Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4238

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
8974107 VZ VERZ 21-389 en 8976947 VZ VERZ 21-434
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Oosv van een zorgmw die een seksuele relatie met (ex-)patiënte is aangegaan en die foto's en film van die patiënte met expliciete pornografische inhoud op zijn werkaccount heeft opgeslagen, terecht bevonden. BV/TV afgewezen. Verz. wg 7:677 lid 3 toegew.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers: 8974107 VZ VERZ 21-389 en 8976947 VZ VERZ 21-434

uitspraak: 7 mei 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. A.M.R. de Vaal, werkzaam bij DAS te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Antes Zorg B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht te Middelharnis,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Antes Zorg B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht te Middelharnis,

tegen

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.R. de Vaal, werkzaam bij DAS te Zoetermeer.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [persoon A] ” en “Antes”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW aan de zijde van [persoon A] , met producties,
    per faxbericht ontvangen op 14 januari 2021 en per gewone post op 18 januari 2021;

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:677 lid 2 en lid 3 sub a BW en het voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:671b lid 1 sub a BW aan de zijde van Antes, met producties,
    per faxbericht ontvangen op 15 januari 2021 en per gewone post op 18 januari 2021;

  • -

    de aan de zijde van [persoon A] bij (fax)brief van 2 maart 2021 overgelegde akte vermeerdering van eis;

  • -

    het verweerschrift aan de zijde van [persoon A] , met een productie, ontvangen op 3 maart 2021;

  • -

    het verweerschrift aan de zijde van Antes, met producties, ontvangen op 3 maart 2021;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van Antes overgelegde brief van 8 maart 2021, ter griffie ontvangen op 10 maart 2021, met een productie;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de zijde van beide partijen overgelegde pleitnota’s.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021. De zitting is gelijktijdig gehouden in beide voormelde zaken. [persoon A] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens Antes waren aanwezig de heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ), manager bedrijfsvoering, de heer [persoon C] , HR-adviseur, en mevrouw [persoon D] , HR-adviseur, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Partijen hebben hun standpunten (nader) doen toelichten door hun respectieve gemachtigden, aan de hand van pleitnota’s, die zij hebben overgelegd. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden. Met partijen is tijdens de zitting afgesproken dat stukken die in de ene zaak zijn overgelegd ook geacht worden te zijn overgelegd in de andere zaak.

1.3

Nadat de kantonrechter de zaken met partijen had besproken, is afgesproken dat Antes nog in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk op 26 maart 2021 een akte te nemen met betrekking tot een nadere onderbouwing van de door haar gestelde onverwijldheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en dat [persoon A] vervolgens nog in de gelegenheid wordt gesteld om daarop te reageren, uiterlijk op 9 april 2021. Op 26 maart 2021 heeft Antes bedoelde akte, met producties, genomen. [persoon A] heeft op 9 april 2021 een antwoordakte ingediend.

1.4

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Antes is een instelling voor geestelijke gezondheids- en verslavingszorg. Antes maakt onderdeel uit van de Parnassia Groep.

2.2

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 november 2005 bij Antes in dienst getreden. [persoon A] was laatstelijk werkzaam in de functie van verpleegkundige 1 op de afdeling [naam afdeling] . Op deze afdeling verblijven patiënten met een zogeheten “dubbele” diagnose, bestaande uit enerzijds psychiatrische problemen en anderzijds verslavingsproblemen. Het salaris van [persoon A] bedroeg laatstelijk € 3.326,00 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.3

Op de arbeidsovereenkomst is de beroepscode van verpleegkundigen en verzorgenden (hierna: de beroepscode), de gedragscode en de E-gedragscode van Antes van toepassing.

Artikel 2.4 van de beroepscode luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

“Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (…) professionele grenzen in acht.

Dat betekent onder andere dat ik (…)

geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager (…)”

In de gedragscode is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“ (…)

  • -

    Wij hebben geen persoonlijke relatie met patiënten met wie wij in het kader van ons werk te maken hebben, noch gedragen wij ons seksueel uitnodigend of intimiderend.

  • -

    Behandelaars gaan tot tenminste twee jaar na beëindiging van de behandelrelatie geen persoonlijke relatie aan met hun patiënt.

(…)

  • -

    Op grensoverschrijdend gedrag kunnen maatregelen en sancties staan. Deze kunnen variëren van een indringend gesprek tot een waarschuwing of zelfs ontslag. (…)

  • -

    De keuze van de maatregel of sanctie is onder meer afhankelijk van de strekking, de ernst, de duur en de impact van de overschrijding. Ook de wijze waarop de normoverschrijding bekend is geworden, is daarop van invloed.

(…)

Van strafbaar gedrag en ernstig disfunctioneren door collega’s die met patiënten werken wordt altijd melding gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en zo nodig een melding aan het Waarschuwingsregister Zorg & Welzijn.”

Artikel 3.3 van de E-gedragscode luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

“Het is in het bijzonder niet toegestaan om op internet of via e-mail:

(…)

pornografisch, racistisch, discriminerend, beledigend of aanstootgevend materiaal te bekijken of te downloaden of te verspreiden;

(…)

dreigende, beledigende, seksueel getinte, racistische dan wel discriminerende berichten te verzenden of door te sturen (…)

Indien u ongevraagd informatie, inhoudende materiaal als hierboven genoemd aangeboden krijgt, dient u dit te melden aan de afdeling ICT.”

2.4

Mevrouw [persoon E] . (hierna: de patiënte) was enkele maanden opgenomen op de afdeling [naam afdeling] . De patiënte leed aan psychische- en verslavingsproblemen.

Zij is in maart 2020 met ontslag gegaan.

2.5

Op 15 oktober 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden met [persoon A] . Antes heeft [persoon A] daarna voor de duur van een week geschorst. Die schorsing is bij brief van diezelfde datum aan [persoon A] bevestigd. In deze brief is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) Aan deze schorsing liggen verschillende redenen ten grondslag, deze zijn door de heer [persoon B] , manager bedrijfsvoering, vandaag aan u medegedeeld:

  • -

    Een incidentmelding betreffende de registratie van opiaten (toevoegen van methadon van een patiënt aan de medicatievoorraad van de afdeling);

  • -

    Een andere melding over medicatie;

  • -

    Het printen van een foto van een patiënt op een werkprinter;

  • -

    Pestgedrag naar collega’s.

