Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4246

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
10/025501-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling. Vrijspraak van poging tot doodslag en diefstal met geweld: geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood en niet is gebleken dat de verdachte enig goed van het slachtoffer heeft weggenomen. Overwegingen omtrent gevolgen van uitspraak HvJEU (H.K. tegen Estland) voor Nederlandse praktijk. Straf: 7 maanden gevangenisstraf met aftrek. Vordering BP gedeeltelijk toegewezen, gedeeltelijk afgewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/025501-21

Datum uitspraak: 11 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden (PPC),

raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Gevolgen zaak H.K. tegen Estland ( ECLI:EU:C:2021:152)

4.1.1.

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich op 4 januari 2021 schuldig heeft gemaakt aan het (in vereniging) plegen van een poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, alsmede een diefstal met geweld. Onder de verdachte is bij zijn aanhouding een iPhone 6S in beslag genomen. Op deze telefoon zijn berichten aangetroffen waarin de gebruiker, met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’, het telefoonnummer [telefoonnummer] aan verschillende personen doorgeeft als zijnde zijn telefoonnummer. Dit is tevens het telefoonnummer dat de aangever noemt als telefoonnummer van de verdachte. Naar aanleiding hiervan concludeert de politie dat het telefoonnummer [telefoonnummer] bij de verdachte in gebruik was.

Op grond van artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft de officier van justitie mr. L. Verhoeven de historische gegevens gevorderd van dit telefoonnummer in de periode van 7 december 2020 00:00 uur tot en met 7 januari 2021 20:00 uur. De gegevens die op basis van deze vordering zijn ontvangen, zijn vervolgens opgenomen in een proces-verbaal en toegevoegd aan het dossier in deze zaak.

4.1.2.

Het arrest H.K. tegen Estland

Op 2 maart 2021 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in de zaak H.K. tegen Estland (ECLI:EU:C:2021:152) een arrest gewezen over - kort gezegd - de toegang door opsporingsinstanties tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens (hierna: “het arrest”). Kort samengevat houdt dit arrest het volgende in:

  • -

    Een onderzoeksinstantie kan uit een reeks persoonsgegevens van gebruikers van elektronische communicatiediensten nauwkeurige conclusies trekken over de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker. Het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot dergelijke communicatiegegevens is daarom slechts toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Het HvJEU maakt daarbij een onderscheid tussen twee doelstellingen van algemeen belang.

  • -

    Ten eerste de doelstelling om zware criminaliteit te bestrijden en ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid te voorkomen. Een dergelijke doelstelling kan - overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel - een ”ernstige inmenging’’ op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest rechtvaardigen. Een inmenging in de grondrechten is volgens het HvJEU ‘ernstig’ wanneer uit de opgevraagde persoonsgegevens nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Bij de beoordeling van de ernst van de inmenging spelen de duur van de periode waarvoor toegang wordt gevraagd tot de persoonsgegevens en de hoeveelheid en de aard van de persoonsgegevens die voor een dergelijke periode beschikbaar zijn, in beginsel geen rol.

  • -

    Ten tweede is er de bredere doelstelling om de criminaliteit in het algemeen te bestrijden. Deze doelstelling kan volgens het HvJEU overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel alleen ‘niet-ernstige inmengingen’ op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest rechtvaardigen.

  • -

    Het HvJEU oordeelt dat het aan het nationale wetgever is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de aanbieders van elektronische communicatiediensten de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Om te waarborgen dat deze voorwaarden in de praktijk ten volle in acht worden genomen is het volgens het HvJEU van belang dat de toegang van de bevoegde nationale instanties tot de bewaarde persoonsgegevens onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit.

  • -

    Het vereiste van onafhankelijkheid, waaraan de rechterlijke instantie en de bestuurlijke entiteit moeten voldoen, brengt volgens het HvJEU enerzijds met zich mee dat de instantie die de voorafgaande toetsing verricht niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een Openbaar Ministerie, zoals het Estse Openbaar Ministerie in deze zaak, die de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in voorkomend geval ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is evenmin voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging.

