Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4307

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
C/10/602120 / HA ZA 20-779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn ladingbelanghebbenden bij lading die aan boord van het ms. AS Fortuna werd vervoerd op het moment waarop de AS Fortuna strandde. Gedaagde is geregistreerd eigenaresse van de AS Fortuna. Na de stranding van de AS Fortuna is hulp verleend en hebben ladingbelanghebbenden een schikking bereikt over de afwikkeling van het hulploon voor de lading.

Ladingbelanghebbenden hebben een incident ex artikel 843a Rv opgeworpen, dat deels wordt toegewezen. Gedaagde heeft een incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten (dat op verzoek van partijen is aangehouden), een bevoegdheidsincident en een incident ex artikel 843a Rv opgeworpen.

In het bevoegdheidsincident overweegt de rechtbank dat het weliswaar denkbaar is dat ladingbelanghebbenden en vervoerders bij overeenkomst in de cognossementsvoorwaarden exclusief de rechter van een vreemde staat als bevoegde rechter hebben aangewezen en dat gedaagde via een Himalaya-clausule op deze forumkeuzebedingen een beroep kan doen, maar het is in dit geval aan gedaagde om te stellen en te onderbouwen dat en welke partijen, met betrekking tot welke rechtsbetrekking bij uitsluiting een rechter van een vreemde staat hebben aangewezen, alsmede dat en waarom gedaagde een beroep toekomt op deze tussen ladingbelanghebbenden en vervoerders overeengekomen forumkeuzebedingen. Gedaagde heeft te dien aanzien niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan, nu gedaagde geen enkele vervoers- en exploitatieketen inzichtelijk heeft gemaakt.

Hiermee heeft gedaagde geen belang meer bij toewijzing van haar vordering ex artikel 843a Rv, terwijl ook overigens onvoldoende is geconcretiseerd dat gedaagde bepaalde bescheiden vordert die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij zij partij is in de zin van artikel 843a Rv (vgl. Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251). De subsidiaire vordering in het bevoegdheidsincident tot aanhouding van de zaak is in het geheel niet onderbouwd.

Ook onvoldoende onderbouwd is het standpunt van gedaagde dat ladingbelanghebbenden misbruik maken van procesrecht door de in Singapore aanhangige beperkingsprocedure te negeren en hun vordering voor deze en een drietal andere rechtbank aanhangig te maken.

Ladingbelanghebbenden hebben ten aanzien van het door hun opgeworpen 843a Rv-incident het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv voldoende aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/602120 / HA ZA 20-779

Vonnis in incident van 12 mei 2021

in de zaak van

1.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

LO TRADING,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

COMPANIA MINERA ANTAMINA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MS AMLIN LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TRAVELLERS INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

2.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX INC,

gevestigd te Doral, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX PERU S.A.C.,

gevestigd te Limatambo, Surquillo, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

3.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX INC,

gevestigd te Doral, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX PERU S.A.C.,

gevestigd te Limatambo, Surquillo, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

4.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CEKAL SPECIALITIES INC.,

gevestigd te Mount Holly, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CPPQ S.A. (QROMA),

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MUNICH RE SYNDICATE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

5.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

T&M INVESTMENTS OF MIAMI D/B/A CD DISTRIBUTION,

gevestigd te Doral, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CD DISTRIBUTION PERU S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

BEAZLEY GROUP LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

6.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLOBAL INDUSTRIAL PARTS CORP.,

gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

EMPRESA MINERA LOS QUENUALES S.A.,

gevestigd te Lima, Peru

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

NAVIGATORS INTERNATIONAL INSURANCE COMPANY LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

7.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GORMAN-RUPP PUMPS,

gevestigd te Mansfield, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

COMPANIA MINERA ANTAPACCAY S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

NAVIGATORS INTERNATIONAL INSURANCE COMPANY LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

8.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

OPERADORA Y PROCESADORA DE PRODUCTOS MARINOS OMARSA S.A.,

gevestigd te Guayas, Duran, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GOLDEN STAR TRADING & SHIPPING INVESTMENT JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Haiphon City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

9.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

OPERADORA Y PROCESADORA DE PRODUCTOS MARINOS OMARSA S.A.,

gevestigd te Guayas, Duran, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DAI THIEN HA JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Ka Long Ward Mong Cai City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

10.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

OPERADORA Y PROCESADORA DE PRODUCTOS MARINOS OMARSA S.A.,

gevestigd te Guayas, Duran, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

HOANG CAU TRADING JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Hai Phong City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

11.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PROCESADORA DE MARISCOS DE EL ORO PROMAORO S.A.,

gevestigd te Parroquia Jeli, Santa Rosa, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DAI THIEN HA JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Ka Long Ward Mong Cai City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

12.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PROCESADORA DE MARISCOS DE EL ORO PROMAORO S.A.,

gevestigd te Parraquia Jeli, Santa-Rosa, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DAI THIEN HA JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Ka Long Ward Mong Cai City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

13.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PROCESADORA DE MARISCOS DE EL ORO PROMAORO S.A.,

gevestigd te Parroquia Jeli, Santa-Rosa, Ecuador,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DAI THIEN HA JOINT STOCK COMPANY,

gevestigd te Ka Long Ward Mong Cai City, Vietnam,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS ECUADOR S.A.,

gevestigd te Guayaquil, Ecuador,

14.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PARAGON FILMS INC,

gevestigd te Broken Arrow, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AR PACK S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

15.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PANIFICADORA GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

16.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

LPM GLOBAL INC,

gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TRUPAL S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

17.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PANIFICADORA GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

18.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TRUPAL S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

19.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AGROINDUSTRIAL DEL PERU S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

20.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

YURA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

21.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CAL & CEMENTO SUR S.A.,

gevestigd te San Roman, Puno, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

22.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMTRADE INTERNATIONAL, INC,

gevestigd te Coral Gables, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

23.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

RLE INTERNATIONAL INC,

gevestigd te Doral, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

IPH AGENCIA DE CARGA S.A.C.,

gevestigd te Callo, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

24.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PPC BROADBAND INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CISCO SYSTEMS, INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

