Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/6164
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet.Schending inlichtingenplicht. Ontvangst van nabestaandenpensioen niet gemeld. Herziening en terugvordering. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/6164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hielkema.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 september 2014 tot en met 30 april 2020 herzien en de in die periode verstrekte bijstandsuitkering tot een bedrag van

€ 7.168,79 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 26 juni 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 1.260,-.

Bij besluit van 9 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 2 gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 630,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt sinds 17 juni 2013 een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van het project bestandanalyse is het uitkeringsbestand gescreend op rechtmatigheidssignalen. Onderzocht is of sprake is van andere inkomsten. Hierbij is het systeem Suwinet geraadpleegd, waaruit naar voren is gekomen dat eiseres sinds 1 september 2014 maandelijks nabestaandenpensioen ontvangt van de ‘Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg’ (hierna: Stichting pensioenfonds). Hier is niets over bekend in de systemen van verweerder. Bij brief van 12 maart 2020 is gevraagd om uiterlijk op 25 maart 2020 alle correspondentie van het

nabestaandenpensioen van de Stichting pensioenfonds in te leveren. Eiseres heeft op 20 maart 2020 een jaaropgave 2019 ingeleverd. Hieruit blijkt dat eiseres in het jaar 2019 een belastbaar inkomen van € 1.359,- heeft gehad. Bij brief van 26 maart 2020 is aangegeven dat eiseres niet volledig heeft gereageerd op het verzoek om informatie. Gevraagd is om alle correspondentie omtrent het ouderdomspensioen van de Stichting pensioenfonds (bedoeld is: partnerpensioen) in te leveren. Op 14 april 2020 heeft eiseres de specificaties en jaaropgaves van het partnerpensioen ingeleverd over de periode van september 2014 tot en met maart 2020. De hoogte van het partnerpensioen varieert vanwege indexering van € 103,28 tot € 107,16 per maand en is nader gespecificeerd in de rapportage van 23 april 2020. Deze maandelijkse pensioeninkomsten zijn aangemerkt als inkomsten. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten 1 en 2 genomen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij pensioen van de Stichting pensioenfonds heeft ontvangen. Daardoor is haar te veel bijstand betaald (€ 7.168,79). Daarom is de uitkering terecht herzien en teruggevorderd. Over de boete stelt verweerder dat eiseres aantoonbaar de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat dit leidt tot oplegging van een boete. Er is sprake van normale verwijtbaarheid. Op grond van recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is de hoogte van de boete gewijzigd naar € 630,-, waarmee rekening is gehouden met de bepalingen van de draagkracht. De boete is volgens verweerder in overeenstemming met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid.

3. Eiseres bestrijdt dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Zij heeft de

ontvangsten van het pensioen namelijk in 2014 telefonisch doorgegeven. Eiseres voert verder nog aan dat zij ervan uitging dat verweerder op de hoogte was van het pensioen omdat dit wel bij de Belastingdienst bekend was. Eiseres voelt zich door verweerder weggezet als fraudeur en heeft daar grote moeite mee. Verder betoogt eiseres dat zij extra zwaar wordt getroffen nu zij het gehele pensioen moet terugbetalen, zij daarnaast ongeveer € 500,- aan belasting heeft moeten betalen en er bovendien sprake is van een boete. Tot slot stelt eiseres dat er sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

4. Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

5. Artikel 17, eerste lid, van de Pw bepaalt dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand (de inlichtingenplicht).

Artikel 31, eerste lid, van de Pw bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 32 van de Pw is opgenomen wat onder inkomen wordt verstaan.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Pw is bepaald -voor zover van belang- dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

6. De rechtbank merkt allereerst – ter voorlichting aan eiseres - op dat de in artikel 17 van de Pw neergelegde inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting is. De vraag of sprake is van opzet bij de schending van de inlichtingenplicht, speelt geen rol. Beoordeeld moet worden of eiseres inlichtingen had moeten geven en dit heeft nagelaten. De rechtbank benadrukt dat verweerder niet stelt dat sprake is van fraude of dat eiseres een fraudeur is. Niet in geschil is dat eiseres in de periode van 1 september 2014 tot en met 30 april 2020 pensioen van de Stichting pensioenfonds heeft ontvangen, dit een middel is in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw en dit (redelijkerwijs) van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Pw dient dit daarom aan verweerder te worden gemeld. In geschil is of eiseres hieraan heeft voldaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

7.1.