4.1.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat het arrest geen gevolgen heeft voor de Nederlandse rechtspraktijk, omdat de overwegingen van het HvJEU telkens betrekking lijken te hebben op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht worden verwerkt. Doordat de Nederlandse Wet Bewaarplicht door de kortgedingrechter buiten werking is gesteld (Rb Den Haag 11 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2498), kent Nederland geen algemene wettelijke verplichting meer voor aanbieders om verkeers- en locatiegegevens op te slaan. De in het dossier gevorderde gegevens betreffen daarom uitsluitend gegevens die ten behoeve van de bedrijfsvoering door de aanbieder zijn opgeslagen en daarop heeft het arrest geen betrekking.

Subsidiair voert de officier van justitie aan dat het mogelijk is dat het HvJEU met het arrest ook de eis van een onafhankelijke toetsing stelt ten aanzien van toegang tot verkeers- en locatiegegevens die niet op grond van de bewaarplicht worden verwerkt. In dat geval was de officier van justitie niet bevoegd om zonder voorafgaande onafhankelijke toets deze gegevens te vorderen, zoals in deze zaak wel is gebeurd. Om de gevolgen van dit verzuim te bepalen, moet volgens het HvJEU worden getoetst aan artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: “EVRM”) en aan het nationale recht. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: “Sv”) is hiervoor het toepasselijke kader. De gegevens zijn opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit Sv en destijds was niet voorzienbaar dat dit niet op deze manier was toegestaan. Het Openbaar Ministerie kan derhalve geen verwijt worden gemaakt, zodat dient te worden volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim, zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden.

4.1.4.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat op grond van het arrest de vordering van de zendmastgegevens alleen had kunnen plaatsvinden met een voorafgaande onafhankelijke (rechtelijke) toets. In dit geval is dat niet gebeurd, zodat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer., In de onderhavige zaak zijn zendmast- en telecomgegevens gebruikt en neergelegd in processen-verbaal, om uiteindelijk te dienen als bewijsmiddelen. Dit is gezien het arrest onrechtmatig en levert een schending op. Alle resultaten van de 126n Sv-vordering dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs en de verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.1.5.

Beoordeling rechtbank

Het arrest is van belang voor gevallen waarin, zoals in de nu voorliggende zaak, voor strafrechtelijke doeleinden verkeers- of locatiegegevens worden opgevraagd (hierna ook: het opvragen van communicatiegegevens). Anders dan de officier van justitie leest de rechtbank in het arrest dat de overwegingen zowel betrekking hebben op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht zijn verwerkt, als op met het oog op bedrijfsdoeleinden bewaarde verkeers- en locatiegegevens. Het opvragen van bewaarde verkeers- en locatiegegevens valt binnen de ruime reikwijdte die het HvJEU voor verkeers- en locatiegegevens hanteert. Een andere opvatting zou zich ook niet verhouden met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in welke sleutel het arrest door het HvJEU is gezet. Vanuit die optiek is niet de reden van de opslag van gegevens van belang, maar wel de toegang tot dergelijke privacygevoelige gegevens.

Hoe verhoudt de vordering 126n Sv zich tot het arrest?

Het Openbaar Ministerie heeft op grond van artikel 126n Sv communicatiegegevens opgevraagd van de verdachte. Uit het arrest kan worden afgeleid dat het opvragen van dergelijke gegevens beschouwd moet worden als een “ernstige inmenging” op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest. Het arrest stelt in die gevallen zowel materiële als formele eisen aan het opvragen van dergelijke gegevens.

Wat betreft de materiële eisen houdt het arrest in dat alleen de bestrijding van “serious crime”en het voorkomen van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid een rechtvaardiging kan vormen voor het opvragen van communicatiegegevens. De vraag is wat onder de bestrijding van zware criminaliteit moet worden verstaan.