ARRIS SOLUTIONS INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TVC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

e. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMERICA MOVIL PERU S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

f. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

25.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DOW SILICONES CORPORATION,

gevestigd te Shepherdsville, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DISAN PERU S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

26.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MICRO MOTION, INC,

gevestigd te Dock Doors, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

EMERSON PROCESS MANAGEMENT MICRO MOTION INC.,

gevestigd te Chihuahua, Mexico,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

EMERSON PROCESS MANAGEMENT DEL PERU S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

27.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

DISTRISERVICES S.A. COLOMBIA,

gevestigd te Cartagena, Columbia,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AUTOMOTIVE AFTERMARKET MEXICO S DE RL DE CV,

gevestigd te Cuautitlán Izcalli, Mexico,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

REFAX PERU S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

28.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INDUSTRIAL DISTRIBUTORS INTERNATIONAL CO,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GOLD FIELDS LA CIMA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

29.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INDUSTRIAL DISTRIBUTORS INTERNATIONAL CO,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GOLD FIELDS LA CIMA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

30.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMERICAN CRAFTS L.C.,

gevestigd te Cincinnati, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

ELLISON EDUCATIONAL EQUIPMENT INC,

gevestigd te Lake Forest, Verenigde Staten van Amerika,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

KABUKY S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB SEGUROS COLUMBIA S.A.,

gevestigd te Bogota, Columbia,

31.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX INC,

gevestigd te Doral, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTCOMEX PERU S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Dublin, Ierland,

32.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INGRAM MICRO S.A.C.,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INGRAM MICRO S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

33.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INGRAM MICRO S.A.C.,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INGRAM MICRO S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

34.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SAINT GOBAIN ABRASIVES INC,

gevestigd te Worchester, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SAINT GOBAIN PERU S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

35.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SAINT GOBAIN ABRASIVES INC,

gevestigd te Worchester, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SAINT GOBAIN PERU S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

36.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SYSCO INTERNATIONAL FOOD GROUP INC,

gevestigd te Jacksonville, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INVERSIONES PECUARIAS LURIN S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

QBE INSURANCE EUROPE LTD.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

d. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

LIBERTY CORPORATE CAPITAL LIMITED FOR AND ON BEHALF OF SYNDICATE 4472 AT LLOYD’S OF LONDON,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

37.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

POLO EXPRESS INTERNATIONAL CORP,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

KMC INTERNATIONAL S.A.C.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MUNICH RE SYNDICATE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

38.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

SPACE AUTO & PARTS EXPORT INC,

gevestigd te Miami Beach, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MOTORAMA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MUNICH RE SYNDICATE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

39.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TAMPICO BEVERAGES INC,

gevestigd te Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

40.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TAMPICO BEVERAGES INC,

gevestigd te Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

41.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PEREZ TRADING COMPANY INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GRAFIPAPEL S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

42.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PEREZ TRADING COMPANY INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GRAFIPAPEL S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

43.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PEREZ TRADING COMPANY INC,

gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GRAFIPAPEL S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

44.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TAMPICO BEVERAGES INC,

gevestigd te Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

45.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

TAMPICO BEVERAGES INC,

gevestigd te Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLORIA S.A.,

gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

gevestigd te Lima, Peru,

46.

a. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INTERCONTINENTAL LINES CORP,

Gevestigd te Miami, Verenigde Staten van Amerika,

b. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

INCA LINES S.A.C.,

Gevestigd te Lima, Peru,

c. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

CHUBB PERU S.A. COMPAÑIA DE SEGUROS Y REASEGUROS,

Gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

verweersters in de incidenten,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

[bedrijf A]

,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

eiseres in de incidenten,

advocaat mr. P.J. Hoepel te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ladingbelanghebbenden en [bedrijf A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 mei 2020, met producties L-1 tot en met L-11, alsmede het herstelexploot van 28 juli 2020;

  • -

    de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidsstelling voor proceskostenveroordeling, exceptie van onbevoegdheid tevens houdende incidentele vordering ex art. 843a Rv, en voorwaardelijke conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv, met producties ASF-1 en ASF-2;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende vordering tot zekerheidstelling voor proceskostenveroordeling, exceptie van onbevoegdheid en incidentele vordering ex art. 843a Rv, met productie L-12;

  • -

    de conclusie van repliek in het incident strekkende tot onbevoegdheid;

  • -

    de conclusie van dupliek in het incident strekkende tot onbevoegdheid;

  • -

    de B16-formulieren van ladingbelanghebbenden en [bedrijf A] waarbij zij om aanhouding van het incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten hebben verzocht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1.

Als gesteld en onvoldoende (gemotiveerd) betwist, geldt uitsluitend ten behoeve van deze incidenten, het volgende.

2.2.

Ladingbelanghebbenden zijn belanghebbenden bij lading die aan boord van het ms [naam schip] werd vervoerd op het moment waarop de [naam schip] strandde. [bedrijf A] is geregistreerd eigenaresse van de [naam schip] .

2.3.

Op 13 september 2018 is de [naam schip] kort na vertrek uit de haven van Guayaquil, Ecuador, gestrand. T&T Salvage heeft hulp verleend op basis van een Lloyd’s Open Form (hierna: LOF). In box 2 van het LOF staat onder meer:

“Property to be salved:

The vessel: [naam schip] (…)

Her cargo freight bunkers stores and any other property thereon but excluding the personal effects or baggage of passengers master or crew”

2.4.

Ladingbelanghebbenden hebben, samen met andere belanghebbenden bij de lading op de [naam schip] , op 28 juni 2019 met T&T Salvage een schikking bereikt over de afwikkeling van het hulploon voor de lading. Iedere ladingbelanghebbende diende op basis van de schikking 27,31072589% van de geredde waarde van zijn lading aan de hulpverlener T&T Salvage te betalen. Namens ladingbelanghebbenden is in verband met deze schikking een totaal bedrag van USD 1.037.239,89 betaald.

