Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4236

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
ROT 19/4971
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBROT:2020:8348
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:RBROT:2021:58
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na twee tussenuitspraken over de vraag of verweerder gehouden was de schorsing van de machinistenvergunning met terugwerkende kracht teniet te doen. Splitsing tussen herzieningsverzoek naar het verleden en vanaf het heden. Geen nova voor het verleden en geen evidente onredelijkheid, nu eiser 2 jaar heeft stilgezeten en daarmee niet aan schadebeperking heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4971

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[Naam] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. U. Karatas,

en

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. P.C. Cup.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van het besluit tot schorsing van de aan hem verleende machinistenvergunning afgewezen.

Bij besluit van 20 augustus 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Op 22 september 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:8348) heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan waarin verweerder in de gelegenheid is gesteld het gebrek in bestreden besluit 1 binnen zes weken te herstellen.

Bij besluit van 16 november 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder met een aanvullende motivering het herzieningsbesluit in stand gelaten.

Op 8 januari 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:58) heeft de rechtbank een tweede tussenuitspraak gedaan waarin verweerder in de gelegenheid is gesteld het gebrek in bestreden besluit 2 binnen zes weken te herstellen.

Bij besluit van 22 februari 2021 (bestreden besluit 3) heeft verweerder met een aanvullende motivering het herzieningsbesluit wederom in stand gelaten.

Nadat eiser bij brief van 22 maart 2021 een zienswijze heeft ingediend heeft de rechtbank het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Ten aanzien van de voorgeschiedenis van deze zaak verwijst de rechtbank naar zijn tussenuitspraken van 22 september 2020 en 8 januari 2021 tussen partijen. Bij de hiervoor genoemde tussenuitspraken heeft de rechtbank geconstateerd dat de bestreden besluiten 1 en 2 een gebrek vertonen, zodat het beroep tegen die besluiten gegrond is. Deze besluiten komen aldus voor vernietiging in aanmerking. Hierna zal de rechtbank beoordelen of het gebrek is hersteld met bestreden besluit 3.

2. In geschil is of verweerder terecht heeft geweigerd om met terugwerkende kracht terug te komen van het besluit van 18 oktober 2016 tot schorsing van de aan eiser verleende machinistenvergunning (het schorsingsbesluit). Bij bestreden besluit 3 heeft verweerder net als in bestreden besluit 2 het standpunt ingenomen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, dat hij met overeenkomstige toepassing van die bepaling geen aanleiding ziet om terug te komen van het herzieningsbesluit en dat hij voorts meent dat het niet evident onredelijk is om vast te houden aan de eerdere onherroepelijke beslissing tot schorsing van de machinistenvergunning. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de schorsing en hij sinds 17 april 2019 weer beschikt over een machinistenvergunning.

3. Volgens verweerder vormen de argumenten van eiser met betrekking tot de bevoegdheid tot schorsing, het wettelijk kader voor schorsing en de besluitvorming inzake de intrekking van de machinistenvergunning geen nova, omdat dit juridische argumenten zijn en dus niet feitelijk van aard zijn. Met betrekking tot de vraag naar de bekendmaking als bedoeld in artikel 3:40, eerste lid, van de Awb van het schorsingsbesluit heeft verweerder aangevoerd dat het schorsingsbesluit is bekendgemaakt door toezending per aangetekende post aan het laatst bekende adres van eiser, namelijk de Lavendelstraat 37, te Rotterdam. Dit adres was bij Inspectie Leefomgeving en Transport (de Inspectie) het laatst bekende adres door middel van het register van machinistenvergunningen. Wanneer de betrokkene verhuist, is hij volgens verweerder zelf verantwoordelijk voor het doorgeven van zijn nieuwe postadres (onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:1143). Eiser heeft geen verhuizing doorgegeven aan de Inspectie. In latere correspondentie is dit adres steeds door de inspectie gebruikt en heeft eiser niet gesteld dat hij die correspondentie niet ontving. Daarnaast heeft eiser in latere correspondentie zelf aangegeven dat hij op voornoemd adres

woonachtig is. Verder is er hangende de bezwaartermijn tegen het schorsingsbesluit op

andere wijze contact geweest tussen de inspectie en eiser waaruit volgt dat hij van de schorsing op de hoogte was. Dat hij heeft nagelaten bezwaar te maken tegen het schorsingsbesluit komt volgens verweerder dan ook voor zijn rekening en risico.