Om de situatie goed en gedegen te kunnen beoordelen, zien wij ons genoodzaakt om nader onderzoek te doen. Gedurende uw schorsing zullen wij de reden van uw schorsing nader onderzoeken en juridisch advies inwinnen. (…)”

Antes heeft de toegang tot het werkaccount van [persoon A] geblokkeerd.

2.6

Bij brief van 16 oktober 2020 heeft [persoon A] bezwaar gemaakt tegen de schorsing.

2.7

Bij brief van 20 oktober 2020 is aan [persoon A] meegedeeld dat de schorsing wordt verlengd met een week, derhalve tot en met 28 oktober 2020.

2.8

Antes heeft [persoon A] uitgenodigd voor een vervolggesprek op 27 oktober 2020.

2.9

Op 22 oktober 2020 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de ICT-afdeling van Antes en verzocht om hem toegang te verlenen tot zijn werkaccount in verband met het in orde maken van zijn BIG-registratie. De afdeling ICT heeft [persoon A] vervolgens toegang gegeven tot zijn account.

2.10

In de avond van 22 oktober 2020 heeft [persoon B] aan [persoon A] verzocht of hij toestemming wilde verleende aan Antes om onderzoek te doen naar zijn werkaccount.

[persoon A] heeft dat geweigerd.

2.11

Op 23 oktober 2020 heeft mevrouw [persoon F] (hierna: [persoon F] ), directeur bedrijfsvoering van Antes, toestemming gegeven om onderzoek te doen naar het werkaccount van [persoon A] met betrekking tot de vraag of [persoon A] de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) had overtreden. [persoon F] heeft dit diezelfde dag aan [persoon A] meegedeeld.

De heer [persoon G] (hierna: [persoon G] ), functionaris gegevensbescherming bij de Parnassia Groep, en de heer [persoon H] (hierna: [persoon H] ), security officer bij de Parnassia Groep, hebben vervolgens onderzoek gedaan naar het werkaccount van [persoon A] .

2.12

Op 27 oktober 2020 heeft een vervolggesprek met [persoon A] plaatsgevonden. [persoon A] werd daarbij bijgestaan door een medewerker van FNV. Van dat gesprek is door Antes een verslag opgesteld. [persoon A] heeft dat verslag aangevuld. Op basis van dat gesprek heeft Antes aanleiding gezien om een vervolgonderzoek in te stellen naar het werkaccount van [persoon A] . Dat onderzoek heeft wederom plaatsgevonden door [persoon G] en [persoon H] . Daarbij is pornografisch beeldmateriaal aangetroffen op de persoonlijke H-schijf van het werkaccount van [persoon A] en diverse seksueel getinte e-mails in de mailbox van [persoon A] . Ook is geconstateerd dat [persoon A] tijdens zijn schorsing heeft ingelogd op zijn werkaccount en dat hij toen bestanden heeft verwijderd.

2.13

Op 17 november 2020 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden met [persoon A] . Tijdens dat gesprek is [persoon A] op staande voet ontslagen. Dat ontslag is bij brief van diezelfde datum aan [persoon A] bevestigd. In deze brief is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) Zoals u bekend, bent u op donderdag 15 oktober 2020 door ondergetekende met onmiddellijke ingang geschorst. Aan die schorsing lagen verschillende redenen ten grondslag, daaronder begrepen:

  • -

    een incidentmelding betreffende de registratie van opiaten (toevoegen van methadon van een patiënt aan de medicatievoorraad van de afdeling);

  • -

    een andere melding over medicatie;

  • -

    het printen van een foto van een vrouwelijke patiënt op een werkprinter;

  • -

    pestgedrag naar collega’s.

Op 27 oktober 2020 vond een vervolggesprek met u plaats in verband met uw schorsing en de daaraan ten grondslag liggende redenen. (…) In dat gesprek zijn u ook nadere vragen gesteld naar aanleiding van de foto van een vrouwelijke patiënt, mevrouw [persoon E] . die u vanaf uw computer op het werk in kleur op a4-formaat op een werkprinter had geprint. In reactie daarop verklaarde u dat u terug van vakantie in september 621 mails in uw inbox aantrof, dat u de mails had geprint en dat u ook de foto van de patiënte had uitgeprint. De foto was u, volgens u, ongevraagd gestuurd. U dacht dat het uw ex-schoonzus was. Op de vraag waarom u een - naar eigen zeggen - ongevraagd ontvangen foto in kleur op A4-papier hebt uitgeprint, deelde u mede:

“Ja, dit heb ik gedaan. Ik kan het niet uitleggen, het gebeurt mij. Ik zit thuis in corona tijd en ik heb mijn werk. En dit heeft mij in de shit geholpen.”

Toen de heer [persoon B] u daarop doorvroeg, verklaarde u dat u contact met de patiënte hebt gehouden nadat zij was ontslagen van haar behandeling. Volgens u was er mailwisseling geweest en betrof dat eerst hulpverlening en later ook foto’s. U erkende fout te zijn geweest. Op de vraag dat het bekend is dat het bij Antes is verboden contact te houden met een patiënte die met ontslag is gegaan, verklaarde u dat u dat niet kunt uitleggen en dat u het gevoel hebt aan het ontsporen te zijn.

Over het contact dat u met de patiënte hebt onderhouden, verklaarde u dat dat “meer dan normaal contact” is geweest. Desgevraagd verklaarde u:

“Prikkelbaar sensueel contact vanuit de patiënt. Ik weet dat het niet mag en niet kan, maar ik kan het niet in details uitleggen.”

Ook verklaarde u desgevraagd dat u niet om hulp hebt gevraagd en niemand hebt geïnformeerd, toen u besefte dat u met iets bezig was dat niet kan. U erkende dat de foto die u heeft geprint een foto van de patiënte [persoon E] . is, maar dat u toen niet wist dat het om deze ex-patiënte ging. Voorts verklaarde u desgevraagd dat het contact met de ex-patiënte “tot juni, juli, augustus, september, oktober heeft geduurd”. Vervolgens verklaarde u:

“In juli is het laatste contact geweest. Ik heb er geen tijd voor. Ik heb niet gezegd ik stop ermee. Zij heeft ook een vriend.”