2.5.

In verband met de stranding van de [naam schip] en de daaruit voortvloeiende aanspraken hebben [bedrijf A] en [bedrijf B] . in Singapore een verzoek ingediend tot globale beperking van hun aansprakelijkheid op basis van de Singaporese Merchant Shipping Act. Dit verzoek is op 26 november 2019 toegewezen door de Singaporese rechtbank.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

Ladingbelanghebbenden vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [bedrijf A] aansprakelijk is tegenover ladingbelanghebbenden, althans tegenover één of meer ladingbelanghebbenden, voor de door ladingbelanghebbenden, althans één of meer van hen, als gevolg van het voorval geleden schade en de gemaakte kosten, waaronder begrepen de kosten van de Engelse advocaten, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat;

  2. [bedrijf A] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hieraan hebben ladingbelanghebbenden ten grondslag gelegd dat zij met T&T Salvage een schikking hebben getroffen ten aanzien van de hulploonbijdrage voor de lading, als gevolg waarvan ladingbelanghebbenden een bedrag van US$ 1.037.239,89 hebben voldaan. Volgens ladingbelanghebbenden is [bedrijf A] aansprakelijk voor de gevolgen van de stranding van de [naam schip] tegenover ladingbelanghebbenden. Ladingbelanghebbenden hadden geen overeenkomsten met [bedrijf A] . Blijkens een casualty report was er sprake van een ‘total blackout’ (een uitval van stroom en/of vermogen). Hieruit volgt volgens ladingbelanghebbenden dat het schip onzeewaardig was en dat [bedrijf A] tekort is geschoten in haar zorgplicht, op grond waarvan [bedrijf A] aansprakelijk is voor de door ladingbelanghebbenden geleden schade.

4. Het geschil in de incidenten

In het door ladingbelanghebbenden opgeworpen incident ex artikel 843a Rv

4.1.

Ladingbelanghebbenden vorderen dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [bedrijf A] veroordeelt en op straffe van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [bedrijf A] in gebreke blijft, gelast, binnen zeven dagen na het vonnis de expertiserapporten, inclusief bijlagen, voor- en tussenberichten ter zake de stranding van het ms. " [naam schip] " en het onderzoek naar de oorzaak opgesteld, en alle correspondentie ter zake het incident met het ms. " [naam schip] " en het onderzoek naar de oorzaak met de experts gevoerd, aan ladingbelanghebbenden ter beschikking te stellen;

  2. [bedrijf A] veroordeelt en op straffe van een dwangsom van € 50.000 voor elke dag dat [bedrijf A] in gebreke blijft, gelast binnen zeven dagen na het vonnis tot het afgeven van een verklaring met alle expertisebureaus die door haar, althans door haar verzekeraars zijn ingeschakeld om de oorzaak van het voorval te onderzoeken;

  3. [bedrijf A] veroordeelt en op straffe van een dwangsom van € 50.000 voor elke dag dat [bedrijf A] in gebreke blijft gelast binnen zeven dagen na het vonnis alle documenten en informatie zoals opgenomen en uiteengezet in de als productie L-11 overgelegde e-mail van master mariner [persoon C] met betrekking tot het voorval met het ms. " [naam schip] " aan ladingbelanghebbenden ter beschikking te stellen;

  4. [bedrijf A] veroordeelt in de kosten van dit incident.

4.2.

Hieraan hebben ladingbelanghebbenden kort samengevat ten grondslag gelegd dat zij er belang bij hebben om precies te weten wat zich voorafgaand aan, gedurende en na de periode van het vervoer heeft afgespeeld, om hun vorderingen in de hoofdzaak te kunnen onderbouwen.

4.3.

[bedrijf A] heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze incidentele vorderingen van ladingbelanghebbenden, met veroordeling van ladingbelanghebbenden in de kosten van het incident bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

In het door [bedrijf A] opgeworpen incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 Rv

4.4.

[bedrijf A] vordert, kort samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de in paragrafen 3.2 en 3.3 van haar incidentele conclusie genoemde ladingbelanghebbenden hoofdelijk, althans gezamenlijk, althans één of meer van hen beveelt zekerheid te stellen voor de proceskostenveroordeling ten gunste van [bedrijf A] .

4.5.

Op eenstemmig verzoek van [bedrijf A] en ladingbelanghebbenden zal de beslissing in dit incident worden aangehouden.

In het door [bedrijf A] opgeworpen bevoegdheidsincident

4.6.

[bedrijf A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

I. primair, zich ten aanzien van ladingbelanghebbenden onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil, met veroordeling van ladingbelanghebbenden in de kosten van het incident;

II. subsidiair, de zaak aanhoudt totdat de gerechten in Miami, New York en Hong Kong over hun bevoegdheid hebben geoordeeld en, indien een of meer van deze gerechten zich bevoegd verklaart, zich alsnog onbevoegd verklaart ten aanzien van een of meerdere ladingbelanghebbenden, met veroordeling van ladingbelanghebbenden in de kosten van het incident.

4.7.

[bedrijf A] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat deze rechtbank niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen ingevolge artikel (5 lid 1 en) 25 Brussel I bis, althans artikel 8 lid 2 Rv. [bedrijf A] heeft toegelicht dat haar bekend is en dat ook uit een brief van een advocaat van ladingbelanghebbenden blijkt dat ladingbelanghebbenden partij zijn bij vervoerovereenkomsten met verschillende containervervoerders, in het kader waarvan cognossementen zijn uitgegeven. Hoewel [bedrijf A] niet over de vervoerovereenkomsten, noch over de cognossementen beschikt, is het [bedrijf A] bekend dat ladingbelanghebbenden vervoerovereenkomsten hebben gesloten met onder meer APL, ONE en Seaboard Marine. In de standaard cognossementsvoorwaarden die deze vervoerders hanteren, zijn forumkeuzebedingen opgenomen voor andere gerechten dan rechtbank Rotterdam. Volgens [bedrijf A] komt haar op basis van de Himalaya-clausules in de cognossementsvoorwaarden tussen ladingbelanghebbenden en de vervoerders een beroep toe op de in die voorwaarden opgenomen forumkeuzebedingen. [bedrijf A] geldt immers als subcontractor of hulppersoon onder deze voorwaarden, zodat [bedrijf A] middels de Himalaya-clausules derdenwerking kan ontlenen aan de forumkeuzebedingen. De forumkeuzebedingen wijzen onder meer rechtbanken te New York, respectievelijk Miami aan als bevoegde gerechten. Rechtbank Rotterdam is derhalve niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.8.

