Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4244

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/6875
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Inlichtingenplicht. Bijschrijvingen. Inkomsten. Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Brutering. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/6875

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Den Haag, eiser,

gemachtigde: mr. I.G.M. van Gorkum,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder,

gemachtigde: I.M. Groen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode 6 oktober 2016 tot en met 31 januari 2019 en de teveel betaalde uitkering tot een bedrag van € 7.729,95 teruggevorderd.

Bij besluit van 1 mei 2019 (primair besluit 2) heeft verweerder de terugvordering op eiser gebruteerd en verhoogd met € 3.720,52 waardoor de totale terugvordering naar aanleiding van de herziening € 11.450,47 bedraagt.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Verweerder heeft de netto terugvordering verlaagd naar

€ 4.934,91 en de totale bruto terugvordering verlaagd naar € 7.083,60. Verweerder heeft vanwege de gedeeltelijke gegrondverklaring € 1.024,- aan proceskosten toegekend voor de verleende rechtsbijstand.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank Den Haag heeft op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie de zaak ter behandeling doorverwezen naar deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 1] , werkzaam bij Fivoor. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.2.

Op 2 januari 2019 heeft het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) een controle uitgevoerd op het woonadres van eiser, [adres] te Den Haag. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening.

1.2.

Op basis van een confrontatiegesprek en de overgelegde stukken heeft verweerder geoordeeld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij inkomsten heeft genoten die hij niet bij verweerder heeft gemeld. Er is sprake geweest van inkomsten uit kapperswerkzaamheden, facilitering thuisprostitutie en bijschrijvingen op zijn rekening die ook als inkomsten worden aangemerkt. Verder heeft hij langer dan is toegestaan in het buitenland verbleven waardoor hij in die periode geen recht had op bijstand.

1.3.

Besloten wordt de uitkering te herzien en de teveel ontvangen uitkering ter hoogte van € 7.729,95 terug te vorderen. Verhoging van de teveel ontvangen bijstand over voorgaande jaren met de afgedragen belasting en premies, leidt tot een totale bruto terugvordering van € 11.450,47.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de netto terugvordering van € 7.729,95 verlaagd naar € 4.934,91 omdat de terugvordering wegens inkomsten uit kapperswerkzaamheden in de periode van 6 oktober 2016 tot en met 31 december 2018 en

de terugvordering wegens inkomsten uit het faciliteren van thuisprostitutie in de periode van 17 december 2018 tot en met 2 januari 2019 is vervallen. De totale bruto terugvordering van € 11.450,47 is verlaagd tot € 7.083,60.

2.2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de in de periode van 17 juni 2017 tot en met 10 december 2018 ontvangen bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw, waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van het recht op bijstand. Eiser heeft niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw, omdat hij geen melding heeft gemaakt van deze stortingen op zijn bankrekening. Verweerder was dan ook gehouden het recht op bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw de bijstand over de periode van 17 juni 2017 tot en met 10 december 2018 terug te vorderen. Voorts heeft verweerder de vordering over de voorgaande jaren gebruteerd. Verweerder heeft de brutering aangepast op het nieuwe vastgestelde terugvorderingsbedrag. Er was geen reden om van brutering af te zien, omdat de vordering niet buiten toedoen van eiser is ontstaan.

3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat een proceskostenveroordeling had moeten worden toegekend in beide bezwaarprocedures en verweerder dus niet heeft kunnen volstaan met € 1.024,-. Eiser heeft verder in beroep aangevoerd dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de betalingen van de heer [naam 2] en de overige stortingen. De bijschrijvingen van de heer [naam 2] betreffen een schuld (leningen), die moet worden terugbetaald. Dit kan daarom niet worden aangemerkt als inkomsten. Eiser stelt een kwetsbaar persoon te zijn met stevige psychiatrische problematiek met een slecht financieel inzicht en beheer. De heer [naam 2] wilde hem helpen. Eiser stelt dat zijn ziektebeeld en het risico dat hij zal afglijden een dringende reden vormt om van de terugvordering af te zien. Verweerder heeft zich hierin ten onrechte niet verdiept. Volgens eiser moeten de stortingen en bijschrijvingen van derden buiten beschouwing blijven net zoals alle bijschrijvingen zijnde inkomsten uit kapperswerkzaamheden (zoals de storting van € 250,- op 8 augustus 2018). Eiser stelt tot slot dat uit zijn paspoortstempels blijkt dat hij in het buitenland is geweest van 11 december 2018 tot 30 januari 2019. Eiser heeft recht op doorbetaling gedurende 28 dagen per kalenderjaar. In 2018 was dit 21 dagen en in 2019 30 dagen. Dit betekent dat hij in 2019 twee dagen teveel uitkering heeft ontvangen. In verband met dit geringe aantal dagen en omdat eiser in verband met medische klachten zo lang op Cuba is geweest, is ten onrechte tot terugvordering overgegaan.

4. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

In artikel 32van de Pw is bepaald wat onder inkomen wordt verstaan.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Proceskostenvergoeding

5. De rechtbank deelt allereerst niet het standpunt van eiser dat verweerder in bezwaar te weinig proceskosten heeft toegekend. De rechtbank is van oordeel dat beide bezwaarprocedures samenhangende zaken zijn zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak. Samenhangende zaken zijn, zo blijkt uit het tweede lid van dit artikel, door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Verweerder heeft daarom terecht vanwege de gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar één keer proceskosten aan eisers gemachtigde toegekend.

Bijschrijvingen

6.1

Uit de overgelegde bankafschriften blijken regelmatige bijschrijvingen in de periode van 17 juni 2017 tot en met 10 december 2018 van derden en de heer [naam 2] . Niet in geschil is dat eiser deze bijschrijvingen niet aan verweerder heeft gemeld, zodat vaststaat dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Gelet hierop dient de vraag te worden beantwoord of deze schending heeft geleid tot het tot een te hoog bedrag verstrekken van bijstand aan eiser.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juli 2019, (ECLI:NL:CRVB:2019:2665) worden stortingen en bijschrijvingen van derden op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Zoals verder volgt uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2999), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand – deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 32, eerste lid, van de Pw – (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr 3, blz. 58-59) af te leiden dat de bedoeling van de wetgever is dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Verder valt uit die geschiedenis af te leiden dat de wetgever niet heeft beoogd een uitputtende opsomming van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen te geven, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. De wetgever heeft daarbij benoemd dat ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen heeft betrekking op de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) volgt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger die een terugkerend karakter of periodiek karakter hebben, die door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en die zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, inkomsten zijn als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

6.3.

Uit wat onder 6.2 is overwogen volgt dat de bijschrijvingen die eiser heeft ontvangen in beginsel als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met betrekking tot de bijschrijvingen niet aannemelijk gemaakt aan de hand van verifieerbare gegevens dat hij niet vrijelijk over de ontvangen bedragen heeft kunnen beschikken en dat hij deze bedragen niet heeft kunnen aanwenden voor zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten. De stelling van eiser dat de bedragen leningen betreffen, maakt niet dat deze bedragen niet als inkomen kunnen worden aangemerkt. Een geldlening is immers niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Dit kan anders zijn in het geval dat een betrokkene is aangewezen op het aangaan van geldleningen om in zijn onderhoud te voorzien in een periode dat hij geen bijstand ontvangt. Voornoemde situatie doet zich hier niet voor omdat eiser bijstand ontving in de maanden waarin de bijschrijvingen zijn gedaan. Nu de bijschrijvingen een terugkerend karakter hebben, door eiser konden worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover hij een beroep op bijstand deed, heeft verweerder deze op goede gronden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw.

Berekening vordering

7.1.

De stelling van eiser dat de vordering naar beneden moet worden gesteld, slaagt niet. Verweerder heeft bij het verweerschrift een overzicht uit Socrates overgelegd waarop is te zien welke bedragen als inkomsten zijn ingebracht en verrekend met de

uitkering. Eisers stelling dat stortingen en bijschrijvingen van derden buiten beschouwing moeten blijven slaagt evenmin, omdat eiser ook over deze bedragen vrijelijk kon beschikken en aanwenden voor zijn levensonderhoud. De beide stortingen van 13 januari 2018

(€ 100,-) en 8 augustus 2018 (€ 250,-), die zouden zijn voortgekomen uit kapperswerkzaamheden, zijn volledig buiten de terugvordering gelaten, zoals ook blijkt uit het bijgevoegde overzicht.