De stelling van eiseres dat zij de ontvangsten van het pensioen in 2014 telefonisch heeft doorgegeven slaagt niet, nu verweerder een dergelijke melding niet heeft kunnen achterhalen. Uit de verschillende systemen van verweerder blijkt niet van een telefonische melding over de pensioeninkomsten uit 2014. Eiseres heeft haar stelling, dat zij het wel heeft doorgegeven, verder niet onderbouwd. Aldus is niet gebleken dat eiseres de inkomsten in overeenstemming met de op haar rustende inlichtingenplicht daadwerkelijk heeft gemeld bij verweerder.

7.2.

Voor zover eiseres heeft gesteld dat verweerder op de hoogte was van het pensioen omdat dit wel bij de Belastingdienst bekend was en zij daarom, naar de rechtbank begrijpt, verder niet hoefde te voldoen aan de inlichtingenplicht, volgt de rechtbank dit niet. Het is aan eiseres om uit eigen beweging melding te maken bij verweerder van die gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Uit artikel 17, eerste lid, van de Pw volgt niet dat gegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn niet onder die inlichtingenplicht vallen en dus niet hoeven te worden gemeld.

7.3.

Dit betekent dat de inlichtingenplicht is geschonden, in welk kader ten onrechte teveel Pw-uitkering aan eiseres is verstrekt. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden om het recht van eiseres op bijstand over de periode van 1 september 2014 tot en met 30 april 2020 te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw het teveel betaalde terug te vorderen.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 7.168,79 dient te worden teruggevorderd. Vast staat dat eiseres met ingang van 1 januari 2014 partnerpensioen ontvangt en daarop de heffingskorting is toegepast, waardoor het netto-partnerpensioen met ingang van die datum aanzienlijk meer bedroeg. Dat betekent dat eiseres met ingang van januari 2014 een hoger inkomen heeft gehad. Doordat de hoogte van de uitkering daarop niet is aangepast, heeft eiseres te veel bijstand ontvangen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de door eiseres betaalde belasting over het partnerpensioen moet worden afgetrokken van de terugvordering. De door eiseres betaalde belasting hangt samen met het feit dat zowel op het partnerpensioen als de bijstandsuitkering de heffingskorting is toegepast, zodat de heffingskorting tweemaal is gegeven. Hierdoor heeft eiseres jaarlijks belastingaanslagen gekregen van ongeveer € 500,-. Door de dubbele toepassing van de heffingskorting is te weinig belasting door verweerder afgedragen. Als verweerder op de hoogte was geweest van de pensioeninkomsten, dan had verweerder de algemene heffingskorting niet toegepast en meer belasting aan de belastingdienst betaald. Eiseres zou dan ook niet zijn geconfronteerd met de belastingaanslagen. Nu verweerder evenwel niet op de hoogte was van de pensioeninkomsten, heeft verweerder teveel netto uitkering uitgekeerd en te weinig belasting betaald aan de Belastingdienst. Hierdoor hoeft de vordering ook niet te worden gebruteerd. Verweerder heeft ter voorlichting aan eiseres in het verweerschrift nog opgemerkt dat de aflossing die eiseres ieder jaar verricht op een vordering van een afgesloten jaar, door eiseres als negatief loon kan worden opgegeven bij de belastingdienst. In dat kader kan door eiseres een belastingteruggave worden verkregen. Dat er in de toekomst wellicht een naheffing zal worden opgelegd door de belastingdienst ter correctie van de tweemaal toegepaste heffingskorting (zowel op de bijstandsuitkering als op het partnerpensioen) over de periode in geding doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. Dat geldt temeer omdat naheffing van de heffingskorting over de verleende bijstandsuitkering lager zal zijn dan de heffingskorting die eiseres over haar partnerpensioen heeft ontvangen.

8. In de door eiseres aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank geen dringende redenen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de terugvordering. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen immers slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat voor wat betreft de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering deze zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader wordt eiseres beschermd door de beslagvrije voet.

9.1.

Ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het ontvangen van de pensioeninkomsten op haar bankrekening van invloed kan zijn op het recht op bijstand, nu bijstand slechts een vangnetvoorziening is voor degene die niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Van de ontvangen bedragen heeft eiseres deels in haar levensonderhoud kunnen voorzien, waar juist de bijstandsuitkering voor is bedoeld. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast. Verweerder was dan ook in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de Pw een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

9.2.

Verweerder is bij het bepalen van de hoogte van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Uit de door eiseres aangevoerde individuele omstandigheden heeft verweerder niet hoeven concluderen dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Verweerder heeft, rekening houdend met de toekomstige beslagvrije voet, de boete vastgesteld op € 630,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende rekening gehouden met de draagkracht van eiseres. De boete kan naar het oordeel van de rechtbank passend, in overeenstemming met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, worden geacht. Dringende redenen om af te zien van het opleggen van de boete zijn ook hier niet gebleken.

10. Het beroep is daarom ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.