Ladingbelanghebbenden voeren verweer, strekkende tot afwijzing van het de incidentele vorderingen van [bedrijf A] . Ladingbelanghebbenden hebben hiertoe aangevoerd dat [bedrijf A] niet heeft aangetoond dat er sprake is van een forumkeuzebeding en hoe dat beding precies luidt, dat dit forumkeuzebeding naar het toepasselijke recht rechtsgeldig is overeengekomen, dat het exclusief is en dat [bedrijf A] zich erop kan beroepen. Hoewel [bedrijf A] de op internet gepubliceerde voorwaarden van APL, ONE en Seaboard Marine heeft overgelegd, heeft [bedrijf A] niet onderbouwd dat ladingbelanghebbenden partij zijn bij vervoerovereenkomsten met deze voorwaarden, terwijl [bedrijf A] als scheepseigenaar dergelijke documenten van haar bevrachter had kunnen verkrijgen. Ladingbelanghebbenden hebben voorts betwist dat zij contracten hebben met APL en ONE. Daarnaast heeft [bedrijf A] niet aangetoond dat de Himalaya-clausules in de cognossementsvoorwaarden naar het toepasselijke recht ook zien op de forumkeuzebedingen in die voorwaarden. Voorts hebben zij toegelicht dat de forumkeuzebedingen niet rechtsgeldig overeen zijn gekomen, aangezien er geen contractuele relatie bestaat tussen [bedrijf A] en ladingbelanghebbenden.

Zij hebben hiertoe aangevoerd dat [bedrijf A] niet heeft aangetoond dat [bedrijf A] rechtsgeldige en exclusieve forumkeuzes overeen zijn gekomen en dat (ook) [bedrijf A] zich er naar het toepasselijke recht op kan beroepen.

In het door [bedrijf A] opgeworpen incident ex artikel 843a Rv

4.9.

[bedrijf A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ladingbelanghebbenden hoofdelijk, althans één of meer van hen, veroordeelt, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- (zegge; vijftigduizend euro) voor elke dag dat zij in gebreke blijven om binnen zeven dagen na het door de rechtbank te wijzen vonnis, tot afgifte en terbeschikkingstelling aan [bedrijf A] van:

  1. de cognossementen (house of master b/l’s) die zijn uitgegeven door de betreffende vervoerders (waaronder begrepen maar uitdrukkelijk niet beperkt tot, APL, ONE en Seaboard Marine) voor of met betrekking tot de vervoerovereenkomsten waar ladingbelanghebbenden, althans hun rechtsvoorgangers, partij bij zijn, voor het vervoer van de lading waarbij ladingbelanghebbenden een belang hebben, althans hadden, aan boord van de [naam schip] ten tijde van het voorval op 13 september 2018;

  2. voor zover er voor of met betrekking tot de vervoerovereenkomsten die ladingbelanghebbenden, althans hun rechtsvoorgangers, hebben gesloten geen cognossementen zijn uitgegeven, verzoekt [bedrijf A] overlegging van de sea waybills, vrachtbrieven of andersoortige en/of vergelijkbare vervoerdocumentatie die is afgegeven voor het vervoer van de lading waarbij ladingbelanghebbenden een belang hebben, althans hadden, aan boord van de [naam schip] ten tijde van het voorval op 13 september 2018;

met veroordeling van ladingbelanghebbenden in de kosten van het incident.

4.10.

Hieraan heeft [bedrijf A] kort samengevat ten grondslag gelegd dat de onbevoegdheid van de rechtbank uit de door [bedrijf A] verzochte vervoersdocumentatie blijkt, zodat [bedrijf A] recht heeft op en belang heeft bij deze stukken.

4.11.

Ladingbelanghebbenden hebben geconcludeerd tot afwijzing van deze incidentele vorderingen, kort samengevat aanvoerende dat niet aan de voorwaarden van art. 843a Rv is voldaan.

4.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in de incidenten

5.1.

De rechtbank ziet aanleiding eerst het door [bedrijf A] opgeworpen bevoegdheidsincident te beoordelen.

In het bevoegdheidsincident en het door [bedrijf A] opgeworpen 843a Rv-incident

5.2.

Hier is sprake van een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis) die aanhangig is gemaakt na 10 januari 2015, het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening (art. 66 en 81 Brussel I bis). Brussel I bis is derhalve in beginsel materieel en ook temporeel van toepassing. Zij is tevens formeel van toepassing, omdat de gedaagde in de hoofdzaak, [bedrijf A] , gevestigd is op het grondgebied van een lidstaat, te weten Nederland (art. 4 jo. art. 5 Brussel I bis).

5.3.

Ladingbelanghebbenden hebben de rechtsmacht van de Nederlandse rechter gegrond op artikel 4 lid 1 Brussel I bis, nu [bedrijf A] in Nederland gevestigd is. Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank op deze grond en ingevolge artikel 625 Rv bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, als [bedrijf A] geen beroep toekomt op de door haar genoemde forumkeuzebedingen.

5.4.

Volgens de stellingen van [bedrijf A] bevatten de cognossementsvoorwaarden waarop zij zich beroept forumkeuzebedingen voor gerechten van niet-EU-lidstaten, zodat het beroep op de forumkeuzebedingen dient te worden beoordeeld op basis van artikel 8 lid 2 Rv. Bij de uitleg hiervan zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de interpretatie die door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) aan de parallelle voorschriften uit de Europese instrumenten is of wordt gegeven (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 111-112).

5.5.