De rechtbank zoekt voor deze invulling aansluiting bij artikel 126m Sv en artikel 126nf Sv en stelt vast dat er sprake is van zware criminaliteit wanneer er sprake is van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

In onderhavige zaak is er sprake van feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Bovendien is er sprake van feiten die gezien hun aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Er is namelijk sprake van een verdenking van een poging tot doodslag/zware mishandeling en van een diefstal met geweld. Beide feiten hebben plaatsgevonden in het openbaar, waardoor het handelen niet alleen voor het slachtoffer voor gevoelens van angst en onveiligheid heeft gezorgd, maar ook binnen de samenleving tot gevoelens van onveiligheid leidt en daarmee de rechtsorde verstoort. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de vordering van de officier voldoet aan het materiële criterium, namelijk dat sprake is van het opvragen van communicatiegegevens ten behoeve van de bestrijding van zware criminaliteit.

Daarnaast bevat het arrest ook formele eisen voor het vorderen van communicatiegegevens. Deze gegevens kunnen slechts worden verleend na voorafgaande toestemming van een rechtelijke instantie, of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Het Openbaar Ministerie, dat tot taak heeft de strafprocedure in te leiden en later in de procedure optreedt als openbaar aanklager, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een dergelijke onafhankelijke autoriteit worden beschouwd. Om te spreken van een onafhankelijke bestuurlijke entiteit, moet zij een zodanige status hebben dat zij bij de uitoefening van haar taken objectief en onpartijdig kan handelen. Bovendien moet zij daartoe vrij zijn van elke invloed van buitenaf.1 Het Openbaar Ministerie kan, gelet op haar rol bij de vervolging van de verdachte, daarom niet als een onafhankelijke bestuurlijke entiteit worden beschouwd. Nu in de onderhavige zaak de communicatiegegevens zijn opgevraagd met toestemming van de officier van justitie, is er dus niet voldaan aan het formele vereiste van een onafhankelijke toets. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Gevolgen vormverzuim

De vervolgvraag is wat de gevolgen moeten zijn van het geconstateerde vormverzuim. De rechtbank is van oordeel dat artikel 359a Sv het toepasselijke kader geeft voor de omgang met vormverzuimen. Rechtsgevolgen komen volgens dit artikel in beeld, indien sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte die niet meer hersteld kunnen worden en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Aan deze voorwaarden is voldaan. Het vormverzuim is begaan in het onderzoek dat voorafging aan de behandeling op de terechtzitting. Daarnaast is herstel niet meer mogelijk. Uit het arrest van het HvJEU blijkt namelijk dat dit vormverzuim niet kan worden hersteld door een (rechterlijke) toets achteraf.2 Tot slot blijken de rechtsgevolgen niet uit de wet.

Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat het geschonden voorschrift van belang is nu het zorgt voor de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op de bescherming van de persoonsgegevens van de verdachte. De rechtbank volgt de verdediging in dit standpunt, maar de ernst van het verzuim is beperkt. Indien de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de opgevraagde locatiegegevens had getoetst, zou deze naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel zijn gekomen dan het Openbaar Ministerie in deze zaak. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de verdachte geen nadeel heeft geleden van het vormverzuim. De historische gegevens beslaan slechts een beperkte tijdsspanne en niet kan worden gezegd dat daarmee een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachte is verkregen. Niet is aangevoerd welke persoonlijke informatie kon worden achterhaald die de ernst tekent van de inbreuk op verdachtes persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft daarnaast de mogelijkheid gekregen om zich uit te laten over de gevolgen van het vormverzuim. Gelet op dit alles leidt de schending van het recht op privacy (zoals onder meer is gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM) niet tot een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat een grond bestaat om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank volstaan met de constatering van het vormverzuim. Aan dit vormverzuim worden dus geen rechtsgevolgen verbonden.

4.2.

