Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4262

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/6265
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Terugvordering. Brutering. Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2019 van de Belastingdienst (de Rekenregels). Berekening van de brutering van de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/6265

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. F. Özer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.F. Jim.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 herzien en de in die periode verstrekte bijstandsuitkering tot een bedrag van € 2.753,60 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 14 april 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder de netto terugvordering verhoogd met de loonheffing (€ 1.592,96, brutering) en de bruto terugvordering vastgesteld op € 4.346,56.

Bij besluit van 12 juni 2020 (primair besluit 3) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van € 1.260,-.

Bij besluit van 28 september 2020 (primair besluit 4) heeft verweerder de terugvordering verlaagd naar € 2.609,60.

Bij besluit van 28 september 2020 (primair besluit 5) heeft verweerder het bedrag van de belasting en premies (loonheffing) verlaagd naar € 1.509,65.

Bij besluit van 20 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder:

- de bezwaren tegen primair besluit 1 voor zover gericht tegen de periode en hoogte van de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard;

- de bezwaren tegen primair besluit 2 voor zover gericht tegen de hoogte van de brutering

niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard;

- de bezwaren tegen de primaire besluiten 4 en 5 gedeeltelijk gegrond verklaard. De

hoogte van de netto vordering wordt bepaald op € 2.314,60, de hoogte van de

bruto vordering wordt bepaald op € 3.653,60 en de vordering ziet (naast november

2019 ook) niet op maart 2019. Voor het overige blijven de primaire besluiten 4 en 5 in

stand;

- de bezwaren tegen primair besluit 3 gegrond verklaard. De hoogte van de boete wordt

bepaald op € 630,-. Voor het overige blijft primair besluit 3 in stand.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 maart 2021 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 21 juni 2013 een bijstandsuitkering. Hij is opgeroepen voor een heronderzoek op 21 januari 2020. Na opschorting verscheen hij alsnog op 24 januari 2020.

Eiser is verzocht om bankafschriften over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 in te leveren. Daaruit zijn bijschrijvingen gebleken. Daarom is hij aansluitend verzocht om bankafschriften over de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 in te leveren. Ook hierop zijn bijschrijvingen te zien.

2. Eiser heeft in de gronden van beroep enkel gronden ten aanzien van de brutering aangevoerd. Eiser heeft kort samengevat aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit de brutering heeft aangepast naar € 1.339,-. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet te volgen is dat eiser 57,85% - meer dan een topinkomen - aan belasting en premies dient af te dragen. Dit is onevenredig hoog en daarmee wordt het evenredigheidsbeginsel geschonden. Nu geen sprake is van eenduidig beleid ten aanzien van de brutering is verder sprake van willekeur en schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder heeft geen rekening gehouden met ‘de algemene heffingskorting elders benut’. In een soortgelijk geval heeft verweerder wel rekening gehouden met loonheffing of algemene heffingskorting, zodat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser dient de brutering op grond van de ‘Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2019’ van de Belastingdienst (de Rekenregels) te worden vastgesteld op € 608,10.

In reactie op het verweerschrift heeft eiser aangevoerd dat verweerder de algemene heffingskorting in de nieuwe toekenning niet naar rato heeft aangepast. Volgens eiser is dit onterecht, niet conform de Rekenregels en heeft verweerder in een soortgelijk geval wél de algemene heffingskorting naar rato toegepast bij de berekening van het nieuwe recht, en bij eiser niet. Eiser verwijst in dat kader naar het voorbeeld op pagina 25 van de Rekenregels en een door hem overgelegd verweerschrift in een andere zaak. Eiser handhaaft zijn standpunt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

3. Artikel 58, vijfde lid, van de Pw, bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de vordering kan worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarover de gemeente die de bijstand

verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen

worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen

worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen.

In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat onder de Pw de bruto-terugvordering een discretionaire bevoegdheid van het college is, in het geval dat een vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6096) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin van de Wet werk en bijstand neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet al is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Geen aanleiding bestaat om hierover onder de Pw anders te oordelen.

De rechtbank stelt vast dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en de terugvordering daarom niet buiten zijn toedoen is ontstaan. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om over te gaan tot brutering van het openstaande teruggevorderde bedrag.

4.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de netto vordering verlaagd naar

€ 2.314,60. Het bijbehorende bedrag aan belastingen en premies is bepaald op € 1.339,-. De brutering heeft betrekking op het jaar 2019.

4.2.

Ter zitting heeft verweerder een nieuwe berekening van de brutering van het terug te vorderen bedrag overgelegd, omdat eiser in de maand november 2019 geen bijstand heeft ontvangen. Gelet hierop mocht over de maand november 2019 de algemene heffingskorting niet worden toegepast. Verweerder heeft daarom de algemene heffingskorting vastgesteld op € 2.270,62. Het bijbehorende bedrag aan belastingen en premies heeft verweerder vastgesteld op € 1.013,16 (in plaats van € 1.339,-).