Ook deelde u mede de mails van de patiënte daarna te hebben genegeerd. Toen u ermee werd geconfronteerd dat de betreffende foto u daarna, in september, per mail was gestuurd en u de foto hebt geprint, reageerde u met de opmerking:

“Ik moet binnen een uur veel mails doorlezen. Ik had 621 mails en dan print ik mails en foto’s.”

Van het gesprek van 27 oktober 2020 is een verslag opgesteld. U heeft een exemplaar van het gespreksverslag ontvangen. Daarna heeft u op eigen initiatief een aanvulling op het verslag naar ons toegestuurd. (…)

Ook heeft u verklaard dat u na uw schorsing op 22 oktober 2020 aan de afdeling ICT hebt verzocht toegang te krijgen tot uw werkaccount. Volgens u moest u ‘dingen regelen voor uw BIG-registratie’ en heeft u in verband daarmee een aantal documenten uitgeprint.

(…)

Ten behoeve van het onderzoek dat naar aanleiding van uw schorsing werd uitgevoerd, heeft uw leidinggevende, [persoon B] , u verzocht of u toestemming verleent aan inzage van uw werkaccount bij Antes. Per email heeft u uitdrukkelijk geweigerd daarvoor toestemming te geven. Ten behoeve van het onderzoek heeft Antes vervolgens de security officer van de Parnassia Groep opdracht gegeven uw werkaccount te onderzoeken. Daarbij zijn door de security officer onder meer twee foto’s en een film, beide met expliciete pornografische inhoud van patiënte [persoon E] . op uw persoonlijke H-schijf van uw werkaccount aangetroffen. Op de ene foto Mw. ligt patiënte [persoon E] . hangend op een bank. Zij steekt suggestief 2 vingers in haar mond terwijl zij in de camera kijkt. Op de andere foto is een vrouwenborst te zien. Op de film is te zien dat patiënte [persoon E] . onderuit op een bank ligt; het beeld gaat van haar gezicht naar haar vagina en laat zien dat de patiënte duidelijk en expliciet zichtbaar aan het masturberen is met een dildo; vervolgens gaat de camera weer naar boven en is haar gezicht weer in beeld.

Zowel de regiebehandelaar als de uitvoerend behandelaar hebben vastgesteld dat op de foto en de film patiënte [persoon E] . in beeld is. Volledigheidshalve is door een lijnfunctionaris die de patiënten van de afdeling waar u werkzaam bent, onder aanwezigheid van een lid van de onderzoekscommissie, gevraagd de patiënte [persoon E] . te identificeren. Deze lijnfunctionaris bevestigde daarop dat het om voornoemde patiënte gaat.

Voorts is het de security officer gebleken dat u na de datum waarop u geschorst bent een groot aantal bestanden van uw werkaccount hebt verwijderd. Dat is opvallend omdat u de toegang tot uw werkaccount tegelijkertijd met de ingang van de schorsing is ontzegd. U hebt hierover zelf verklaard dat u na uw schorsing de afdeling ICT hebt benaderd om ‘dingen regelen voor uw BIG-registratie’ en dat u in verband daarmee een aantal documenten heeft uitgeprint.

Op grond van het bovenstaande dient te worden vastgesteld dat uw gedrag om meerdere redenen als ernstig grensoverschrijdend dient te worden gekwalificeerd. Met uw gedrag heeft u onder meer de bij Antes geldende gedragsregels, waaraan u via uw arbeidsovereenkomst bent gebonden in zeer ernstige mate overtreden. In deze gedragsregels staat in het bijzonder:

“Wij hebben geen persoonlijke relatie met patiënten met wie wij in het kader van ons werk te maken hebben, noch gedragen wij ons seksueel uitnodigend of intimiderend.

Behandelaars gaan tot tenminste twee jaar na beëindiging van de behandelrelatie geen persoonlijke relatie aan met hun patiënt.”

In uw functie van Verpleegkundige dient u namens Antes een professioneel hulpverlener te zijn jegens diegene die u begeleidt/verpleegt en hebt begeleid/verpleegd. De personen die u begeleidt/verpleegt bevinden zich in een afhankelijke en kwetsbare positie jegens u als hulpverlener. Met uw houding en gedrag heeft u dit volledig miskend. Hoewel u daartoe gelegenheid had, heeft u geen melding gemaakt van de ontvangst van de foto’s en film van de patiënte met expliciete pornografische inhoud. In plaats daarvan heeft u besloten foto’s en film van de patiënte voor uzelf op uw computer te bewaren. Dat is volledig in strijd met uw rol als professioneel hulpverlener. Ook is uw gedrag in strijd met de E-Gedragscode voor Elektronische Communicatiemiddelen van Antes waaraan u gebonden bent en op basis waarvan het u onder meer is verboden pornografisch materiaal op het werk te bekijken en/of te bewaren. In de E-Gedragscode staat vermeld dat bij overtreding beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan volgen.

Hier komt bij dat gebleken is dat uw verklaringen tijdens het gesprek dat met u naar aanleiding van uw schorsing werd gevoerd en die u in uw aanvulling daarop aan ons heeft gegeven, in strijd zijn met de waarheid en/of onvolledig zijn. U heeft onder meer aan ons verklaard dat er zich geen intieme situaties met de patiënte hebben voorgedaan. Uit onder meer de foto’s en film van de patiënte met expliciete pornografische inhoud blijkt dat u ons niet de waarheid hebt verteld. Ook hebt u gelogen met uw verklaring dat u “alle kennis en alle informatie hebt opgebiecht”. Uit voornoemde foto’s en film blijkt dat u tenminste dat, maar waarschijnlijk (veel) meer voor ons hebt verzwegen.

Voorts is gebleken dat u tijdens uw schorsing, terwijl u afgesloten was van uw werkaccount, onder valse voorwendselen toegang tot uw account heeft weten te krijgen om vervolgens bestanden van uw computer te verwijderen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat er nog (veel) meer belastend materiaal op uw computer aanwezig was. Hiermee heeft u het onderzoek van Antes bewust proberen te dwarsbomen door bewijsmateriaal te vernietigen. Ook dit kan u ernstig worden aangerekend.