Het is vaste rechtspraak dat een opvolgend cognossementhouder gebonden kan zijn aan een forumkeuzebeding in een cognossement (onder het regime van Brussel I bis volgt dit uit HvJ EG 19 juni 1984, NJ 1984,735 (Tilly Russ/Nova), HvJ EG 16 maart 1999, NJ 2001, 116 (Castelletti/Trumpy) en HvJ EG 9 november 2000, NJ 2001, 599 (Coreck/Handelsveem)). Voor die gebondenheid aan het forumkeuzebeding is vereist - behalve dat de derde houder van het cognossement in de rechten en plichten van de afzender is getreden - dat de forumkeuze tussen de afzender en de vervoerder rechtsgeldig is overeengekomen. Artikel 8 lid 2 Rv verlangt in dat kader een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter die voldoet aan de daarin genoemde vormvoorschriften. Die vormvoorschriften hebben ten doel dat kan worden vastgesteld dat tussen de contractspartijen werkelijk overeenstemming bestaat over de aanwijzing van het forum. Die geldigheid dient te worden beoordeeld in het kader van de rechtsverhouding tussen partijen die het beding zijn overeengekomen op grond van het op die rechtsverhouding toepasselijke recht (vgl. Gerechtshof Den Haag 26 juni 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5585).

5.6.

De rechtbank merkt op dat naar Nederlands recht binnen de internationale vervoerpraktijk is aanvaard dat de via Himalaya-clausules bedongen toepasselijkheid van cognossementscondities in beginsel mede het forumkeuzebeding omvat (vgl. Hof ’s-Gravenhage 19 december 1995, S&S 1996, 77 (Bertram Rickmers)). Het is derhalve in zoverre denkbaar dat ladingbelanghebbenden en bepaalde containervervoerders met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking bij overeenkomst in de cognossementsvoorwaarden bij uitsluiting een rechter van een vreemde staat hebben aangewezen. Voorts is denkbaar dat [bedrijf A] via een Himalaya-clausule een beroep toe kan komen op dergelijke forumkeuzebedingen. Bovenstaande uitgangspunten kunnen echter anders zijn op grond van een ander, op de rechtsverhouding toepasselijk, recht dan het Nederlandse recht. Het is in dit kader aan [bedrijf A] om te stellen en onderbouwen dat en welke partijen, met betrekking tot welke rechtsbetrekking bij uitsluiting een rechter van een vreemde staat hebben aangewezen, alsmede dat en waarom [bedrijf A] een beroep toekomt op deze tussen ladingbelanghebbenden en vervoerders overeengekomen forumkeuzebedingen.

5.7.

De rechtbank stelt vast dat [bedrijf A] niet voldaan heeft aan de op haar rustende stelplicht en overweegt daartoe als volgt. De ladingbelanghebbenden hebben onbetwist gesteld dat zij geen contractuele relatie met [bedrijf A] hebben. De rechtbank gaat er, gelet op de stellingen van partijen, voorts van uit dat er verschillende schakels in de vervoersketen zitten tussen de reder, als eigenaar van de [naam schip] , en de ladingbelanghebbenden. Deze vervoersketen zal per ladingbelanghebbende kunnen bestaan uit verschillende exploitatie- en/of vervoersovereenkomsten, waaronder een cognossement. Dit laatste document zou mogelijk een forumkeuzebeding kunnen inhouden en een Himalaya-clausule waarop [bedrijf A] een beroep wenst te doen. [bedrijf A] heeft in haar processtukken echter geen enkele vervoersketen inzichtelijk gemaakt. Meer in het bijzonder heeft zij niet inzichtelijk gemaakt door wie er cognossementen zijn afgegeven, en dat en waarom [bedrijf A] hierop als reder, naast de vervoerders en mogelijk – dit is niet inzichtelijk gemaakt – eventuele charterers, een beroep kan doen op grond van het op de betreffende rechtsverhouding toepasselijke recht. Dat of waarom [bedrijf A] in het kader van de Himalaya-clausules als hulppersoon zou gelden, is in het geheel niet onderbouwd. Het lag op de weg van [bedrijf A] , die zich wenst te beroepen op forumkeuzebedingen, om het bestaan ervan en de mogelijkheid dat haar een beroep op die bedingen toekomt, voldoende aannemelijk te maken. Dat [bedrijf A] niet de beschikking heeft over de precieze vervoerdocumenten doet daaraan niet af nu, zoals ook ladingbelanghebbenden onbetwist hebben gesteld, het op de weg van [bedrijf A] als reder had gelegen om in dit bevoegdheidsincident meer inzicht in de vervoersketen te bieden en haar stelling dat deze, op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis bevoegde rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren vanwege (exclusieve) forumkeuzebedingen waarop [bedrijf A] een beroep kan doen, meer te concretiseren dan zij thans gedaan heeft. Bovendien is niet duidelijk dat, of waarom, [bedrijf A] zonder de vervoerdocumenten niet een begin van inzicht zou kunnen verschaffen in de vervoersketen.

Vanwege het niet voldoen aan de stelplicht zal de primaire vordering van [bedrijf A] , dat deze rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren, worden afgewezen. Zij heeft dan ook geen belang bij toewijzing van de 843a Rv-vordering. Los daarvan geldt dat [bedrijf A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bepaalde bescheiden vordert die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij zij partij is in de zin van artikel 843a Rv (vgl. Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251).

5.8.

[bedrijf A] heeft haar subsidiaire vordering in het bevoegdheidsincident, tot aanhouding totdat de gerechten in Miami, New York en Hong Kong over hun bevoegdheid hebben geoordeeld, in het geheel niet onderbouwd. Zo heeft [bedrijf A] niet toegelicht of de procedures in Miami, New York en/of Hong Kong eerder zijn aangebracht dan de hoofdzaak bij deze rechtbank, noch dat in die procedures een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning, en in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is (artikel 12 Rv). Daarmee zal ook de subsidiaire vordering worden afgewezen.

Misbruik van procesrecht

5.9.

