Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4254

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
10/099549-20, 15/161237-20, 15/164881-20 en 10/166245-20 (ter terechtzitting gevoegd) / TUL VV: 10/147939-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging zware mishandeling mm gepleegd, mishandeling, bedreiging, diefstal gevolgd van geweld, diefstal.

Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/099549-20, 15/161237-20, 15/164881-20 en 10/166245-20

(ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/147939-19

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

Raadsman mr. J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd bewezenverklaring van:

- het in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 ten laste gelegde;

- het in de zaak met parketnummer 15/161237-20 ten laste gelegde;

- het in de zaak met parketnummer 15/164881-20 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- het in de zaak met parketnummer 10/166245-20 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van de bijzondere voorwaarden als geadviseerd in het -nader in dit vonnis te bespreken- rapport van Reclassering Nederland d.d. 16 april 2021;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde voorwaarden en het toezicht daarop door de reclassering;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/147939-19.

4. Waardering van het bewijs

In de zaak met parketnummer 10/099459-20 feit 2

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaring van de aangever dat de verdachte hem meermalen met een hondenriem sloeg, de verklaringen van de gehoorde getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] in combinatie met de medische informatie en de foto’s van het letsel van het slachtoffer.

4.1.2.

Beoordeling

Ten laste is gelegd dat de verdachte de aangever heeft geslagen met een ijzeren hondenriem.

De verdachte heeft verklaard dat zij de aangever met een touw heeft geslagen. De aangever heeft verklaard dat zij hem met een hondenriem heeft geslagen, die bestond uit een gevlochten touw met knotten, maar heeft niet verklaard dat het daarbij ging om een ijzeren hondenriem. Uit de overige stukken in het dossier volgt dit evenmin.

Indien vast zou komen te staan dat de aangever door de verdachte met een van ijzer voorziene ketting was geslagen, zou het niet ondenkbaar zijn dat daardoor zwaar lichamelijk letsel zou zijn ontstaan. Nu dit echter niet het geval is, zal de verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.1.3.

Conclusie

De in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 2 primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Wel is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling door de aangever met een hondenriem te slaan.

In de zaak met parketnummer 15/164881-20:

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. De beelden, waaruit het bewijs voor een belangrijk deel zou moeten worden verkregen, zijn niet voldoende duidelijk om te kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die rond het gestolen voertuig is waargenomen.

Beoordeling

Anders dan de raadsman komt de rechtbank tot de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde door de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten in deze zaak als zogenoemd schakelbewijs te gebruiken. Volgens vaste jurisprudentie is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de diefstal van een sleutelbos in IJmuiden (onder 1 ten laste gelegd) en de diefstal van een sleutel en een oplaadsnoer, eveneens in IJmuiden (onder 3 ten laste gelegd) tevens kunnen dienen als schakelbewijs voor de onder 2 ten laste gelegde diefstal van een Volkswagen personenauto in IJmuiden, nu sprake is van eenzelfde pleegplaats, van eenzelfde type delict en van feiten die op dezelfde dag, in dezelfde straat zijn gepleegd. Het onder 2 ten laste gelegde vond binnen een half uur na het onder 1 ten laste gelegde plaats. De signalementen die zijn gegeven van de dader van deze feiten komen ook met elkaar overeen.

Bovendien geldt dat de garagehouder de vrouw die rond het tijdstip van de diefstal bij de weggenomen Volkswagen is gezien heeft omschreven als een vrouw met een tatoeage op haar rechterbeen. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat zij een tatoeage op haar rechtervoet heeft.

In de zaak met parketnummer 10/166245-20:

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat door te steken met plexiglas geen zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. De verbalisanten hebben ook slechts oppervlakkige wondjes geconstateerd en in het dossier bevindt zich geen geneeskundige verklaring.