Uw gedragingen zoals hierboven uiteengezet dienen zowel apart als tezamen te worden gekwalificeerd als (een) dringende reden(en) voor ontslag. Uw gedragingen hebben het vertrouwen dat Antes in u dient te hebben, onherstelbaar beschadigd. Op grond van die dringende reden(en) is Antes bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld jegens u op te zeggen. Antes maakt van deze bevoegdheid gebruik. Zoals aan u tijdens het gesprek van heden is medegedeeld heeft Antes hierbij de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd wegens (een) dringende reden(en). Dat betekent, met andere woorden, dat u per heden op staande voet bent ontslagen. Deze brief betreft een bevestiging van dat ontslag.

Voor alle duidelijkheid en ter voorkoming van misverstanden wijs ik u er reeds thans voor alsdan op dat, wanneer de door Antes als dringende reden(en) voor ontslag aan u medegedeelde feiten en omstandigheden slechts gedeeltelijk in rechte mochten komen vast te staan, het ontslag niettemin geacht wordt te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden aangezien het vorenbedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd eveneens dient te gelden als een dringende reden voor ontslag en Antes u eveneens op staande voet zou hebben ontslagen indien zij - anders dan zij ten tijde van het ontslag meende - daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan eventueel in rechte zal komen vast te staan.

Op grond van uw voornoemde handelingen en gedragingen kan worden vastgesteld dat u door opzet of schuld aan Antes reden hebt gegeven de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Ten gevolge daarvan bent u jegens Antes schadeplichtig zoals bepaald in artikel 7:677 lid 2 BW. Hierdoor is Antes gerechtigd en maakt zij aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, welke schadevergoeding gelijk is aan het loon inclusief vakantiegeld gedurende de periode dat de arbeidsovereenkomst bij opzegging had behoren voort te duren, derhalve een bedrag gelijk aan 4 maanden salaris bruto inclusief vakantiegeld, zijnde € 13.949,28. De gefixeerde schadevergoeding zal worden verrekend met uw eindafrekening. (…)”

2.14

Antes heeft het handelen van [persoon A] gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

2.15

Bij brief van 26 november 2020 heeft de gemachtigde van [persoon A] namens hem geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en een beëindigingsregeling voorgesteld.

2.16

Bij brief van 11 december 2020 heeft de gemachtigde van Antes meegedeeld dat Antes het ontslag handhaaft.

3. De verzoeken van [persoon A] en de grondslagen daarvan

3.1

[persoon A] heeft in het verzoekschrift verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van een billijke vergoeding van
€ 144.470,25 dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

b. Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van een transitievergoeding van
€ 20.696,61 bruto (dan wel een gedeelte hiervan);

c. Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 16.506,04 bruto;

d. Antes te verplichten de melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in te trekken dan wel te wijzigen;

e. Antes te verplichten om een correcte en gespecificeerde eindafrekening op te maken, waarbij het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen worden uitbetaald;

f. Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de uit te betalen eindafrekening (opgebouwde vakantiegeld en de opgebouwde, doch niet-genoten vakantiedagen);

subsidiair:

g. het ontslag op staande voet te vernietigen;

h. Antes te veroordelen om aan [persoon A] te betalen het salaris vanaf 17 november 2020

tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

meer subsidiair:

i. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het gegeven ontslag op staande voet, aan [persoon A] een transitievergoeding toe te kennen van € 20.696,61 bruto;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

j. Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

alles met veroordeling van Antes in de proceskosten.

3.2

Bij voormelde akte “vermeerdering van eis” heeft [persoon A] meegedeeld dat de transitievergoeding € 22.420,65 bruto bedraagt. In dat verband heeft [persoon A] zijn daarop gerichte primaire en meer subsidiaire verzoek vermeerderd en heeft hij in zoverre thans verzocht:

primair:

Antes te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van een transitievergoeding van € 22.420,65 bruto (dan wel een gedeelte hiervan);

meer subsidiair:

voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het gegeven ontslag op staande voet, aan [persoon A] een transitievergoeding toe te kennen van € 22.420,65 bruto.

3.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] meegedeeld dat hij berust in het gegeven ontslag op staande voet. [persoon A] heeft daarom zijn subsidiaire verzoek strekkende tot onder andere vernietiging van het ontslag op staande voet ingetrokken.

3.4

Aan zijn (gewijzigde) verzoeken heeft [persoon A] (uiteindelijk) - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.4.1

Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven. Het door Antes verrichte onderzoek is niet voldoende voortvarend uitgevoerd.

3.4.2

Er is evenmin sprake van een dringende reden voor Antes om de arbeidsovereenkomst tussen partijen per direct op te zeggen. [persoon A] heeft in eerste instantie tegenover zichzelf volgehouden dat er geen sprake is geweest van seksueel contact met de patiënte. [persoon A] zit met zijn mentale gezondheid in de knel en is psychisch in de war (geweest) door hetgeen er de afgelopen tijd allemaal heeft plaatsgevonden. Daarnaast schaamde [persoon A] zich tegenover zijn vrouw en was hij bang voor de gevolgen die de intieme situaties met de patiënte zouden kunnen hebben op zijn huwelijk. [persoon A] heeft het seksuele contact proberen toe te lichten in het gesprek van 27 oktober 2020, maar hij heeft zich toen onvoldoende veilig gevoeld om het seksuele contact concreet te benoemen.

[persoon A] kan nu, door ondersteuning van een psycholoog, de waarheid onder ogen zien dat er wel degelijk sprake is geweest van seksueel contact tussen hem en de patiënte. Dat seksueel contact heeft echter niet al tijdens de opname van de patiënte plaatsgevonden, maar pas daarna vanaf medio april 2020. [persoon A] kende de patiënte al voordat zij werd opgenomen bij Antes en hij was ook niet de behandelaar van de patiënte. [persoon A] heeft dan ook niet in ernstige mate de gedragsregels geschonden.

3.4.3

De seksueel getinte foto’s van de patiënte zijn door haar ongevraagd toegezonden aan [persoon A] . [persoon A] heeft toen besloten om het contact te verbreken. Het eveneens ongevraagd ontvangen pornografische filmpje van de patiënte heeft [persoon A] pas op
26 oktober 2020, tijdens zijn schorsing, voor het eerst gezien. [persoon A] heeft de foto’s en film direct verwijderd en hier verder geen melding van gemaakt. Hij heeft de foto’s en film niet op zijn persoonlijke H-schijf van zijn werkaccount opgeslagen. Ook [persoon A] is van mening dat dergelijke foto’s en films niet thuis horen op een werkaccount. [persoon A] heeft de E-gedragscode dan ook niet geschonden.