[bedrijf A] heeft nog aangevoerd dat ladingbelanghebbenden misbruik maken van procesrecht door de beperkingsprocedure in Singapore te negeren en hun vordering voor deze, en een drietal andere rechtbanken, aanhangig te maken.

5.10.

Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.

5.11.

Met het oog op vorengenoemde terughoudendheid en de uit vaste jurisprudentie volgende eis dat sprake moet zijn van evidente ongegrondheid van de vordering, kan niet gezegd worden dat sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van ladingbelanghebbenden, nu niet is komen vast te staan dat de vordering van ladingbelanghebbenden evident ongegrond is. Ladingbelanghebbenden hebben gemeend dat de beperkingsprocedure in Singapore niet in de weg staat aan het indienen van hun vordering elders. Zij hebben in dit kader gewezen op de in de beperkingsprocedure afgegeven beschikking van de Singaporese rechter. Ook als dit standpunt van ladingbelanghebbenden later onjuist zou worden beoordeeld, maakt dit enkele feit niet dat sprake is van evidente onjuistheid. Dat ladingbelanghebbenden ervoor hebben gekozen om hun vordering niet alleen in Rotterdam, maar voor nog drie andere gerechten aanhangig te maken, levert ook niet zonder meer misbruik van procesrecht op, nu ook in dit kader niet is komen vast te staan dat het instellen van de vordering alhier of elders kansloos is.

5.12.

[bedrijf A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in het bevoegdheidsincident en in het incident ex artikel 843a Rv worden veroordeeld. De kosten van ladingbelanghebbenden worden tot op heden begroot op € 563,- in het bevoegdheidsincident en € 563,- in het incident ex artikel 843a Rv.

In het door ladingbelanghebbenden opgeworpen incident ex artikel 843a Rv

5.13.

Ingevolge artikel 10:3 BW dient deze incidentele vordering te worden beoordeeld naar Nederlands recht. Op grond van artikel 843a Rv dient te worden beoordeeld of (1) ladingbelanghebbenden een rechtmatig belang hebben bij het verkrijgen van (inzage in of) een afschrift van (2) bepaalde bescheiden, die (3) betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij ladingbelanghebbenden partij zijn, en die (4) ter beschikking staan van [bedrijf A] of onder haar berust, terwijl [bedrijf A] het verstrekken van dat afschrift mag weigeren indien (5) daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien (6) het verschaffen van (die inzage of) dat afschrift niet redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht voor een behoorlijke rechtsbedeling. Daarbij heeft als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn (Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251). De artikelen 21 en 22 Rv bieden geen grondslag voor een incidentele vordering.

5.14.

Ladingbelanghebbenden hebben toegelicht dat zij [bedrijf A] aanspreken op een buitencontractuele grondslag, nu de onzeewaardigheid van het schip van [bedrijf A] , althans de schending van haar zorgplicht door [bedrijf A] , de oorzaak is van de schade aan de lading waarbij ladingbelanghebbenden belang hebben.

5.15.

[bedrijf A] heeft ten behoeve van dit incident niet betwist dat er hulp is verleend aan de [naam schip] ; dat ladingbelanghebbenden belang hadden bij de lading die op dat moment aan boord was en dat ladingbelanghebbenden een bijdrage hebben betaald aan de averij grosse althans aan de hulpverlening. Hiermee hebben ladingbelanghebbenden het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv voldoende aannemelijk gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien dat de mogelijkheid van ladingbelanghebbenden om hun vordering tegen de contractuele vervoerders in te stellen, wat daar ook van zij, in de weg zou staan aan het bestaan van een buitencontractuele rechtsbetrekking tussen [bedrijf A] en ladingbelanghebbenden. [bedrijf A] heeft ook voor het overige geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die in de weg zouden kunnen staan aan de door ladingbelanghebbenden aangevoerde rechtsbetrekking.

5.16.

Ladingbelanghebbenden hebben in beginsel een rechtmatig belang bij informatie over de omstandigheden rond en oorzaak van het stranden van de [naam schip] , nu zij deze stukken nodig hebben om hun vorderingen nader te kunnen onderbouwen.

5.17.

[bedrijf A] heeft nog aangevoerd dat zij gewichtige redenen heeft om de gevraagde stukken te weigeren, omdat de stukken geprivilegieerd zijn; dat ladingbelanghebbenden bij toewijzing van hun incidentele vordering in een voordeliger positie komen ten opzichte van partijen die wel in de beperkingsprocedure zijn betrokken, waarmee de procesgang en procesorde van de beperkingsprocedure op onaanvaardbare wijze zou worden doorkruist; dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de verstrekking van de gegevens is gewaarborgd; dat geen sprake is van ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van artikel 843a Rv. [bedrijf A] heeft deze verweren ten behoeve van de concreet gevorderde bescheiden nader geconcretiseerd en daarop zal in het navolgende worden ingegaan.

De vordering onder 1 – de expertiserapporten

5.18.

De vordering ten aanzien van de expertiserapporten, inclusief bijlagen, en eventuele voor- en tussenberichten van die rapporten ter zake van de stranding en ter zake van het onderzoek dat naar de oorzaak is opgesteld, is toewijsbaar. De vordering is voldoende afgebakend naar voorwerp (expertiserapporten, voor- en tussenberichten) en onderwerp (hetgeen is voorgevallen rondom de stranding en de oorzaak van de stranding), terwijl ladingbelanghebbenden een rechtmatig belang hebben bij informatie over het voorval en de oorzaak daarvan. Dat daarbij aspecten kunnen spelen die voor ladingbelanghebbenden niet of minder van belang zouden kunnen zijn, doet hieraan niet af. Dat een conceptrapport of voorbericht vaak nog wordt aangepast, maakt ook niet dat ladingbelanghebbenden geen belang hebben bij inzage erin of afgifte ervan, nu ook een conceptrapport een begin van een onderbouwing van een vordering kan bieden.

