openbaarmaking van het Artwork als maker in de zin van de Auteurswet is aangeduid. [naam eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook gezegd dat hij zijn naam er niet op vermeld heeft. [naam eiser] maakt voorts weinig duidelijk over zijn hoedanigheid ten tijde van de totstandkoming van het Artwork en de afspraken die al dan niet zijn gemaakt over de auteursrechtelijke aspecten met betrekking tot (het gebruik van) het Artwork en de financiële gang van zaken. Dit lag, gelet op de relevantie daarvan voor de beoordeling van de door [naam eiser] ingestelde vorderingen, als eerste op zijn weg. Dat leidt tot het voorlopige oordeel dat [naam eiser] zijn stelling dat hij als (vermoedelijk) auteursrechthebbende dient te worden aangemerkt, niet aannemelijk heeft gemaakt. De mailwisseling van april 2020, waar [naam eiser] een beroep op doet, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel het daar gaat om overdracht, wordt daarin immers ook het standpunt ingenomen dat een deel van het Artwork is verweven met de organisatie, waarmee blijkbaar – zoals hierna nog aan de orde komt – op [naam collectief] wordt geduid.

Feitelijk heeft [naam eiser] het tegenovergestelde bepleit. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij niet alleen op eigen titel werkte, maar ook voor en ten behoeve van [naam collectief] , en dat hij in het geval van een op eigen naam gecreëerd ontwerp daarop altijd zijn signatuur zet. Zoals hiervoor al is overwogen is van een dergelijke signatuur op de ontwerpen niet gebleken. Uit de uitingen in de verschillende door gedaagden overgelegde projectplannen van het Festival door de jaren heen blijkt bovendien dat “de vormgeving en visuele campagne omtrent het festival (…) essentieel [zijn] en (…) in nauw overleg [is] uitbesteed aan [naam collectief] ”. Gesteld noch gebleken is dat die plannen zonder wetenschap en instemming van [naam eiser] zijn opgesteld. Hij heeft de inhoud van deze producties ook niet betwist. Dit alles, getoetst aan artikel 8 Aw, lijkt er op te wijzen dat het makerschap en de auteursrechten (mogelijk) bij de niet in dit kort geding betrokken rechtspersoon [naam collectief] berusten. Pas als dat vaststaat, kan desgewenst aan een beoordeling van de rechtsgeldigheid van de door [naam eiser] bij dagvaarding als productie 12 overgelegde onderhandse overdrachtsakte van 29 juli 2017 worden toegekomen. Dat is nu (nog) niet het geval.

4.8.

Op dit moment is dus niet inzichtelijk wie het anderen kan verbieden om het Artwork zonder toestemming openbaar te maken of te kopiëren. Dit leidt er toe dat de vordering van [naam eiser] onder 3.1 sub 1 (gebod inbreuk te staken) wordt afgewezen. Hetzelfde lot treft de vordering onder 3.1 sub 2 (dwangsom). Op de stellingen van [naam eiser] die het gestelde depot te kwader trouw van het Logo als beeldmerk betreffen en die stellingen die de beweerdelijke persoonlijkheidsrechten van [naam eiser] op grond van artikel 25 lid 1a Aw aangaan, hoeft de voorzieningenrechter niet in te gaan, ook al niet omdat in verband daarmee geen vorderingen zijn ingesteld.

4.9.

[naam eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Zusje vordert een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. Zij heeft haar kosten - voorzien van een onderbouwing - begroot op in totaal € 10.025,00 (exclusief BTW). [naam eiser] heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

Gelet op de indicatietarieven waarin voor dit soort eenvoudige kort gedingen de maximale advocaatkosten op € 6.000,00 zijn vastgesteld, begroot de voorzieningenrechter de kosten van Zusje op € 6.000,00 (exclusief btw), te vermeerderen met het griffierecht van € 667,00.

De proceskosten van De Dubbelde Palmboom worden, gelet op haar stelling dat Zusje de proceskosten draagt, begroot op nihil.

De door gedaagden gevorderde nakosten, voor zover deze op dit moment al kunnen worden begroot, en de over de nakosten gevorderde wettelijke rente worden toegewezen op de manier zoals in de beslissing is bepaald.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Zusje tot op heden begroot op € 6.667,00 en aan de zijde van De Dubbelde Palmboom op nihil,

5.3.

veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.1734/2009