Bewijswaardering (feit 1) en vrijspraak (feit 2)

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft primair aangevoerd dat de verklaring van de aangever volledig wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Hiermee kan het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (poging doodslag) worden bewezen. De verdachte heeft immers met kracht in de borst van de aangever gestoken en hij heeft daarmee op zijn minst de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever aanvaard. Ook kan het onder 2 ten laste gelegde worden bewezen, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat het om iets anders dan het door aangever genoemde geldbedrag ging. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is subsidiair aangevoerd dat in elk geval de diefstal van ‘enig goed’ bewezen verklaard kan worden.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Alleen de aangever wijst de verdachte aan als dader. Noch uit de getuigenverklaringen, noch uit de camerabeelden kan een herkenbaar signalement worden afgeleid. Ook in de verklaring van [naam] wordt de naam van de verdachte niet genoemd. Indien de rechtbank de historische gegevens, zoals besproken onder 4.1, niet uitsluit van het bewijs, kunnen deze alsnog niet voor het bewijs dienen, nu niet is gebleken dat het betreffende telefoonnummer in gebruik was bij de verdachte. De verdachte kan niet - op basis van objectieve gegevens - op de plaats delict worden gesitueerd. Hij dient daarom te worden vrijgesproken.

4.2.3.

Beoordeling

De verdachte zal worden vrijgesproken vande ten laste gelegde poging doodslag en de diefstal met geweld. De ten laste gelegde poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan echter wel bewezen worden. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De betrokkenheid van de verdachte (feit 1)

De rechtbank stelt vast dat de aangever in zijn aangifte de verdachte bij zijn artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’ heeft aangeduid en hem later heeft aangewezen op een foto. De door de aangever in zijn aangifte weergegeven feiten en omstandigheden worden op essentiële onderdelen ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Zo heeft [naam] , de bestuurder van de auto, over de gebeurtenissen overeenkomstig de verklaring van de aangever verklaard; hij heeft alleen niet de naam van de dader willen noemen. Het achter de auto aanrennen, het instappen en het gebruikte geweld wordt ondersteund door verschillende getuigen en de medische verklaring betreffende de aangever.

Het telefoonnummer [telefoonnummer] kan voorts gekoppeld worden aan de verdachte: zoals besproken onder 4.1.1 zijn op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon berichten aangetroffen waarin de gebruiker, met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’, het telefoonnummer [telefoonnummer] aan verschillende personen doorgeeft als zijnde zijn telefoonnummer. Dit is tevens het telefoonnummer dat de aangever noemt als telefoonnummer van de verdachte en op welk nummer hij de dag voor het incident nog telefonisch contact heeft gehad met de verdachte. Voorts noemt aangever in zijn aangifte de verdachte bij zijn artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’ en heeft hij hem later aangewezen op een foto. Tijdens zijn politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat hij muziek maakt waarvan de clips op YouTube zijn te bekijken en schrijft daarbij de naam ‘ [artiestennaam] ’op een papiertje. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast dat de verdachte de gebruiker van dit telefoonnummer was. Uit de locatiegegevens blijkt dat dit telefoonnummer op 4 januari 2021 om 13.32.23 uur een mast aanstraalt aan de [adres 1] en 5 seconden later een mast aan de [adres 2] , waardoor de conclusie kan worden getrokken dat dit nummer zich in zuidelijke richting verplaatste. De afstand vanaf de [straatnaam 1] naar de [plaats delict] (plaats delict) bedraagt via de Spijkenissebrug 12 minuten, terwijl het feit omstreeks 13.45 uur is gepleegd. Tevens blijkt uit de onderzoeksgegevens dat dit nummer dezelfde route volgde - van Rotterdam naar Spijkenisse en terug - als het telefoonnummer van [naam] en de Peugeot waarin hij reed. Uit ANPR gegevens blijkt dat de Peugeot op 13.38 uur de Spijkenissebrug passeerde en vanaf daar bedraagt de afstand naar de plaats delict ongeveer 8 minuten. Deze route komt voorts overeen met de route die de aangever en [naam] hebben genoemd.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die de aangever in zijn aangifte heeft omschreven als degene die hem heeft aangevallen.