Het klopt dat [persoon A] tijdens zijn schorsing diverse bestanden heeft verwijderd van zijn werkaccount, omdat die bestanden betrekking hadden op privé zaken. [persoon A] heeft op
22 oktober 2020 aan de ICT-afdeling verzocht om hem toegang te verlenen tot zijn account, hetgeen is gebeurd. [persoon A] stelt dat hij die toegang nodig had om zijn BIG-registratie te verlengen. In de schorsingsbrief van 15 oktober 2020 is niet vermeld dat [persoon A] geen toegang meer mocht hebben tot zijn account.

3.4.4

Verder heeft [persoon A] een beroep gedaan op zijn persoonlijke omstandigheden.

De ernst van de gedragingen van [persoon A] staan niet in verhouding tot de gevolgen van het ontslag. Het ontslag op staande voet is disproportioneel. [persoon A] heeft altijd met passie zijn werk verricht.

3.4.5

Nu Antes niet bevoegd was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar [persoon A] berust in het ontslag op staande voet, maakt hij (onder meer) aanspraak op de transitievergoeding van € 22.420,65 bruto op grond van artikel 7:673 lid 1 BW, een billijke vergoeding van € 144.470,25 op grond van artikel 7:681 lid 1 BW en een vergoeding van
€ 16.506,04 bruto wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:672 lid 11 BW, gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn van vier maanden. Ook in geval wordt geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen dient aan [persoon A] een transitievergoeding te worden toegekend, omdat het (in het geheel) niet toekennen van die vergoeding volgens hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4. Het verweer en de verzoeken van Antes en de reactie daarop van [persoon A]

4.1

Het verweer van Antes strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [persoon A] in zijn verzoeken dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

Antes heeft verzocht om [persoon A] te veroordelen om aan Antes te voldoen de (gefixeerde) schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 juncto lid 3 sub a BW van € 5.674,74.

Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft Antes verzocht om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor zover in rechte komt vast te staan dat die overeenkomst nog bestaat, primair wegens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [persoon A] en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding, een en ander als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e respectievelijk sub g BW, zonder toekenning aan [persoon A] van een (transitie)vergoeding, en om bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst direct te ontbinden, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

4.2

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Antes, naar aanleiding van de intrekking door [persoon A] van zijn subsidiaire verzoek strekkende tot onder andere vernietiging van het ontslag op staande voet, op haar beurt het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek ingetrokken.

4.3

Hiertoe heeft Antes (uiteindelijk) - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd:

4.3.1

Het ontslag op staande voet is wel degelijk onverwijld gegeven. De diverse door Antes verrichte onderzoeken zijn met de nodige voortvarendheid verricht.

4.3.2

Ook inhoudelijk gezien heeft Antes [persoon A] terecht op staande voet ontslagen. Als gevolg hiervan is de arbeidsovereenkomst op 17 november 2020 met onmiddellijke ingang geëindigd. [persoon A] heeft zich als hulpverlener in de geestelijke gezondheidszorg en verslavingspsychiatrie in ernstige en grensoverschrijdende mate misdragen door (onder meer) een seksuele/intieme relatie met een vrouwelijke patiënte te hebben die hij begeleidde/verpleegde, hij pornografische foto’s en een film van deze patiënte op zijn persoonlijke H-schijf van zijn werkaccount had opgeslagen, hij zonder toestemming nadat hij was geschorst en hij was afgesloten van zijn werkaccount bestanden van dat account heeft verwijderd en hij desgevraagd verklaringen over onder meer zijn relatie met de patiënte aan Antes heeft gegeven die in strijd zijn met de waarheid. Pas in het verzoekschrift heeft [persoon A] erkend dat er sprake was van een seksuele relatie met de patiënte.

Het was [persoon A] op grond van de gedragscode en de beroepscode niet toegestaan om een (seksuele) relatie aan te gaan met de patiënte en ook het pornografische materiaal dat op de persoonlijke H-schijf van het werkaccount van [persoon A] is aangetroffen is op grond van de E-gedragscode niet toegestaan. [persoon A] heeft van dit alles ook geen melding gemaakt binnen Antes. Het handelen van [persoon A] is extra ernstig nu de patiënte een dubbele diagnose had, bestaande uit psychische problemen en verslavingsproblemen en zij zich derhalve in een kwetsbare positie bevond.

4.3.3

Ook de primaire verzoeken zijn niet toewijsbaar. [persoon A] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld jegens Antes. [persoon A] kan dan ook geen aanspraak maken op een billijke vergoeding en de transitievergoeding. Het niet toekennen van de transitievergoeding is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.4

[persoon A] heeft door opzet of schuld aan Antes een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. Daardoor is [persoon A] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) vergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De verzochte vergoeding van € 5.674,74 heeft betrekking op de periode van
17 november 2020 tot 1 januari 2021.

4.5

Het verweer van [persoon A] tegen de door Antes verzochte gefixeerde vergoeding strekt tot afwijzing van dat verzoek, met veroordeling van Antes in de proceskosten.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, zodat [persoon A] deze vergoeding niet is verschuldigd.

5. De beoordeling

Ten aanzien van de verzoeken van [persoon A]

5.1

heeft zowel het (primaire) verzoek strekkende tot toekenning van de verzochte billijke vergoeding, de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging als het aanvankelijk ingestelde (subsidiaire) verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend, omdat dit is ontvangen binnen twee maanden (respectievelijk drie maanden) na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Antes is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a respectievelijk lid 4 sub b BW). [persoon A] is dan ook in zoverre ontvankelijk in zijn verzoeken.

5.2

Tussen partijen is primair in geschil of het op 17 november 2020 door Antes aan [persoon A] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Nu [persoon A] zijn subsidiaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft ingetrokken, staat daarmee vast dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in ieder geval op 17 november 2020 is geëindigd.