4. Verweerder heeft voorts het standpunt ingenomen dat eiser ten onrechte veronderstelt dat het niet langer hebben van een verklaring van medische of psychologische geschiktheid de enige gronden zijn voor intrekking of schorsing van de vergunning na een incident of reeks incidenten. Dat zijn niet de enige gronden, maar de gronden waarop in

ieder geval tot schorsing of intrekking moet worden overgegaan. Volgens verweerder sluit artikel 51a, tweede lid, van de Spoorwegwet niet uit dat er daarnaast gronden zijn waarop tot schorsing of intrekking mag worden overgegaan. Uit een richtlijnconforme interpretatie van artikel 51a van de Spoorwegwet volgt dat bijvoorbeeld het niet langer voldoen aan algemene eisen voor beroepsbekwaamheid ook al voldoende grondslag kan zijn voor schorsing of intrekking. Artikel 29, vierde lid, van Richtlijn 2007/59/EG koppelt de bevoegdheid tot schorsing en intrekking aan “het niet voldoen aan één of meer gestelde eisen”. Daarmee wordt bedoeld de eisen in artikel 11 en 13 van Richtlijn 2007/59/EG, die verwijzen naar bijlagen IV, V en VI, waarin algemene eisen over beroepsbekwaamheid zijn gesteld. In de memorie van toelichting bij de Spoorwegwet staat niet dat de wetgever uitdrukkelijk zou hebben bedoeld af te wijken van de richtlijn, in die zin dat het ontbreken

van een psychologische of medische verklaring de enige grondslagen voor schorsing en intrekking zouden zijn (Kamerstukken II 2009/10, 32289, nr. 3, paragraaf 3.1.3). De eisen over algemene kennis en vaardigheden zijn bovendien geïmplementeerd in artikel 49, tweede lid, aanhef en onder c, van de Spoorwegwet en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a van, het Besluit Spoorwegpersoneel 2011, waarin wordt verwezen naar bijlage IV bij Richtlijn 2007/59/EG (zie ook het schorsingsbesluit van 18 oktober 2016, blz. 3). Daarnaast volgt uit de rechtspraak, bijvoorbeeld over de Wet personenvervoer 2000, dat de bevoegdheid tot intrekking of schorsing van een vergunning voortvloeit uit de bevoegdheid tot verlening van een vergunning, ook als de grondslagen voor intrekking of schorsing niet

expliciet in de wet zijn bepaald (ECLI:NL:RVS:2017:2263). Dat betekent in dit geval dat een machinistenvergunning mag worden geschorst of ingetrokken als niet is voldaan aan één of meer van de vereisten voor verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, van de Spoorwegwet.

5. In bestreden besluit 3 is met betrekking tot de redenen tot schorsing van de machinistenvergunning het volgende vermeld:

“De volgende feiten en omstandigheden zijn aanleiding geweest voor de schorsing:

I. op 9 september 2016 in de namiddag is [eiser] met de trein met nummer 37653 te Uithuizermeeden, provincie Groningen, door een stoptonend (rood) sein gereden en vervolgens over een wissel gereden die in de verkeerde stand lag en tot stilstand gekomen op een overweg;

II. eerder die dag reed dezelfde trein terwijl deze door [eiser] werd bestuurd tot driemaal toe sneller dan de door het ATB-systeem bewaakte snelheid;

III. [eiser] verklaarde op 16 september 2019 in strijd met de waarheid dat het sein groen toonde.

De omstandigheid onder (1) is in strijd met artikel 65, lid 2, Spoorwegwet, waarvoor op grond van artikel 77 Spoorwegwet een bestuurlijke boete kan (niet: moet) worden opgelegd.

De omstandigheden (1) en (II) leveren bovendien ernstig verhoogde risico’s op dodelijke ongevallen en grote schade en zijn daardoor in strijd met artikel 3 van de Spoorwegwet.

De omstandigheden 1 t/m III in hun onderlinge samenhang bezien, leverden bij de [Inspectie] het vermoeden op dat [eiser] niet langer voldeed aan de voor de uitoefening van zijn veiligheidsfunctie vastgestelde eisen inzake medische geschiktheid, respectievelijk psychologische geschiktheid (artikel 11, vijfde lid, Besluit Spoorwegpersoneel jo. bijlage 3 en 4 bij de Regeling Spoorwegpersoneel).