[bedrijf A] merkt terecht op dat zij niet kan worden veroordeeld tot afgifte van of het bieden van inzage in stukken waarover zij niet beschikt. Echter, uit de eigen stellingen van [bedrijf A] is op te maken dat zij in ieder geval over (een) conceptrapport(en) beschikt. [bedrijf A] zal worden veroordeeld tot terbeschikkingstelling van de (concept)rapporten waarover zij beschikt. Uit de stellingen van partijen maakt de rechtbank op dat ladingbelanghebbenden met ’terbeschikkingstelling’ afschrift van de genoemde bescheiden vordert.

De vordering onder 1 en 2 – de correspondentie en de verklaring

5.19.

De rechtbank is van oordeel dat de door ladingbelanghebbenden gevorderde correspondentie alsmede de opgave van de door of namens [bedrijf A] ingeschakelde experts, dient te worden afgewezen. Volgens de eigen stellingen van ladingbelanghebbenden is hun belang in die stukken gelegen in het kunnen controleren of [bedrijf A] alle stukken heeft verstrekt. Dat is in dit kader zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet als rechtmatig belang te kwalificeren in de zin van artikel 843a Rv. Ook overigens is ten aanzien van deze stukken niet in te zien dat een behoorlijke rechtsbedeling niet zou zijn gewaarborgd zonder verschaffing van deze gegevens.

De vordering onder 3

5.20.

Ladingbelanghebbenden hebben terbeschikkingstelling gevorderd van stukken omschreven in een als productie L11 overgelegde e-mail van master mariner [persoon C] . Dat ladingbelanghebbenden niet precies al de daarin genoemde stukken ook in het lichaam van de dagvaarding hebben genoemd, doet er niet aan af dat ook voor [bedrijf A] uit het petitum van de dagvaarding duidelijk moet zijn geweest dat de vorderingen van ladingbelanghebbenden zien op de in voornoemde e-mail genoemde stukken vorderen. De rechtbank zal hier ook van uitgaan. Ladingbelanghebbenden vorderen de afschrift van

a. a) log books deck and engine;

b) bell (or movement) books deck and engine (or data logger if fitted);

c) master’s report of incident to owners/managers;

d) engine room alarm print out for relevant period;

e) owners’/managers’ internal ISM investigation report;

f) details of the vessel’s auxiliary engines (generators) and records of emergency generator testing and their fuel systems;

g) maintenance, repair and spare parts consumption records for the above (12 months before casualty);

h) records of running (operating) hours for the above (12 months before casualty);

i. i) port state control, US coast guard, flag and class inspection reports (12 months before casualty);

j) crew statements/reports/certificate of competency, and handover reports of chief and second engineers, including reports/statements given to authorities in Ecuador;

k) vessel’s ISM procedures (and checklists) re use of auxiliary engines (generators) and emergency procedures/drills for power failure and loss of propulsion whilst entering/leaving port and when navigating in confined waters;

l) vessel’s ISM procedures re bunker fuel handling and management;

m) relevant bunker sample analyses;

n) copy working chart (and/or ECDIS) and passage plan;

o) voyage data recorder;

p) general arrangement plan;

q) details (and invoices if relevant) of all post incident repairs;

5.21.

[bedrijf A] heeft hier terecht tegen ingebracht dat de onder sub a) en b) genoemde bescheiden onvoldoende bepaald zijn naar tijd, terwijl ladingbelanghebbenden niet hebben onderbouwd dat zij rechtmatig belang hebben bij alle logboeken waarover [bedrijf A] beschikt. Dit deel van de 843a Rv-vordering zal dan ook worden afgewezen.

5.22.

In de mail van [persoon C] is de ‘relevant period’ voor de gevorderde Engine room alarm print zoals onder sub d) verwoord nader toegelicht: het gaat om een print-out van kort voor het voorval tot en met het voorval. Zonder inzicht te hebben in de gegevens waarvan ladingbelanghebbenden terbeschikkingstelling vragen, kan van ladingbelanghebbenden niet worden verwacht dat zij de periode heel precies afbakent, nu zij daarvoor precies die gegevens nodig zouden hebben. Nu voor zowel ladingbelanghebbenden als [bedrijf A] duidelijk is wanneer het voorval heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank ervan uit dat ook voor [bedrijf A] duidelijk moet zijn van welke periode ladingbelanghebbenden de print-out vorderen. Uit de toelichting is op te maken dat ladingbelanghebbenden deze print-out nodig hebben om te kunnen bepalen met welk systeem in de machinekamer problemen waren en waarom de stroomuitval zich voordeed. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vordering ziet op alle systemen uit de machinekamer.

5.23.

Ook de onder sub e) genoemde bescheiden zijn voldoende afgebakend. Hoewel [bedrijf A] terecht opmerkt dat er aan boord van schepen een veelvoud aan ISM-rapportageverplichtingen geldt, hebben ladingbelanghebbenden de rapportage afgebakend tot het op S 9 van de International Safety Management Code (hierna: ISM-Code) gebaseerde rapport ten aanzien van de oorzaak van het voorval. De verder hiertegen ingebrachte en overigens hypothetisch verwoorde verweren van [bedrijf A] bieden de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het rapport niet zou bestaan of dat zij er geen beschikking over zou hebben.

5.24.

Ten aanzien van de bescheiden onder sub g), h) en i) is zijdens ladingbelanghebbenden toegelicht dat de gegevens over een periode van twaalf maanden voorafgaand aan het voorval nodig zijn, om zicht te krijgen op hoe het schip is onderhouden. Dat [bedrijf A] zich afvraagt waarom ladingbelanghebbenden hier een periode van twaalf maanden noemen, maakt niet dat zij niet hebben onderbouwd dat zij belang hebben bij deze bescheiden die zien op een afgebakende langere periode voorafgaand aan het voorval.

5.25.

Ook de onder sub j) genoemde bescheiden zijn voldoende afgebakend, nu uit de toelichting blijkt dat de ‘crew statements’ zien op de bemanningsleden die op het moment van het voorval aan boord waren. Dat ladingbelanghebbenden niet hebben onderbouwd van welke datum deze statements en/of reports zouden dateren, doet er niet aan af dat ladingbelanghebbenden rechtmatig belang heeft bij deze naar concrete personen afgebakende stukken, nu niet kan worden verwacht dat ladingbelanghebbenden hun vorderingen onderbouwen met de informatie die zij verzoeken.