5.3

Voorop gesteld moet worden dat tussen partijen niet in geschil is dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen (alleen) zijn vastgelegd in de hiervoor geciteerde ontslagbrief van 17 november 2020 en dat de eerdere schorsing van [persoon A] per 15 oktober 2020, die door Antes is bevestigd in de brief van gelijke datum, met dat ontslag vrijwel geen verband houdt. Dit betekent dat de kwestie met betrekking tot de schorsing en de ook in de ontslagbrief herhaalde gronden van de schorsing in zoverre buiten beschouwing worden gelaten en dat voor de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, (alleen) de aan [persoon A] in genoemde ontslagbrief opgegeven redenen maatgevend zijn en het geschil wordt afgebakend door hetgeen daarin aan het ontslag door Antes ten grondslag is gelegd.

onverwijldheid

5.4

Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, zoals artikel 7:677 lid 1 BW vereist, is dat indien van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, hij vrijwel onmiddellijk nadat hij kennis heeft genomen van de dringende reden, actie moet ondernemen of tenminste tot schorsing dan wel non-actiefstelling van de werknemer moet overgaan. Vermoedt de werkgever een dringende reden en wil hij eerst een onderzoek instellen naar de juistheid van dat vermoeden, dan is de daarbij van de werkgever te vergen voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zo’n onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van juridisch advies, het verzamelen van bewijsmateriaal alsook de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrond bevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen wordt geschaad.

5.4.1

De kantonrechter is van oordeel dat Antes de door haar gestelde onverwijldheid van het ontslag in haar bovengenoemde akte voldoende heeft onderbouwd.

In die akte heeft Antes uitgelegd dat zij meerdere onderzoeken heeft moeten verrichten. Allereerst heeft na de schorsing van [persoon A] per 15 oktober 2020 een onderzoek plaatsgevonden naar het werkaccount van [persoon A] uitsluitend met als doel om na te gaan of hij de AVG had overtreden met betrekking tot de aangetroffen kleurenfoto van de, naar later bleek, patiënte op de werkprinter. In dat verband heeft Antes ook met collega’s gesproken. Antes had toen nog geen vermoeden dat eventueel pornografisch materiaal aanwezig kon zijn op het werkaccount en in de mailbox van [persoon A] en van het bestaan van een seksuele relatie met de patiënte. Aangezien [persoon A] eerst tijdens het op 27 oktober 2020 gehouden gesprek meedeelde dat sprake was van “prikkelbaar sensueel contact” tussen hem en de patiënte, diende een nieuw en breder onderzoek naar zijn werkaccount verricht te worden. Om dat onderzoek uit te kunnen voeren, diende [persoon B] wederom, net als voor het eerdere (beperkte) onderzoek, een verzoek in te dienen bij [persoon F] op 27 oktober 2020. [persoon F] heeft die toestemming diezelfde dag nog verleend. Eerst tijdens dat onderzoek bleek dat zich pornografisch beeldmateriaal en seksueel getinte e-mailberichten bevonden op het werkaccount van [persoon A] en in zijn mailbox en dat hij tijdens zijn schorsing een groot aantal bestanden had verwijderd. Daarom was nog een aanvullend onderzoek nodig. Voorts heeft Antes gesteld dat noch de beide onderzoekers, noch [persoon B] de patiënte kennen en dat zij dus niet in staat waren om te verifiëren of zij het was die op de beelden te zien was. Dat onderzoek diende daarom uitgevoerd te worden door de regiebehandelaar en de uitvoerend behandelaar. Na afronding van de onderzoeken diende [persoon F] , die zelf over onvoldoende juridische kennis beschikt, juridisch advies in te winnen, aldus Antes.

5.4.2

De kantonrechter begrijpt dat deze onderzoeken de nodige tijd in beslag hebben genomen, temeer nu [persoon A] weigerde om toestemming te verlenen aan Antes om toegang te verlenen tot zijn werkaccount. Daardoor moest die toestemming telkens via de formele weg verlopen, hetgeen logischerwijze meer tijd kost dan in het geval [persoon A] die toestemming wel had gegeven. Dat komt voor rekening en risico van [persoon A] . Ook is het eerste onderzoek begrijpelijkerwijs nog beperkt van opzet geweest en zijn de diverse onderzoeken noodzakelijkerwijs met de nodige waarborgen omkleed, gezien de impact van dergelijke onderzoeken, niet alleen voor [persoon A] , maar ook voor de patiënte en eventuele andere personen die voorkwamen op de afbeeldingen. In dat verband heeft Antes onweersproken gesteld dat zij, naast haar eigen juridisch medewerker, ook een onafhankelijke privacy-jurist van het bureau ICT recht heeft ingeschakeld. Verder heeft Antes (tijdens de zitting) nog onweersproken gesteld dat de onderzoekers werkzaam zijn bij de Parnassia Groep in Den Haag, en dus niet binnen haar eigen organisatie, en ook dat als
gevolg van de strenge coronamaatregelen het onderzoek meer tijd gekost heeft, onder meer doordat het niet mogelijk was om bij elkaar binnen te lopen om te overleggen.

Weliswaar heeft Antes niet alle (onderzoeks)fases- en data met stukken onderbouwd en heeft zij besloten om het ontslaggesprek dat oorspronkelijk gepland stond op maandag 16 november 2020 één dag uit te stellen tot dinsdag 17 november 2020, maar tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en de door Antes geschetste tijdlijn waarin de diverse stappen hebben plaatsgevonden, heeft Antes naar het oordeel van de kantonrechter voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij voldoende voortvarend heeft gehandeld om van een onverwijld gegeven ontslag in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW te kunnen spreken. Het verweer van [persoon A] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven wordt daarom verworpen

dringende reden

5.5

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt, dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

5.6

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de beroepscode en de gedragscode op de arbeidsovereenkomst van [persoon A] van toepassing zijn en dat het [persoon A] op grond van die (specifiekere) gedragscode niet is toegestaan om binnen (tenminste) twee jaar na beëindiging van de behandelrelatie een persoonlijke relatie aan te gaan met een patiënt. [persoon A] heeft een en ander tijdens de mondelinge behandeling erkend. [persoon A] heeft ook erkend dat hij een dergelijke relatie wel is aangegaan en ook, hoewel hij dat aanvankelijk nog ontkende, dat hij seksueel contact heeft gehad met de patiënte. Dit betekent dat [persoon A] in strijd heeft gehandeld met de gedragscode. Aan dat oordeel doet niet af het verweer van [persoon A] dat tijdens de opnameperiode van de patiënte bij Antes (nog) geen sprake was van seksueel contact dan wel van “zoenen en vrijen”, maar dat dat pas daarna heeft plaatsgevonden. Antes heeft dat overigens uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat reeds tijdens de opname van de patiënte een seksuele relatie bestond. Wat hier verder ook van zij, in de gedragscode is uitdrukkelijk bepaald dat de behandelaars binnen (minimaal) twee jaar geen persoonlijke relatie mogen aangaan met de voormalig patiënt en dat is hier wel gebeurd. Ook is niet van belang of [persoon A] de vaste begeleider was van de patiënte en of en zo ja in hoeverre [persoon A] haar voor de opname al kende en of de (seksuele) relatie inmiddels (volledig) is verbroken. De gedragscode bevat in dat verband geen uitzonderingsbepalingen.