Poging tot doodslag

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de aangever meerdere malen heeft geprobeerd te steken en daarbij steekbewegingen in de richting van de aangever heeft gemaakt, welke de aangever (deels) heeft kunnen afweren. De rechtbank gaat hierbij uit van de verklaringen van de aangever, die heeft verklaard dat de verdachte hem meerdere keren probeerde te steken door voorwaartse steekbewegingen te maken die de aangever met zijn handen probeerde af te weren en waarbij zijn rechterhand meerdere malen werd geraakt. Ook geeft de aangever aan dat hij in zijn borstbeen werd geraakt, tussen het borstbeen en de rechtertepel. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit ondersteund door de medische verklaring. Dat slechts snijwonden bij de aangever zijn geconstateerd doet aan het bovenstaande niets af, nu de aangever zich immers verweerde en in beweging was en het aannemelijk is dat het lichaam van aangever zich in veschillende hoeken ten opzichte van het mes heeft bevonden. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank overigens af dat door de verdachte gebruik is gemaakt van een mes.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld hoe dit handelen moet worden gekwalificeerd.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien er een aanmerkelijke kans is dat dat gevolg zal intreden en de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte meermalen stekende bewegingen in de richting van de borst van de aangever heeft gemaakt en dat deze handelingen, mede ook doordat aangever de steekbewegingen heeft afgeweerd, snijwonden in hand en borst hebben veroorzaakt.

Hoewel het steken in de borst dodelijk letsel kan veroorzaken, veroorzaakt niet elke steekverwonding automatisch een aanmerkelijke kans op overlijden. Onder meer is daarbij ook van belang met welk voorwerp en met welke kracht er is gestoken. De rechtbank kan op basis van de in het dossier bevindende stukken niets vaststellen omtrent de grootte van het mes of de kracht waarmee de verdachte heeft gestoken. Verder volgt uit de letselrapportage niet dat de aard of de plaats van het geconstateerde letsel potentieel levensbedreigend was. Dientengevolge kan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van de aangever niet bewezen worden.

Poging zware mishandeling

De verdachte heeft met een mes meermaals stekende bewegingen gemaakt in de richting van de aangever en hem daarbij ook in de borst geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat het steken met een mes in het bovenlichaam kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat “een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans” geen andere maatstaf inhoudt dan “de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans”, oftewel een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (ECLI:NL:HR:2018:718). Het handelen van de verdachte was daarop naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht, dat hij de kans daarop ook bewust heeft aanvaard. Bovendien is bij een dergelijke aanval voorzienbaar dat het slachtoffer zal proberen - teneinde aan die aanval te ontkomen c.q. erger te voorkomen - zich te verweren of af te weren, hetgeen in casu ook is gebeurd en dat daarbij een aanzienlijke kans ontstaat op zwaar lichamelijk letsel.De aangever is gesneden in zijn vingers, waarbij zenuwen geraakt hadden kunnen worden, met mogelijk arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Het is bovendien nog maar de vraag of de littekens die de aangever heeft opgelopen, ooit zullen genezen. Ook in dat opzicht acht de rechtbank minst genomen voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel aanwezig.

Het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde kan daarmee worden bewezen.

Medeplegen

Niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander. [naam] heeft verklaard gezien te hebben dat er gevochten en dat hij toen is weggereden, hetgeen ondersteund wordt door de verklaringen van de aangever en getuigen. Niet is gebleken van enig plan tussen hem en de verdachte. Dat de verdachte na zijn daad weer is ingestapt in de auto maakt dit niet anders. Het ten laste gelegde medeplegen kan dan ook niet bewezen worden.