Beoordeling

De verdachte heeft bekend dat zij het scherm van plexiglas dat zich tussen de chauffeur en achterbank bevond, heeft kapot getrokken en vervolgens met een stuk plexiglas meermalen de taxichauffeur heeft geprikt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het breken van plexiglas scherpe breukranden ontstaan. Door met een van scherpe randen voorzien stuk plexiglas een persoon in de schouder en rug te steken is de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanzienlijk. Dat het letsel uiteindelijk beperkt is gebleven tot oppervlakkige verwondingen doet daar niet aan af. De verdachte heeft met haar handelen deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Dat zij niet de bedoeling had de chauffeur zwaar lichamelijk letsel toe te brengen maar hem slechts tot stoppen wilde brengen, doet daar – wat daar verder ook van zij - niet aan af. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van de primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/099459-20 onder 1, 2 subsidiair en 3, onder parketnummer 15/161237-20, parketnummer 15/164881-20 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 10/166245-20 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

In de zaak met parketnummer 10/099459-20:

1.

zij, op 24 februari 2020 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een ijzeren hondenriem tegen het gezicht en de

schouder en de handen, van die [naam slachtoffer 1]

heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

(subsidiair)

zij, op 25 maart 2020 te Dordrecht

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] met een

hondenriem tegen het gezicht en het lichaam te slaan.

3.

zij, op 27 maart 2020 te Dordrecht

[naam slachtoffer 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door die [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Je gaat eraan"

en "Ik maak je dood".

In de zaak met parketnummer 15/161237-20:

zij op 19 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een krabpaal en een hondenkussen, die

toebehoorden aan [naam dierenspeciaalzaak] en/of [naam slachtoffer 4]

heeft weggenomen

met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen voornoemde [naam slachtoffer 4] ,

gepleegd met het oogmerk om , bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

voornoemde [naam slachtoffer 4] uit een rijdende auto te duwen en met de passagiersdeur

van de auto nog open gas te geven, waarna/ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 4]

ten val kwam.

In de zaak met parketnummer 15/164881-20:

1.

zij, op 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een sleutelbos, die toebehoorde aan [naam slachtoffer 5] , heeft

weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.

zij, op 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een personenauto merk Volkswagen, die toebehoorde aan [naam slachtoffer 6] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.

zij, op 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een sleutel en een oplaadsnoer

die toebehoorden aan [naam slachtoffer 7] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te

eigenen.

In de zaak met parketnummer 10/166245-20:

zij op 25 juni 2020 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 8] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een stuk plexiglas

in de rug en de schouder en de armen, van die [naam slachtoffer 8] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

parketnummer 10/099459-20:

feit 1:

Poging tot zware mishandeling.

Feit 2 (subsidiair):

Mishandeling.

Feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Parketnummer 15/161237-20:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Parketnummer 10/164881-20:

Feit 1:

Diefstal.

Feit 2:

Diefstal.

Feit 3:

Diefstal.

Parketnummer 10/166245-20 (primair):

Poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Psychische overmacht

6.1.

Standpunt verdediging

In de zaak met parketnummer 10/166245-20 is (subsidiair) aangevoerd dat sprake is van een in artikel 40 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde situatie (psychische overmacht), op grond waarvan de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Bij de verdachte is een psychische stoornis vastgesteld. De verdachte is emotioneel instabiel en zij vreesde ontvoerd te worden in de taxi waarin zij zich bevond.

Zij is in paniek geraakt, wilde uit de taxi komen en heeft daardoor gehandeld in een situatie waarin geen sprake meer was van wilsvrijheid ten tijde van de gedraging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht vereist is dat er sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Dat daarvan sprake is geweest, is onvoldoende aannemelijk geworden. Weliswaar blijkt uit het -nader in dit vonnis te bespreken- door de psycholoog [naam psycholoog] opgemaakte rapport dat de verdachte lijdt aan verscheidene stoornissen als gevolg waarvan het feit haar verminderd kan worden toegerekend, maar het is niet gebleken dat die stoornissen van dien aard zijn dat zij in de gegeven omstandigheden niet anders kon dan op de taxichauffeur in te steken. Zij moet in staat zijn geweest om ook andere opties te overwegen.

Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

6.3.

Conclusie

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich in een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, een mishandeling, een diefstal met geweld, een bedreiging en aan diverse diefstallen.

De geweldsmisdrijven waarin de verdachte zich schuldig heeft gemaakt zijn ernstig. Het is voor de slachtoffers daarvan, zoals ook blijkt uit de verklaringen, een buitengewoon ingrijpende ervaring geweest waarvan zij langere tijd de nadelige gevolgen ondervinden, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Met name het geweld in de taxi en het slaan met de (ijzeren) hondenriem was zeer ernstig en het is ook meer geluk dan wijsheid dat de gevolgen naar verhouding beperkt zijn gebleven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij zich tegenover personen die vrij willekeurig op haar pad zijn gekomen zo agressief heeft gedragen en hun zoveel leed heeft toegebracht.

Daarnaast heeft de verdachte een scala aan vermogensmisdrijven gepleegd, waarbij zij uitsluitend haar eigen belang diende en geen enkel oog had voor de gevolgen van de benadeelden. De diefstal met geweld uit de dierenspeciaalzaak laat in het bijzonder zien hoe brutaal verdachte daarbij te werk ging en ook niet schroomde om de eigenaresse die (terecht) voor haar eigendom op kwam uit de auto te duwen.

Alhoewel uit de persoonlijkheidsrapportage, die hieronder zal worden besproken, duidelijk blijkt dat het niet heel goed met de verdachte ging in de periode waarin de delicten zijn gepleegd, valt de verdachte van deze nare feiten wel degelijk een verwijt te maken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte onder meer eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Uit de stukken die hieronder nader worden besproken blijkt dat de verdachte sinds augustus 2020 met een zorgmachtiging opgenomen is geweest in psychiatrisch ziekenhuis Yulius en pas sinds kort onder begeleiding van Yulius weer op zichzelf woont.

Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 16 maart 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

Op 27 januari 2021 komt uit psychiatrisch onderzoek naar voren dat bij de verdachte sprake is van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld.

Zij is lijdende aan een gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, aan een posttraumatische stressstoornis en aan een stoornis in het gebruik van een middel, zij het dat die thans in remissie is.

De verdachte is bekend met depressie, PTSS en ADHD en was eerder in behandeling bij Antes. De aanwijzingen voor ADHD worden thans overwoekerd door een

psychotisch beeld. Bij de verdachte tekent zich in de afgelopen jaren een complexe verslavingsproblematiek af, in het bijzonder de amfetaminemisbruik en verslaving aan GHB. Psychotische episoden manifesteren zich, waarbij de verdachte mensen ziet en hoort die er niet zijn, leidende tot risicovolle gedragingen in het dagelijks leven waarbij druggebruik en vrienden in de drugswereld op de voorgrond staan.

Angst en vooral paranoïdie domineren het beeld van verdachte, haar ervaringen met misbruik verergeren dat beeld. Zij maakt een emotioneel kwetsbare, instabiele indruk.

Empathie met de slachtoffers ontbreekt en vooral een verontwaardigde externalisering voert de boventoon.

De bij de verdachte aanwezige stoornissen kwamen ook voor ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Voor de ten laste gelegde feiten met een geweldscomponent komt de psycholoog tot het advies deze feiten, indien bewezen, betrokkene in verminderde mate toe te rekenen. Voor de haar ten laste gelegde vermogensdelicten, indien bewezen, adviseert de psycholoog om deze volledig toe te rekenen.

De risico’s van terugval zijn hoog, zo is reeds afgelopen maanden gebleken. Zowel de klinische inschatting alsook die met gebruikmaking van enkele risicotaxatie-instrumenten leren dat de kans op herhaling van soortgelijke feiten als thans ten laste gelegd hoog zijn.