5.6.1

De ernst van de overtreding van de gedragscode door [persoon A] geldt temeer nu hij in de geestelijke gezondheidszorg werkte met patiënten die “dubbel” gediagnostiseerd zijn. De patiënte leed zowel aan psychische problemen als aan verslavingsproblemen. Zij was derhalve kwetsbaar en zij stond ook in een zeer afhankelijke positie van (onder andere) [persoon A] . Het had op de weg van [persoon A] gelegen om direct aan Antes te melden dat hij een relatie was aangegaan met de patiënte. [persoon A] heeft dat echter niet nagelaten.

5.7

Verder zijn op het werkaccount van [persoon A] (expliciet) pornografische foto’s en een pornografische film van de patiënte aangetroffen en ook diverse (zeer) seksueel getinte berichten van de patiënte in de zakelijke e-mailbox van [persoon A] . Nu de foto van de patiënte die [persoon A] op het werk had geprint niet pornografisch is en nu Antes daar ook geen concrete (arbeidsrechtelijke) gevolgen (anders dan die met betrekking tot de AVG) aan heeft verbonden, zal die foto verder onbesproken blijven.

De stelling van [persoon A] dat hij de foto’s en de film niet had opgeslagen op de persoonlijke H-schijf van zijn werkaccount en dat hij het bewuste filmpje pas op 26 oktober 2020 (voor het eerst) zou hebben gezien is ongeloofwaardig, gelet op de door Antes overgelegde schriftelijke verklaring van [persoon G] . [persoon G] heeft verklaard dat uit het onderzoek naar de persoonlijke H-schijf van het werkaccount van [persoon A] is gebleken dat de foto’s en de film zich op die persoonlijke schijf bevonden en dat [persoon A] de film en foto’s reeds op 23 augustus 2020 respectievelijk op 31 augustus 2020 op die schijf had opgeslagen en dat het (dus) onmogelijk is dat hij de film pas op 26 oktober 2020 (voor het eerst) zou hebben gezien. Die verklaring wordt bovendien ondersteund door het door Antes overgelegde screenshot van de H-schijf van [persoon A] , waaruit voormelde data van
23 augustus 2020 respectievelijk 31 augustus 2020 blijken. [persoon A] heeft tijdens de zitting slechts aangevoerd dat hij hier geen verklaring voor kan geven. Hij heeft het genoemde bewijsmateriaal van Antes op geen enkele wijze gemotiveerd weerlegd. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [persoon A] de pornografische film en foto’s reeds op 23 augustus 2020 respectievelijk 31 augustus 2020 heeft gezien en dat hij dat beeldmateriaal toen op de persoonlijke schijf van zijn werkaccount heeft opgeslagen, zonder daarvan melding te maken bij zijn leidinggevende of een andere functionaris binnen Antes, bijvoorbeeld de vertrouwenspersoon.

De aanwezigheid van pornografisch materiaal op het werkaccount van [persoon A] is in strijd met (artikel 3.3 van) de E-gedragscode en ook overigens, bij gebreke van een dergelijke code, ontoelaatbaar. [persoon A] heeft ook erkend dat dergelijk materiaal niet thuis hoort op een werkaccount. Het valt [persoon A] in ernstige mate te verwijten dat dat materiaal wel is aangetroffen. Voor zover dit materiaal ongevraagd aan hem is toegestuurd, had het ook dan op zijn weg gelegen om hiervan direct melding te maken binnen Antes. Die verplichting is ook uitdrukkelijk opgenomen in de E-gedragscode. [persoon A] heeft erkend dat hij dat (ook) niet heeft gedaan en dat hij verkeerd heeft gehandeld. Voor zover [persoon A] een en ander niet heeft gemeld bij zijn eigen leidinggevende, omdat hij van mening was dat hij geen goede vertrouwensband met die leidinggevende had, hetgeen door Antes overigens uitdrukkelijk is betwist, rustte op [persoon A] de verplichting om dit elders, bijvoorbeeld bij een andere leidinggevende of bij de afdeling ICT of bij de vertrouwenspersoon binnen Antes, aan te kaarten.

5.8

Voorts heeft [persoon A] tijdens de zitting erkend dat hij, nadat hij was geschorst, diverse bestanden van zijn werkaccount (definitief) heeft verwijderd. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [persoon A] dat hij niet wist dat hij niet meer bij zijn account mocht komen en dat hij dat heeft gedaan omdat hij zaken voor (onder andere) zijn BIG-registratie diende te regelen. [persoon A] was met ingang van 15 oktober 2020 geschorst en vervolgens heeft Antes direct de toegang tot zijn account geblokkeerd. Hoewel dat niet met zoveel woorden in de schorsingsbrief is vermeld, is [persoon A] daar in ieder geval zelf achter gekomen doordat hij niet meer kon inloggen. [persoon A] diende dus te begrijpen dat hij tijdens zijn schorsing niet meer bij zijn account mocht. Toch heeft hij op 22 oktober 2020 aan de afdeling ICT verzocht om hem toegang te verlenen tot zijn account vanwege zijn BIG-registratie en die toegang ook verkregen, omdat de medewerkers van de ICT afdeling niet van de schorsing op de hoogte waren. Antes heeft onweersproken gesteld dat de BIG herregistratieverplichting per 18 maart 2020 voor onbepaalde tijd is uitgesteld ten gevolge van de coronacrisis en dat [persoon A] dat wist, althans dat hij dat behoorde te weten. Afgezien hiervan had [persoon A] moeten begrijpen dat, nu onderzoek naar zijn werkaccount werd uitgevoerd, het hem zeker niet was toegestaan om bestanden te verwijderen. Nu hij dat toch heeft gedaan, heeft hij Antes de mogelijkheid ontnomen om een volledig onderzoek naar zijn werkaccount te kunnen uitvoeren en laadt hij de verdenking op zich dat hij meer pornografisch materiaal op zijn werkaccount had staan, zeker nu hij niet concreet heeft aangegeven welke bestanden hij precies heeft gewist. Die verdenking klemt te meer nu [persoon A] ook niet duidelijk heeft gemaakt welke handelingen hij diende te verrichten in het kader van de BIG-registratie, zeker nu de herregistratieverplichting al sinds 18 maart 2020 voor onbepaalde tijd was uitgesteld.