5. De rechtbank stelt evenwel vast dat in deze nieuwe berekening de algemene heffingskorting over de maand maart 2019 is betrokken, terwijl de vordering (naast november 2019) ook niet op maart 2019 ziet. Dit betekent dat de algemene heffingskorting over de maand maart 2019 evenzo buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Reeds gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank zal uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting bezien of zij zelf in de zaak kan voorzien. Zij overweegt daartoe als volgt.

5.1.

De Rekenregels schrijven voor dat de gemeente de hoogte van in vorige kalenderjaren verstrekte en terug te vorderen bijstand berekent door eerst over de (in dit geval in 2019) betaalde bijstandsuitkering de loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen. Vervolgens dient de gemeente te bepalen wat het juiste bedrag aan bijstand (in dit geval in 2019) moet zijn, en berekent hij daarover de bijbehorende loonbelasting/premie

volksverzekeringen. Het bedrag van de bruto terugvordering is het verschil in de netto

bijstand vermeerderd met het verschil in de loonbelasting/premie volksverzekering.

5.2.

De hoogte van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt aan de hand van de volgende formule berekend:

Loonbelasting = (netto belaste bijstand — Q) x E — Q

E = (2019) 57,85%

Q = algemene heffingskorting (2019) = € 2.477,04

Paragraaf 3.2.2 van de Rekenregels schrijft voor dat het percentage over het

jaar 2019 voor de bijstandsgerechtigde jonger dan de AOW-leeftijd 57,85% bedraagt

(onderdeel E van de formule).

Verweerder heeft vastgesteld dat de netto belaste bijstand (bruto uitkering – loonheffing) voor eiser € 11.344 bedraagt (€ 13.998 – € 2.654). De juistheid van dit bedrag is, naar de rechtbank begrijpt uit de nadere reactie van eiser op het verweerschrift, niet langer in geschil. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder voor de vaststelling van dit bedrag gebruik heeft gemaakt van de jaaropgave 2019 van eiser en de rechtbank ook overigens geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van dit bedrag.

Evenmin is in geschil dat de loonbelasting volgens de oude toekenning € 2.652,50 bedraagt. Immers, (€ 11.344 - € 2.477,04) x 57,85% - € 2.477,04 = € 2.652,50.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat de algemene heffingskorting (voor wat betreft de nieuwe toekenning) naar rato dient te worden toegepast. Dit volgt ook uit pagina 12 en 25 van de Rekenregels. De maanden maart en november 2019 dienen daarom buiten beschouwing te worden gelaten; de vordering van verweerder heeft immers geen betrekking op deze twee maanden. De algemene heffingskorting dient aldus naar rato te worden vastgesteld op € 2.064,20 (10 maanden x € 206,42).

Dit betekent dat de loonbelasting volgens het nieuwe recht € 1.965,17 bedraagt. Immers:

€ 11.344 - € 2.314,6 (netto vordering) = € 9.029,40

(€ 9.029,40 - € 2.064,20) x 57,85% - € 2.064,20 = € 1.965,17.

Het verschil tussen oud recht en nieuw recht bedraagt dan € 2.652,50 - € 1.965,17 = € 687,33.

Dit betekent dat het bedrag aan premies en belastingen dient te worden vastgesteld op voornoemd bedrag van € 687,33 (in plaats van € 1.339,- dan wel € 1.013,16 waar verweerder respectievelijk in het verweerschrift dan wel in de ter zitting overgelegde berekening vanuit is gegaan).

Voor de stelling van eiser dat ten onrechte is gerekend met 57,85% (factor E), en dit onevenredig moet worden geacht, ziet de rechtbank geen grond. Dit percentage vloeit immers rechtstreeks voort uit de Rekenregels. Evenmin ziet de rechtbank nog grond voor het oordeel dat de ‘algemene heffingskorting elders benut’ ten onrechte niet is toegepast. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht, is in dit geval geen sprake van witte inkomsten elders of een WW-uitkering, in welke situaties die betreffende algemene heffingskorting aan de orde is.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het bedrag aan bruto terugvordering dient te worden bepaald op € 3.001,93 (€ 2.314,60 + € 687,33).

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de bruto terugvordering, de primaire besluiten 4 en 5 herroepen en zelf in de zaak voorzien in die zin dat de rechtbank het bedrag aan te betalen premies en belastingen vaststelt op € 687,33 en de bruto terugvordering aldus op € 3.001,93.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). Nu de kosten in bezwaar reeds door verweerder zijn vergoed, bestaat er geen aanleiding om deze kosten nog te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit de hoogte van het bedrag aan belastingen en premies en de bruto terugvordering betreft;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door het bedrag aan premies en belastingen vast te stellen op € 687,33 en de bruto terugvordering op € 3.001,93;

  • -

    herroept de primaire besluiten 4 en 5 in zoverre;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.