Vrijspraak (feit 2)

De aangever heeft verklaard dat hij een contant geldbedrag van € 1.000,- bij zich droeg ten tijde van het ten laste gelegde en dat de verdachte dit geld van hem heeft gestolen. Deze verklaring wordt evenwel niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo is er geen briefgeld gevonden op de plaats delict, hoewel de verdachte het geld in de worsteling afgenomen zou hebben en zijn er geen getuigen die verklaren over het zien van (brief)geld. Ook overigens bevat het dossier geen bewijs dat de verklaring van de aangever op dit punt ondersteunt. Wel zou een getuige gezien hebben dat de verdachte met een plastic tas wegliep, maar de aangever heeft juist verklaard dat hij het geld los bij zich droeg en dat dit niet in een tas zat. Daarmee is derhalve slechts sprake van één bewijsmiddel, waarmee niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

4.2.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) heeft begaan. Niet bewezen is dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag) en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 4 januari 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een mes meerdere stekende bewegingen heeft gemaakt naar of in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer] en (daarbij) die [naam slachtoffer] in een hand heeft geraakt, en

- met dat mes in de borst van die [naam slachtoffer] heeft gestoken ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op: poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij had het slachtoffer, een bekende van hem, een lift gegeven en heeft hem vervolgens – op de parkeerplaats tegenover de woning van het slachtoffer – meerdere malen gestoken met een mes, waarbij de aangever aan zijn borst en handen gewond is geraakt. Daarna is de verdachte weer in de auto, waarmee zij beiden gekomen waren, gesprongen en weggereden. Hij heeft het slachtoffer aan zijn lot overgelaten en zich op geen enkel moment bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

Dit is een ernstig feit. Niet alleen heeft hij - kennelijk zonder noemenswaardige aanleiding - de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast, waarbij gebruik is gemaakt van een steekwapen, maar ook heeft hij inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had. Het slachtoffer heeft nog steeds last van de psychische gevolgen van dit feit, zoals bleek uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting die zijn raadsman namens hem op zitting gaf. Bovendien vond het feit plaats op klaarlichte dag en in het openbaar en hebben verschillende derden ongewild getuige moeten zijn van het niet onaanzienlijke geweld. Vaak laat zulk geweld niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook bij de getuigen nog lange tijd gevoelens van angst en/of onveiligheid achter. De verdachte heeft zich echter kennelijk om dit alles niet bekommerd.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

12 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Voorts is enerzijds in strafverlagende zin meegewogen dat het een onvoltooid delict betreft, maar anderzijds wordt strafverzwarend geacht dat het niet het eerste geweldsincident is waar de verdachte voor wordt veroordeeld en dat het feit in het openbaar en op klaarlichte dag plaatsvond.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.691,46 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.500,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gematigde toewijzing van de vordering tot vergoeding van materiële schade, te weten tot een bedrag van € 7.046,38, waarbij de gederfde inkomsten geschat worden op een bedrag van € 5.000,00 en de kosten die betrekking hebben op de schoenen, de ambulancekosten en de boekhouder afgewezen zouden dienen te worden. De vordering tot vergoeding van immateriële schade dient geheel toegewezen te worden, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging primair afwijzing van de vordering bepleit, gelet op de betoogde vrijspraak en subsidiair de niet-ontvankelijkheid, nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair is per gevorderde post toegelicht waarom de vordering onvoldoende onderbouwd is, ofwel in een te ver verwijderd verband van het ten laste gelegde feit staat.
Ten aanzien van de immateriële schade is – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht de vergoeding te matigen.

8.3.

Beoordeling

Materiële schade

De gevorderde posten zullen ieder afzonderlijk besproken worden.

Jas (€ 995,00)

De rechtbank acht het aannemelijk dat de jas door het bewezenverklaarde beschadigd is geraakt. Nu geen aankoopbewijs bij de vordering is gevoegd, kan de rechtbank de waarde van de jas niet vaststellen. De schade zal daarom geschat worden op een bedrag van

€ 150,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij op dit punt van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Trui (€ 69,99)

De schade aan de trui vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit en de vordering is voldoende onderbouwd. Deze post zal worden toegewezen.

Schoeisel (€ 179,99)

Uit het dossier is niet gebleken dat aan de schoenen van de benadeelde partij schade is ontstaan. De vordering zal op dit punt worden afgewezen.