5.26.

Ten aanzien van de onder sub m) genoemde bescheiden blijkt uit de in de mail gegeven toelichting dat het gaat om de bunker sample analyses die zien op de bunkers die op het moment van het voorval aan boord waren, zodat de vordering op bepaalde, afgebakende bescheiden ziet. Ook de toelichting onder sub n) maakt duidelijk dat het om afgebakende bescheiden gaat, namelijk die bescheiden die inzicht geven in de navigatie van de [naam schip] vanaf het vertrek van het schip vanuit Guayaquil, Ecuador, tot en met de stranding. Datzelfde maakt de rechtbank op uit de toelichting op de onder sub o) voyage data recorder, zodat ook dat voldoende is afgebakend.

5.27.

De rechtbank stelt tot slot vast dat [bedrijf A] geen, althans geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen het onder sub c), f), p) en q) gevorderde bescheiden.

5.28.

Nu [bedrijf A] niet heeft gesteld, noch is het gebleken dat een behoorlijke rechtsbedeling voldoende zou zijn gewaarborgd zonder afgifte van voornoemde bescheiden, en nu [bedrijf A] haar stelling dat zij gewichtige redenen in verband met geheimhouding heeft om afgifte van de stukken te weigeren in het geheel niet geconcretiseerd, zal de rechtbank de terbeschikkingstelling van de hiervoor als sub c tot en met sub q) besproken bescheiden toewijzen als gevorderd. [bedrijf A] heeft immers onvoldoende geconcretiseerd dat deze stukken niet langer bestaan of dat zij hier geen beschikking over heeft.

Dwangsom en termijn van afgifte

5.29.

[bedrijf A] heeft gesteld dat de door ladingbelanghebbenden gevorderde dwangsom onredelijk hoog is. De rechtbank ziet aanleiding de dwangsom te matigen in die zin dat een dwangsom van € 10.000,- per dag zal worden opgelegd voor alle vorderingen in dit incident tezamen, met een maximum van € 500.000,-.

5.30.

[bedrijf A] heeft voorts verweer gevoerd tegen de gevorderde termijn van zeven dagen voor afgifte van de documenten. Zij voert in dit kader aan dat het gaat om een grote hoeveelheid documenten, die het nodige zoekwerk en mankracht zal kosten om deze documenten beschikbaar te maken. De rechtbank zal [bedrijf A] , gelet op dit verweer, een termijn geven van 45 dagen om de in dit incident toegewezen documenten ter beschikking te stellen aan ladingbelanghebbenden, welke termijn de rechtbank lang genoeg acht om [bedrijf A] in staat te stellen aan de veroordeling te voldoen.

5.31.

[bedrijf A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in dit door ladingbelanghebbenden opgeworpen incident ex artikel 843a Rv worden veroordeeld. De kosten van ladingbelanghebbenden worden tot op heden begroot op € 563,-.

6. De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van ladingbelanghebbenden, tot op heden begroot op € 563,-,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het door [bedrijf A] opgeworpen incident ex artikel 843a Rv

6.4.

wijst de vordering af,

6.5.

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van ladingbelanghebbenden, tot op heden begroot op € 563,-,

6.6.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tot zekerheidstelling voor proceskosten

6.7.

houdt iedere beslissing aan,

in het door ladingbelanghebbenden opgeworpen incident ex artikel 843a Rv

6.8.

gebiedt [bedrijf A] om binnen 45 dagen na dagtekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan ladingbelanghebbenden van:

  1. de expertiserapporten, inclusief bijlagen, voor- en tussenberichten ter zake de stranding van het ms. " [naam schip] ";

  2. master’s report of incident to owners/managers zoals in productie L-11 omschreven;

  3. engine room alarm print out for relevant period zoals in productie L-11 omschreven;

  4. owners’/managers’ internal ISM investigation report zoals in productie L-11 omschreven;

  5. details of the vessel’s auxiliary engines (generators) and records of emergency generator testing and their fuel systems zoals in productie L-11 omschreven;

  6. maintenance, repair and spare parts consumption records for the above (12 months before casualty) zoals in productie L-11 omschreven;

  7. records of running (operating) hours for the above (12 months before casualty);

  8. port state control, US coast guard, flag and class inspection reports (12 months before casualty) zoals in productie L-11 omschreven;

  9. crew statements/reports/certificate of competency, and handover reports of chief and second engineers, including reports/statements given to authorities in Ecuador zoals in productie L-11 omschreven;

  10. vessel’s ISM procedures (and checklists) re use of auxiliary engines (generators) and emergency procedures/drills for power failure and loss of propulsion whilst entering/leaving port and when navigating in confined waters zoals in productie L-11 omschreven;

  11. vessel’s ISM procedures re bunker fuel handling and management zoals in productie L-11 omschreven;

  12. relevant bunker sample analyses zoals in productie L-11 omschreven;

  13. copy working chart (and/or ECDIS) and passage plan;

  14. voyage data recorder zoals in productie L-11 omschreven;

  15. general arrangement plan zoals in productie L-11 omschreven;

  16. details (and invoices if relevant) of all post incident repairs zoals in productie L-11 omschreven;

6.9.

bepaalt dat [bedrijf A] een dwangsom verbeurt van € 10.000,- voor iedere dag of ieder gedeelte daarvan dat [bedrijf A] niet aan het in 6.8 omschreven gebod voldoet totdat een maximum van € 500.000,- is bereikt,

6.10.

veroordeelt [bedrijf A] in de kosten van dit incident, aan de zijde van ladingbelanghebbenden tot op heden begroot op € 563,-,

6.11.

verklaart de onder 6.8 en 6.10 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.12.

wijst het meer of anders gevorderde in dit incident af,

in de hoofdzaak

6.13.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 juni 2021 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.

3178/2054