Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4239

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
10/701072-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot ontploffing/brandstichting, van bedreiging, van het voorhanden hebben van een handgranaat en van heling. Niet is gebleken dat de verdachte of zijn medeverdachten direct betrokken waren bij het plaatsen van de handgranaat in het voertuig van de aangever, noch dat hij betrokkenheid had bij de heling van het ten laste gelegde voertuig. Alternatief scenario omtrent aanwezigheid DNA op de handgranaat kan niet worden uitgesloten. Bevel VH al eerder opgeheven. BP niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701072-20

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het
Justitieel Complex Zaanstad, locatie Westzaan,

raadsman mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten (in het kort: het medeplegen van een poging tot het tot ontploffing brengen van een handgranaat in de auto van [naam slachtoffer] , het medeplegen van een bedreiging van [naam slachtoffer] , het voorhanden hebben van een handgranaat en het medeplegen van de heling van een BMW);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Vrijspraak

4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van alle hiervoor omschreven ten laste gelegde feiten. Uit onder andere de historische telefoongegevens, de ANPR- en ASR-gegevens, de camerabeelden en de telefoon- en appgesprekken met de twee medeverdachten en anderen, kan het volgende worden geconcludeerd1.

Op 7 mei 2020 laat medeverdachte [naam medeverdachte 1] een gestolen BMW naar de garage van NCars brengen, die daar wordt voorzien van valse kentekenplaten met kenteken [kentekennummer] . Het voertuig van medeverdachte [naam medeverdachte 2] , een grijze Volkswagen Golf, is die avond in de omgeving van NCars, in Rotterdam Noord, en uit gesprekken tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte blijkt dat [naam medeverdachte 2] de verdachte naar NCars rijdt. Vlak daarna wordt de BMW naar de Sint-Janshaven te Rotterdam Zuid gebracht, begeleid door de Ford Fusion die door [naam medeverdachte 1] wordt gebruikt. De BMW wordt daar klaargezet voor de aanslag de volgende ochtend. Op dat moment rijdt [naam medeverdachte 2] in haar Volkswagen Golf rond in de omgeving van de Sint-Janshaven.
De Sint-Janshaven is in de nabije omgeving van de plaats delict (het terrein van [naam slachtoffer] , aan de [plaats delict] ).

Op 8 mei 2020 verlaat de BMW de Sint-Janshaven. Dit is enige minuten voordat de BMW met twee mensen erin het terrein van [naam slachtoffer] op rijdt. De BMW verlaat dit terrein weer binnen een minuut. Vier minuten nadat de BMW de Sint-Janshaven verliet, keert hij weer in de Sint-Janshaven terug en wordt daar geparkeerd. Dit alles vindt plaats rond kwart voor elf in de ochtend. Drie minuten nadat de BMW weer terugkeert in de Sint-Janshaven, rijdt de Volkswagen Golf van [naam medeverdachte 2] de Sint-Janshaven uit. Enkele minuten later stuurt [naam medeverdachte 2] een bericht naar [naam medeverdachte 1] met de tekst ‘done’ (klaar).

De aangever, [naam slachtoffer] , ontdekt rond 12:00 uur dat een ruit van zijn auto is gebroken en dat er een handgranaat in de auto ligt. De handgranaat is geactiveerd, maar niet tot ontploffing gekomen als gevolg van roest aan de binnenkant. Op de handgranaat is een DNA-spoor aangetroffen dat matcht met het DNA van de verdachte.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt dat de BMW gebruikt is bij de aanslag en dat in de 52 seconden waarin de BMW zich op het terrein van [naam slachtoffer] bevond, door iemand uit de BMW de handgranaat in de auto van de aangever is geplaatst. De drie verdachten zijn betrokken geweest bij de feiten en hebben in nauwe en bewuste samenwerking gehandeld. Zo was [naam medeverdachte 1] de drijvende kracht achter de feiten: hij had de handgranaat, regelde de gestolen BMW en zorgde dat de kentekenplaten daarvan werden vervangen, hij gaf instructies aan de verdachte en aan hem werd teruggekoppeld dat de handgranaat was geplaatst. De verdachte was aanwezig in de garage waar die avond de kentekenplaten zijn vervangen, hij kreeg instructies van [naam medeverdachte 1] en heeft de daadwerkelijke poging tot ontploffing/bedreiging uitgevoerd door de handgranaat te plaatsen in de auto van aangever. Hij werd daarbij telkens gereden door zijn vriendin [naam medeverdachte 2] ; zij was erbij in de garage NCars, reed de avond voor de aanslag rond in de omgeving van de Sint-Janshaven waar de BMW werd klaargezet, bestuurde de BMW toen de verdachte op 8 mei 2020 de handgranaat in de auto van aangever plaatste en berichtte [naam medeverdachte 1] vervolgens dat het “done” was. Alle ten laste gelegde feiten kunnen daarom wettig en overtuigend bewezen worden.