Met name het feit dat [eiser] de feiten en omstandigheden 1 en II die de opeenvolgende incidenten vormden, volledig ontkende, deed ernstige twijfels rijzen bij de dienstdoende inspecteurs over de vakbekwaamheid van [eiser] als machinist. Dit betekende dat de [Inspectie] zich op dat moment grote zorgen maakte over de veiligheid van het spoorverkeer wanneer [eiser] zonder controle van zijn vakbekwaamheid opnieuw gebruik zou maken van zijn machinistenvergunning.

Daarnaast leidden deze omstandigheden tot het vermoeden dat [eiser] niet langer voldeed aan een ander vereiste voor het verlenen van zijn machinistenvergunning, te weten dat de machinist voldoet aan de eisen inzake algemene kennis en vaardigheden voor zijn veiligheidsfunctie (artikel 51, lid 1, onder c Spoorwegwet).

In deze omstandigheden bestond de bevoegdheid (niet: verplichting) tot intrekking of schorsing. Van deze bevoegdheid heb ik gebruik gemaakt, omdat er gegronde redenen waren om te vermoeden dat niet langer aan de voorwaarden werd voldaan die artikel 51a, lid 1, Spoorwegwet stelt aan het verlenen van een machinistenvergunning.

Dat anderhalf jaar later mijn besluit d.d. 21 januari 2018 tot intrekking van de machinistenvergunning is herroepen, doet er niet aan af dat ik in 2016 bevoegd was om over te gaan tot schorsing van de machinistenvergunning op grond van artikel 51a, lid 2, van de Spoorwegwet.

Een directe schorsing per datum incidenten, 3 september 2016, was voor de [Inspectie] als eerste stap voor optreden het meest voor de hand liggend als ordemaatregel met als doel de veiligheid direct te waarborgen voor de toekomst.

De beslissing tot schorsing van de vergunning is op 18 oktober 2016 op schrift gesteld en aan [eiser] bekend gemaakt.

Naar mijn oordeel is terecht gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot schorsing, gegeven de feiten en omstandigheden op 3 september 2016.

Uit het voorgaande volgt dat in 2016 dus wel de bevoegdheid bestond om naar aanleiding van het incident op 3 september 2016 op te treden met een schorsing, maar dat er later in 2018 geen bevoegdheid was tot de intrekking van de machinistenvergunning van [eiser], omdat toen duidelijk was dat de [Inspectie] de medische keuringen niet heeft aangeboden aan [eiser] en toen ook verder door de [Inspectie] niet actief contact is gezocht met hem. Dit is precies verwoord in het besluit op bezwaar van 21 januari 2019, waarbij de intrekking is herroepen, waarbij ook duidelijk werd in hoeverre de [Inspectie] artikel 29 van Richtlijn 2007/59/EG onvoldoende zou hebben uitgevoerd.

Gelet op het voorgaande stel ik vast dat er ook op dit punt geen sprake is van een novum.”

6. Volgens verweerder is er evenmin sprake van een evidente onredelijkheid om de schorsing niet met terugwerkende kracht teniet te doen. Verweerder heeft er in dit verband ten eerste op gewezen dat het schorsingsbesluit is genomen om op te treden tegen een overtreding van de Spoorwegwet, dit met het oog op het waarborgen van de veiligheid op het spoor direct voor de tijd na 3 september 2016. Verweerder heeft er verder op gewezen dat hij in minnelijk overleg wil komen tot de vaststelling van schadevergoeding vanwege de omstandigheid dat de Inspectie eiser niet heeft geïnformeerd over mogelijke verdere stappen om de schorsing van zijn machinistenvergunning opgeheven te krijgen en/of om alsnog en geldige vergunning te bezitten. In dit verband heeft verweerder (de Staat) gesteld bereid te zijn de datum van het schorsingsbesluit (18 oktober 2016) als aanvangsmoment van de schade te beschouwen. Het in stand houden van het schorsingsbesluit werkt volgens verweerder dus niet onredelijk uit voor eiser in de minnelijke onderhandelingen over de schadevergoeding.