7.2.

Omdat eiser als gevolg van de schending van zijn inlichtingenplicht te veel bijstand heeft ontvangen, was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht om de bijstand te herzien over de maanden waarin de geldbedragen zijn ontvangen. Hieruit vloeit tevens voort dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht was de ten onrechte verleende bijstand van eiser terug te vorderen.

Verblijf in het buitenland

8. Op basis van de beschikbare gegevens is vastgesteld dat eiser op 11 december 2018 naar Cuba op vakantie is geweest en op 30 januari 2019 is teruggekeerd. Iedereen jonger dan de AOW-leeftijd mag maximaal vier weken per jaar in het buitenland verblijven. Deze periode van vier weken is ook de maximale periode dat iemand aaneengesloten in het buitenland mag verblijven, zoals volgt uit artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw. Het is dus niet toegestaan om over de jaarwisseling heen de vakantiedagen te combineren, als daarbij de totale periode in het buitenland meer dan vier weken is. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0142, brengt een redelijke wetsuitleg mee dat in geval zowel op de dag van vertrek als op de dag van terugkeer sprake is van verblijf in en buiten Nederland, één van beide dagen wordt aangemerkt als dag waarop men (nog) verblijf in Nederland heeft en de andere als dag waarop men (nog) buiten Nederland verblijft. Het door verweerder gehanteerde uitgangspunt dat men op de dag van vertrek nog geacht wordt verblijf te houden in Nederland en op de dag van terugkeer geacht wordt verblijf te houden buiten Nederland is in overeenstemming met deze rechtspraak. Dit betekent dat eiser wegens het bereiken van het einde van de vierwekentermijn op 9 januari 2019, over de periode 9 januari 2019 tot en met 30 januari 2019 langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser gedurende deze periode geen recht had op bijstand. Dat sprake was van een acute noodsituatie waardoor eiser niet tijdig kon terugkeren, en op grond waarvan aanspraak op bijstand kan (blijven) bestaan, is niet gebleken. Eiser heeft zijn stelling op dit punt niet nader onderbouwd.

Dringende redenen

9.1.

Eiser heeft aangevoerd dat het ziektebeeld van eiser en het risico dat hij zal afglijden dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Daarnaast kan eiser de terugvordering van de heer [naam 2] niet aflossen.

9.2.

Omdat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden, is het college verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen. Het college kan daarvan op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw afzien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Financiële gevolgen van terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de eerst in beroep overgelegde verklaring van H. de Bruijn van 25 maart 2019 het beroep op dringende redenen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit dit bericht volgt dat eiser eerder manisch was, hij in behandeling is bij Ambulant Centrum Haaglanden, hij al vijf maanden stabiel is, er sprake is van een voorwaardelijke rechterlijke machtiging, eiser last heeft van een bipolaire stoornis en zijn financiële draagkracht klein is. Uit deze verklaring volgt niet dat de klachten het gevolg zijn van de terugvordering. Dat sprake is van een kwetsbaar evenwicht en eiser stress kan ervaren van het moeten terugbetalen, met alle gevolgen van dien, zoals H. de Bruijn ter zitting heeft toegelicht, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser de bescherming geniet van de beslagvrije voet en hij dus nog steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 95% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm. Ook het feit dat eiser de gestelde lening van de heer [naam 2] niet (snel) kan aflossen vormt geen dringende reden als hiervoor bedoeld.

9.4.

Voor zover eiser ter zitting nog heeft betoogd dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, volgt de rechtbank dit niet. Voor toetsing van het bestreden besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat gelet op het verplichtend karakter van het besluit tot terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw geen ruimte. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:486).

Brutering

10.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de Pw neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

10.2.

Nu eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden en de terugvordering om die reden niet buiten zijn toedoen is ontstaan, was verweerder bevoegd tot brutering van de terugvordering. In hetgeen eiser heeft aangevoerd hoefde verweerder geen aanleiding te zien om van terugvordering van onverschuldigde betaalde premies en belastingen af te zien.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.