Telefoon (€ 464,95) en reparatie telefoon (€ 85,00)

De aangever heeft desgevraagd toegelicht dat één van zijn telefoons verloren is geraakt op de plaats delict en dat een andere telefoon beschadigd is geraakt. De gestelde schade blijkt noch uit het dossier, noch uit de stukken zoals overgelegd door de benadeelde partij. De vordering zal op dit punt worden afgewezen.

Eigen risico zorgkosten (€ 840,61)

Dit betreft het ambulancevervoer naar het ziekenhuis na het feit. Deze post vloeit rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit en is voldoende onderbouwd, zodat deze zal worden toegewezen.

Gederfde inkomsten (€ 9.968,16) en kosten boekhouder (€ 1.134,38)

De benadeelde partij heeft door een boekhouder een berekening laten maken, waaruit volgt dat hij in de vier maanden na het feit het gevorderde bedrag aan inkomsten heeft misgelopen. De boekhouder heeft hiervoor kosten in rekening gebracht.

De rechtbank leest in het medische rapport dat de verwondingen die de benadeelde partij heeft opgelopen, bij een ongecompliceerd beloop na twee weken genezen zouden moeten zijn. Niet is gebleken dat sprake is geweest van een gecompliceerd beloop als gevolg waarvan de benadeelde partij niet heeft kunnen werken sinds het feit. Voorts heeft hij zelf verklaardbij de politie, tijdens een verhoor dat een maand na het feit plaatsvond, dat hij niet onder medische behandeling stond. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden in dit deel van de vordering.

Voor de kosten van de boekhouder geldt dat deze niet in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde feit; de benadeelde partij is ook hierin niet-ontvankelijk.

Afhandig gemaakt geldbedrag (€ 1.000,00)

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de diefstal, zal de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk verklaard worden.

Kosten opvragen huisartsjournaal (€ 46,38)

Deze post zal als zijnde rechtstreeks voortvloeiend uit het bewezenverklaarde feit en voldoende onderbouwd, worden toegewezen.

Bril (€ 709,00)

Tot slot blijkt noch uit het dossier, noch uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken, dat de benadeelde partij zijn bril is verloren, of dat deze is beschadigd tijdens of als gevolg van het feit. Deze post zal worden afgewezen.

Voor wat betreft de materiële schade betekent dit dat een bedrag zal worden toegewezen van € 1.106,98.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met niet-ontvankelijkverklaring van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 4 januari 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.856,98, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.856,98 (zegge: achttienhonderdzesenvijftig euro en achtennegentig cent), bestaande uit € 1.106,98 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2021, tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de door de benadeelde partij gevorderde posten: schoeisel, telefoon, reparatie telefoon en bril;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen € 1.856,98 (hoofdsom, zegge: achttienhonderdzesenvijftig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.856,98 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 januari 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een mes, althans een scherp voorwerp meerdere, althans een stekende en of snijdende beweging(en) heeft gemaakt naar of in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of (daarbij) die [naam slachtoffer] in een hand heeft geraakt, en/of

- met dat mes, althans scherp voorwerp in de borst, althans het bovenlichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 januari 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg, de [straatnaam 2], althans een openbare weg (ongeveer) € 1000,00, althans een een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [naam slachtoffer] tegen te houden of te belemmeren uit de auto te stappen waarin hij zich bevond en/of hem (daarbij) de woorden toe te voegen:" Ga terug zitten en geef je geld" en/of "Geef je geld anders ga ik je steken", althans woorden van een soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( nadat die [naam slachtoffer] was uitgestapt) met hem te gaan vechten en/of hem naar de grond te werken, en/of

- met een mes, althans een scherp voorwerp meerdere, althans een stekende en/of snijdende beweging(en) te maken naar of in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of (daarbij) die [naam slachtoffer] in een hand te raken, en/of

- met dat mes/scherp voorwerp in de borst, althans het bovenlichaam van die [naam slachtoffer] te steken of te snijden.

1 HvJEU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K. tegen Estland), par. 53.

2 HvJEU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K. tegen Estland), par. 58.