Begeleiding en behandeling zijn nodig om de kans op herhaling van feiten zoals thans ten laste gelegd tot aanvaardbare proporties terug te brengen.

Het valt niet te verwachten dat betrokkene op eigen initiatief en eigen kracht haar problemen

adequaat het hoofd zal kunnen bieden. Zij bezit daartoe nauwelijks ziektebesef, laat staan ziekte-inzicht. Een klinische behandeling in een gesloten en beveiligd kader is de afgelopen maanden noodzakelijk gebleken en ook voor de nabije toekomst geïndiceerd, een aanpak die geleidelijk kan overgaan naar een ambulante behandeling en begeleiding en nazorg en toezicht door de reclassering.

Vrijwillig verblijf van betrokkene in een dergelijke setting is niet realistisch. Als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel wordt geadviseerd de verplichting dat de verdachte zich laat opnemen en behandelen in een psychiatrische instelling.

Toezicht van de zijde van de reclassering

is noodzakelijk om zicht te blijven houden op het netwerk van betrokkene. Dat is cruciaal in

verband met de verslavingsgevoeligheid van betrokkene.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 april 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

Op 1 april 2021 is verdachte bij het einde van de zorgmachtiging voor opname in de psychiatrische kliniek Yulius naar haar huurwoning gegaan. Momenteel is ze werkloos en haar omstandigheden laten het ook niet toe om voltijds te werken. Haar schulden zijn afgelost. Mede door haar opname in de psychiatrische kliniek Yulius is zij momenteel abstinent, maar ze is zich ervan bewust dat het nemen van de drugs een trigger heeft kunnen zijn voor het ontstaan van de psychotische gedachtes. Middels medicatie is de paranoïde schizofrenie deels onder controle.

Het grootste deel van het thans lopende reclasseringstoezicht heeft de verdachte in de kliniek doorgebracht. Over het geheel genomen is er altijd wel contact gebleven

en komt de verdachte de afspraken met de reclassering na, maar het contact is vooral functioneel. De verdachte geeft aan dat ze prima voor zichzelf kan zorgen en goed in haar vel zit, maar het lijkt een wankel evenwicht. Zij wordt thans begeleid door ambulante teams van Yulius. Met name vanwege de nog bestaande psychotische gedachtes van de verdachte bestaan vragen over de haalbaarheid van het zelfstandig wonen. De reclassering ziet de noodzaak tot behandeling en begeleiding. Zowel de kliniek Yulius als het NIFP-rapport geven aan dat er nog zorgen zijn om de psychische toestand van betrokkene en dat een mogelijke decompensatie niet herkend wordt als er niet regelmatig contact met de verdachte is. De verdachte overschat zichzelf soms en ervaart weinig problemen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Geadviseerd wordt om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij de reclassering,

- de -indien dat noodzakelijk wordt geacht- verplichte opname van de verdachte in een zorginstelling;

- de verplichte ambulante behandeling van de verdachte bij de psychiatrische kliniek van Yulius of een soortgelijke zorgverlener;

- indien het traject van zelfstandig wonen en ambulante begeleiding mislukt en van

bovenstaande klinische opname in een forensische kliniek gebruik moet worden gemaakt, de verplichting om aansluitend aan die opname te verblijven in een nader te bepalen RIBW-instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

- een verbod op het gebruik van drugs;

- de verplichte medewerking van de verdachte aan controle op het gebruik van drugs

middels urine- of ademonderzoek.