5.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan verder in het midden blijven het verwijt dat Antes nog heeft gemaakt aan [persoon A] dat hij vanaf 15 oktober 2020 desgevraagd verklaringen over onder meer zijn relatie met de patiënte aan Antes heeft gegeven die in strijd zijn met de waarheid en de in dat verband door [persoon A] genoemde omstandigheden, waaronder de schaamte die hij voelde tegenover zijn echtgenote.

conclusie rechtsgeldigheid ontslag op staande voet

5.10

De hiervoor geschetste feiten en omstandigheden vormen zodanige ernstige gedragingen dat er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW, op grond waarvan van Antes in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [persoon A] te laten voortduren. Antes was dan ook bevoegd om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Hoewel [persoon A] nog heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een onafhankelijk onderzoek door een onafhankelijke onderzoekscommissie, kan - nog afgezien dat [persoon A] daaraan geen afzonderlijk rechtsgevolg heeft verbonden - nu meerdere keren hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden, en nu niet gebleken is dat [persoon A] in zijn belangen is geschaad, reeds daarom niet gezegd worden dat de onderzoeken niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan dit verweer van [persoon A] . De door [persoon A] genoemde persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn eerdere scheiding en (de (psychische) gevolgen voor [persoon A] van) de (beperkende maatregelen met betrekking tot de) coronacrisis kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het had in dat geval op zijn weg gelegen om een en ander met zijn leidinggevende te bespreken, ook voor zover [persoon A] door de coronacrisis een te hoge werkdruk ervoer. Deze omstandigheden vormen geen rechtvaardiging voor het handelen van [persoon A] . [persoon A] moet verantwoordelijk worden gehouden voor de ontstane situatie. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen die het ontslag op staande voet voor [persoon A] hebben groot zijn, maar deze zijn inherent aan een ontslag op staande voet.

5.11

Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, heeft [persoon A] gelet op artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW in beginsel geen recht op een transitievergoeding. [persoon A] heeft echter aangevoerd dat ook in geval wordt geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan hem een transitievergoeding dient te worden toegekend, omdat het niet toekennen van die vergoeding volgens hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.12

Volgens artikel 7:673 lid 8 BW kan, in afwijking van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW, de kantonrechter de transitievergoeding toch geheel of gedeeltelijk aan de werknemer toekennen indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Blijkens de wetsgeschiedenis kan daarbij gedacht worden aan het geval waarin een werknemer een relatief kleine misstap begaat na een heel lang dienstverband (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, pagina 113). Bij beantwoording van de vraag of het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn (Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203).

5.13

De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van [persoon A] gelet op het karakter daarvan niet kan worden aangemerkt als een relatief kleine misstap, zeker niet nu [persoon A] verzuimd heeft om onmiddellijk openheid van zaken te verstrekken nadat hij op 15 oktober 2020 door Antes was geschorst en in feite sprake is van meerdere ernstige tekortkomingen van [persoon A] . In de gegeven omstandigheden kan dan ook niet worden geconcludeerd dat het niet toekennen van enige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor toekenning van de door [persoon A] verzochte transitievergoeding op grond van het zogenaamde ‘luizengaatje’.

5.14

Voor wat betreft de verzochte billijke vergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A] . Dat betekent dat het verzoek strekkende tot toekenning van een billijke vergoeding aan [persoon A] alleen al om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

5.15

De door [persoon A] verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt afgewezen, nu Antes op goede gronden heeft besloten om [persoon A] op staande voet te ontslaan op 17 november 2020. Van een onregelmatige opzegging is dan ook geen sprake.

5.16

De melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen terecht en op grond van de gedragscode door Antes gedaan, zodat ook het verzoek om die melding in te trekken dan wel te wijzigen niet toewijsbaar is.

5.17

Antes heeft gesteld dat zij reeds een eindafrekening aan [persoon A] heeft toegestuurd, met daarin opgenomen het opgebouwde vakantiegeld en de opgebouwde, doch niet-genoten vakantiedagen. Nu [persoon A] dit niet heeft betwist, gaat de kantonrechter van de juistheid hiervan uit. Dit verzoek wordt daarom eveneens afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek van Antes

5.18

Antes heeft het verzoek strekkende tot betaling door [persoon A] aan haar van de gefixeerde vergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW tijdig ingediend, omdat dit verzoek is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Antes is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a BW). Antes is dan ook in zoverre ontvankelijk in haar verzoek.

5.19

Nu hiervoor reeds is overwogen dat [persoon A] op goede gronden op 17 november 2020 op staande voet is ontslagen en [persoon A] een ernstig verwijt treft ten aanzien van de redenen die aan dat ontslag op staande voet ten grondslag, moet worden geconcludeerd dat [persoon A] door opzet of schuld aan Antes een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. Daardoor is [persoon A] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) vergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De door Antes verzochte vergoeding van € 5.674,74, waarvan de hoogte cijfermatig niet is weersproken door [persoon A] , is als brutobedrag toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen, zoals hierna vermeld.

Ten aanzien van de verzoeken van [persoon A] en Antes voorts

5.20

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

5.21

[persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide zaken. Nu de mondelinge behandeling gelijktijdig in beide zaken heeft plaatsgevonden wordt daarvoor in totaal één salarispunt toegekend (in de zaak
contra Antes).

6. De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak [persoon A] – Antes (zaaknummer 8974107 VZ VERZ 21-389):

wijst het door [persoon A] verzochte af;

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Antes vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in de zaak Antes – [persoon A] (zaaknummer 8976947 VZ VERZ 21-434):

veroordeelt [persoon A] om aan Antes te betalen een bedrag van € 5.674,74 bruto aan vergoeding ex artikel 7:677 lid 3 sub a BW;

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Antes vastgesteld op € 507,00 aan griffierecht;

in beide zaken voorts:

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764