4.2.

Beoordeling door de rechtbank

De officier van justitie heeft, op basis van de feiten en omstandigheden zoals opgenomen in het dossier, een scenario geschetst omtrent de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten bij de ten laste gelegde feiten. De rechtbank acht dit scenario zeer wel mogelijk op basis van het dossier. Er ontbreken echter concrete aanknopingspunten om buiten redelijke twijfel aan te nemen dat het daadwerkelijk zo is gegaan als de officier van justitie betoogt.

Aannemelijk is dat de BMW met kenteken [kentekennummer] is gebruikt bij de poging tot ontploffing, in aanmerking genomen dat de auto de dag ervoor gestolen is, er valse kentekenplaten op zaten en zowel de aangever als de politie dit kennelijk de enige opvallende auto vindt die in het tijdsbestek waarbinnen het feit moet zijn gepleegd aanwezig was op het terrein van aangever [naam slachtoffer] .
De overige opmerkelijkheden, zoals de appgesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] en de aanwezigheid van de Volkswagen Golf van medeverdachte [naam medeverdachte 2] en de Ford Fusion die [naam medeverdachte 1] gebruikte in de omgeving van de plaats delict, zijn zonder meer bezwarend maar onvoldoende voor de conclusie dat het niet anders kan dan dat de verdachten (direct) betrokken waren bij de ten laste gelegde feiten in de rol zoals de officier van justitie heeft betoogd. Zo is er geen direct bewijs dat de verdachte en [naam medeverdachte 2] diegenen waren die in de BMW zaten op het moment van de aanslag en is het mogelijk dat de berichten tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] en het bericht van [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 1] betrekking hadden op andere (al dan niet strafbare) feiten. Voorts geldt voor de verdachte specifiek dat niet is gebleken dat hij enige kennis had van of betrokkenheid had bij de heling van de BMW.

De verdediging heeft daarnaast een alternatieve verklaring gegeven voor de aanwezigheid op de handgranaat van het DNA-spoor dat matcht met de verdachte. Die verklaring houdt in dat het DNA-spoor erop is gekomen doordat de verdachte in (de rechtbank begrijpt:) 2017 in contact is gekomen met de handgranaat toen hij door zijn vriendschap met een wapenhandelaar kon beschikken over allerlei wapens. Dit alternatieve scenario kan op basis van de thans aanwezige informatie niet worden uitgesloten. Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de handgranaat in de ten laste gelegde periode, namelijk op 8 mei 2020, en op de plaats delict (zoals vervat in het onder 1 en 2 ten laste gelegde), is de aanwezigheid van het met de verdachte matchende DNA-spoor onvoldoende, omdat uit de bewijsmiddelen niet valt te herleiden wanneer en waar het DNA van de verdachte op de handgranaat is terechtgekomen.

4.3.

Conclusie

De rechtbank oordeelt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten onder 1, 2, 3 en 4 omdat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte al bij afzonderlijk geminuteerde beslissing van 3 mei 2021 met onmiddellijke ingang opgeheven, zodat daar in dit vonnis geen beslissing meer over hoeft te worden genomen.

5. Vordering benadeelde partij

De heer [naam slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 97.780,- aan materiële schade en een vergoeding van € 3.500,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

6. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

7. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten ter verdediging tegen de vordering door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Rotterdam ter uitvoering van het door zijn voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, met dat opzet met een of meer van haar mededader(s), althans alleen met een hamer, althans een voorwerp een ruit van een personenauto, merk Porsche, heeft ingeslagen en/of vernield en/of (vervolgens) een handgranaat waar die pin van was uitgetrokken in die personenauto heeft gegooid/gelegd en/of achtergelaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, en/of enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of zware mishandeling, en/of brandstichting, door met een hamer, althans een voorwerp een ruit van een personenauto, merk Porsche, heeft ingeslagen en/of vernield en/of (vervolgens) een handgranaat waar die pin van was uitgetrokken in die personenauto heeft gegooid/gelegd en/of achtergelaten;

3.

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Rotterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2020 tot en met 8 mei 2020 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto, merk BMW, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

1 De hierna volgende weergave van het standpunt van de officier van justitie bevat een samenvatting van het requisitoir in de bewoordingen en volgorde van de rechtbank.