Daarnaast wordt geadviseerd de voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De ter terechtzitting gehoord getuige [naam getuige 3] heeft de inhoud van het rapport en het daarin neergelegde advies toegelicht en onderschreven. Zij heeft daarop aangevuld dat de zorgmachtiging van de verdachte nog loopt tot juni 2021 en dat zij van Yulius heeft begrepen dat het de bedoeling is om ook een verlenging van die zorgmachtiging aan te vragen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door diens bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus voor de bewezen feiten met een geweldscomponent in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Dat de rechtbank, in lijn met hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging (subsidiair) is bepleit, in dit geval niet overgaat tot het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel langer is dan het ondergane voorarrest hangt samen met de omvang en de aard van de aan verdachte op te leggen bijzondere voorwaarden in combinatie met haar jeugdige leeftijd.

De verdachte heeft de afgelopen maanden vrijwel onafgebroken in een psychiatrische inrichting verbleven en als gevolg daarvan lijken haar persoonlijke omstandigheden, nu zodanig te zijn verbeterd dat het naar het oordeel van de rechtbank de voorkeur heeft die opwaartse beweging niet te doorkruisen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij benadrukt de rechtbank dat aard en aantal der bewezenverklaarde feiten de oplegging van zo een (langdurige) gevangenisstraf zonder meer zouden rechtvaardigen.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie volgen en zal, zoals ook geëist, aan het voorwaardelijk strafdeel een langere proeftijd dan de gebruikelijke proeftijd van 2 jaar verbinden, om de verdachte er gedurende langere tijd van te weerhouden om strafbare feiten te plegen en om haar ertoe te bewegen de op te leggen bijzondere voorwaarden in het kader van haar -naar verwachting langdurige- resocialisatietraject na te leven.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden en het daaraan te verbinden toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft matiging van de vordering bepleit.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld het op gevorderde bedrag van € 400,00, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 februari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 2] .

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.500,00 aan immateriële schade.

8.5.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 1.000,00 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het meer of anders gevorderde.

8.6.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij en de vaststelling en verdeling van de schade daarom niet van eenvoudige aard is en dus een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.7.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 maart 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (ten dele) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.8.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 3] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 3 ten laste gelegde.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 275,00 aan immateriële schade.

8.9.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.10.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft matiging van de vordering bepleit.

8.11.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 maart 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.12.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] .

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15/161237-20 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 239,66 aan materiële schade en een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van een de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering en de hoogte van de gevorderde bedragen niet betwist.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd zal deze worden toegewezen.

Vast is daarnaast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op het gevorderde bedrag van € 350,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 juni 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 589,66, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] .

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15/164881-20 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 752,32 aan materiële schade, bestaande uit:

  1. Sleutel Renault Twingo: € 174,42

  2. Sleutel Mercedes BE: ` € 434,00

  3. Een huissleutel: € 18,95

  4. Een schuursleutel: € 7,50

  5. Een Mul-T-Lock-sleutel: € 17,50

  6. Een Tom-Tom: € 99,95.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de sleutel van de Mercedes betwist.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht met betrekking tot de posten 1 tot en met 5 en de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van die posten door de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) is weersproken, zal de vordering tot een bedrag van € 652,37 worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige (post 6) in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 juni 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 652,37, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] .

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/166245-20 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.538,47 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schade. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 1.500,00 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het meer of anders gevorderde.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de materiële schade betwist, stellende dat de gevorderde schade niet het gevolg is geweest van het verweten feit.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat de gestelde psychische schade niet of niet voldoende is onderbouwd, terwijl de benadeelde partij zelf ook schuldig is aan het incident.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Vast is voorts komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het dossier en het verhandelde ter zitting geven geen aanleiding tot de conclusie van eigen schuld in de zin van 6:101 BW, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij zal gaan. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 juni 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.038,47, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 6 september 2019 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van -onder meer- gekwalificeerde diefstal en (medeplegen van) verduistering

veroordeeld tot -onder meer- een taakstraf van 100 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet tegen de tenuitvoerlegging verzet.

9.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 285, 300, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/099459-20 onder 1, 2 subsidiair en 3, in de zaak met parketnummer 15/161237-20, in de zaak met parketnummer 15/164881-20 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 10/166245-20 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek en/of ademcontroles, gedurende de proeftijd;

3. de veroordeelde zal zich, indien nodig, voor behandeling laten opnemen in Forensische Psychiatrische kliniek De Kijvelanden of een soortgelijke zorginstelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, gedurende 1 jaar na heden, of zoveel korter als de (geneesheer-) directeur van die instelling verantwoord vindt;

4. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van psychiatrische kliniek Yulius of een soortgelijke zorgverlener gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de verantwoord vindt;

5. de veroordeelde zal, indien het ingeslagen traject van zelfstandig wonen en ambulante behandeling niet tot het gewenste resultaat leidt en van een klinische opname gebruik moet worden gemaakt, verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de directeur van die instelling verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 10/166245-20, die bij eerdere beslissing is geschorst;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 400,00 (zegge: vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 1] te betalen € 400,00 (hoofdsom, zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 400,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 2] te betalen € 750,00 (hoofdsom, zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 750,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 3] te betalen € 100,00 (hoofdsom, zegge: honderd

euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 100,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 589,66 (zegge: vijfhonderdnegenentachtig euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 4] te betalen € 589,66 (hoofdsom, zegge: vijfhonderdnegenentachtig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 589,66 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 652,37 (zegge: zeshonderdtweeënvijftig euro en zevenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 5] te betalen € 652,37 (hoofdsom, zegge: zeshonderdtweeënvijftig euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 652,37 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 13 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] , te betalen een bedrag van € 3.038,47 (zegge: drieduizend achtendertig euro en zevenenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 8] te betalen € 3.038,47 (hoofdsom, zegge: drieduizend achtendertig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.038,47 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 september 2019 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de tijd van 100 uren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 mei 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

In de zaak met parketnummer 10/099459-20:

1

zij, op of omstreeks 24 februari 2020 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meerdere malen met een ijzeren hondenriem tegen het gezicht en/of de

schouder en/of de handen, althans tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1]

heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van

Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 24 februari 2020 te Dordrecht

[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] meerdere malen met een

ijzeren hondenriem tegen het gezicht en/of de schouder en/of de

handen, althans tegen het lichaam te slaan;

2

zij, op of omstreeks 25 maart 2020 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meerdere malen met een ijzeren hondenriem tegen het gezicht en/of de

handen, althans tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van

Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 25 maart 2020 te Dordrecht

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] meerdere malen met een

ijzeren hondenriem tegen het gezicht en/of de handen, althans tegen

het lichaam te slaan;

3

zij, op of omstreeks 27 maart 2020 te Dordrecht

[naam slachtoffer 3] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [naam slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Je gaat eraan"

en/of "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

in de zaak met parketnummer 15/161237-20:

zij op of omstreeks 19 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen

een krabpaal en een hondenkussen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele

aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam dierenspeciaalzaak] en/of [naam slachtoffer 4]

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam slachtoffer 4] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

voornoemde [naam slachtoffer 4] uit een (rijdende) auto te duwen en/of met de passagiersdeur

van de auto nog open gas te geven, waarna/ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 4]

ten val kwam;

In de zaak met parketnummer 15/164881-20:

1

zij, op of omstreeks 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een sleutelbos, althans een autosleutel, in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 5] , heeft

weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

zij, op of omstreeks 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een personenauto (merk Volkswagen), in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 6] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

zij, op of omstreeks 22 juni 2020 te IJmuiden, gemeente Velsen,

een sleutel en een oplaadsnoer (merk Apple), in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 7] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

In de zaak met parketnummer 10/166245-20:

zij op of omstreeks 25 juni 2020 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer 8]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een stuk plexiglas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen,

althans eenmaal, in de rug en/of de schouder en/of de armen, althans in het

lichaam, van die [naam slachtoffer 8] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 25 juni 2020 te Rotterdam

[naam slachtoffer 8] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een stuk

plexiglas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de schouder

en/of de armen, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 8] te steken;