7. In zijn zienswijzen heeft eiser aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was het schorsingsbesluit te nemen, terwijl eiser er vervolgens alles aan heeft gedaan om zijn werk als machinist weer te kunnen hervatten. Voorts kan verweerder eiser niet aanrekenen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt, want het schorsingsbesluit is naar zijn oude adres gezonden en eiser is eerst na afloop van de bezwaartermijn door de Inspectie meegedeeld dat hij zijn vergunning niet meer kon verkrijgen omdat de bezwaartermijn was verlopen, terwijl eiser in strijd met Richtlijn 2007/59 niet is meegedeeld hoe hij zijn vergunning kon verkrijgen of behouden. Weliswaar is er via email en telefoon gecommuniceerd over de machinistenpas, maar eiser wist niet dat dit was gekoppeld aan een schorsingsbesluit. Eiser ging ervan uit dat hij zijn pasje tijdelijk in diende te leveren tot hij een test van geschiktheid zou ondergaan om zijn geschiktheid vast te stellen. Dat er een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit lag, wist hij niet. Volgens eiser is het niet mogelijk om tot schorsing over te gaan op andere gronden dan die zijn genoemd in artikel 51a, tweede lid, van de Spoorwegwet. Verweerder heeft dit in feite ook erkend met de besluitvorming rond de intrekking van de vergunning. Voorts is eiser van mening dat hij juist wel degelijk beroepsbekwaam was. Eiser was een zeer ervaren machinist en was zich juist goed bewust van de opleiding welke hij heeft gehad. Hij reed in een nieuwe generatie trein waarvan werd verondersteld dat die anders zou reageren op het incident zoals die uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Zo heeft Arriva na het incident haar opleiding moeten aanpassen omdat zij zich had vergist in de mogelijkheden van de treinen NG (nieuwe generatie). Volgens eiser is sprake van nova en anders is sprake van evidente onredelijkheid.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

9. Nu eiser sinds 17 april 2019 weer over een machinistenvergunning beschikt, is het belang van eiser bij herziening gelegen in een vorm van eerherstel en vooral erkenning van onrechtmatig handelen ten behoeve van een schadeclaim. De omstandigheid dat verweerder in het kader van een minnelijke schikking bereid is uit gaan van de datum van het schorsingsbesluit als datum waarop de schade is ontstaan, heeft niet tot intrekking van het beroep geleid. Dit betekent dat de rechtbank gehouden is te beoordelen of het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond is.

10. Op grond van vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan bij een verzoek om terug te komen van een onherroepelijk besluit beleidsruimte. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om het verzoek te beoordelen alsof er geen sprake is van een onherroepelijke beslissing in welk geval de bestuursrechter een beroep tegen de gehandhaafde weigering de aanvraag in te willigen ten volle wordt beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om zich te beperken tot een beoordeling of sprake is van nova die aanleiding kunnen geven om terug te komen van het onherroepelijke besluit. Als het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Indien zich geen nova voordoen en het bestuursorgaan onverkort vasthoudt aan het onherroepelijke besluit zal de bestuursrechter het beroep slechts gegrond verklaren indien hij op basis van wat is aangevoerd van oordeel is dat het evident onredelijk is dat het bestuursorgaan vasthoudt aan het eerdere onherroepelijke besluit (vgl. (ECLI:NL:RVS:2016:3131; ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en ECLI:NL:CBB:2017:190). In dit geval heeft verweerder besloten geen integrale heroverweging te verrichten, maar uitsluitend beoordeeld of sprake is van nova of evidente onredelijkheid. Dit vormt dan ook in beginsel het toetsingskader voor de rechter.

11. De rechtbank voegt aan dit toetsingskader het volgende toe, zoals zij ook heeft gedaan in haar tweede tussenuitspraak. Omdat het schorsingsbesluit nog voortduurde ten tijde van de indiening van het verzoek om herziening van 20 november 2018, ziet de rechtbank aanleiding om bij de beoordeling een knip te maken net als bij duuraanspraken in de sociale zekerheid. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (laatstelijk ECLI:NL:CRVB:2020:819) wordt een aanvraag om voor de toekomst terug te komen van een eerder besluit bij een duuraanspraak in beginsel volledig beoordeeld per datum van ontvangst van deze aanvraag. Daarbij wordt betrokken dat met het in deze rechtspraak aangebrachte onderscheid bij de te verrichten toetsing wat betreft het verleden en de toekomst is beoogd te voorkomen dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. De rechtbank ziet aanleiding voor overeenkomstige toepassing van dit uitgangspunt bij de schorsing van de machinistenvergunning. Dit geldt temeer omdat verweerder heeft nagelaten een termijn te stellen met betrekking tot de duur van de schorsing. Om opheffing daarvan kan derhalve ieder moment worden verzocht. Naar de toekomst kon verweerder daarom de formele rechtskracht van het schorsingsbesluit niet aan eiser tegenwerpen.

12. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

13. Anders dan verweerder meent, kan buiten de gronden die worden genoemd in artikel 51a, tweede lid, van de Spoorwegwet niet tot schorsing worden overgegaan. Het gaat hier om een belastend besluit, zodat reeds om die reden niet in strijd met de duidelijke tekst en strekking van die bepaling op basis van Unierecht tot een verruiming van de gronden voor schorsing kan worden gekomen die in strijd is met die bepaling. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a van, het Besluit Spoorwegpersoneel 2011 heeft evenmin tot strekking de gronden voor schorsing uit te breiden. Geen beroep kan door verweerder worden gedaan op rechtspraak waaruit volgt dat de bevoegdheid tot intrekking of schorsing van een vergunning voortvloeit uit de bevoegdheid tot verlening van een vergunning, ook als de grondslagen voor intrekking of schorsing niet expliciet in de wet zijn bepaald. De gronden voor schorsing van de machinistenvergunning zijn immers juist wel expliciet in de wet bepaald.

14. Nadat eiser zijn herzieningsverzoek heeft gedaan, heeft verweerder bij besluit van 21 januari 2019 de machinistenvergunning ingetrokken en de schorsing opgeheven. Verweerder heeft aan dit besluit geen terugwerkende kracht toegekend, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat de schorsing is opgeheven per 21 januari 2019. Bij besluit van 19 juli 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het besluit van 21 januari 2019 herroepen voor wat betreft de intrekking van de vergunning. De reden om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren was dat eiser zich in maart 2019 heeft laten keuren op zijn vakbekwaamheid met positief gevolg, terwijl hij naar aanleiding van het in de tussenuitspraak beschreven incident in september 2016 niet tussentijds is herkeurd, zodat het besluit tot intrekking van de vergunning ten onrechte is genomen omdat niet is voldaan aan de in artikel 51a, tweede lid, van de Spoorwegwet neergelegde voorwaarden voor intrekking van de machinistenvergunning. Bij het besluit van 19 juli 2019 heeft verweerder uitdrukkelijk geen besluit genomen over een machinistenvergunning zoals in bezwaar is verzocht onder de overweging dat eiser op 17 april 2019 een nieuwe machinistenvergunning was toegekend.

15. Hieruit volgt dat verweerder de schorsing heeft doen voortduren tot 21 januari 2019 ondanks dat er een herzieningsverzoek voorlag van 20 november 2018. De rechtbank vindt dit gelet op wat onder 11 is overwogen onjuist. Verweerder had op basis van dit verzoek in ieder geval het schorsingsbesluit moeten intrekken vanaf de datum van dit verzoek.

16. Met betrekking tot de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek, te weten

18 oktober 2016 tot 20 november 2018, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen sprake is van nova. Verder acht de rechtbank de weigering terug te komen van het schorsingsbesluit niet evident onredelijk. Daartoe wordt het volgende overwogen.

17. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het schorsingsbesluit is verzonden naar het laatst bij hem bekende adres van eiser dat vermeld stond in het register van machinistenvergunningen als bedoeld in artikel 51a, derde lid, van de Spoorwegwet.
Eiser heeft dit ook niet bestreden. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het op de weg van eiser lag zijn adreswijziging door te geven. Dit heeft hij niet gedaan, zodat het voor zijn rekening en risico komt dat hij het besluit niet heeft ontvangen (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BV1885; ECLI:NL:RVS:2018:3445 en ECLI:NL:CRVB:2018:3294). Dat er voorts per e-mail is gecorrespondeerd leidt niet tot een ander oordeel (vgl. ECLI:NL:CRVB:2019:2214). De omstandigheid dat eiser pas later op de hoogte is geraakt van het schorsingsbesluit levert derhalve geen novum op en vormt evenmin een reden om de weigering van verweerder het schorsingsbesluit met terugwerkende kracht te herzien als evident onredelijk te beschouwen.

18. De hiervoor genoemde omstandigheid dat een wettelijke grondslag voor het schorsingsbesluit ontbrak, maakt niet dat sprake is van een novum, integendeel. Indien eiser destijds bezwaar zou hebben gemaakt tegen dit besluit had hij die grond kunnen aanvoeren. Er is dan ook geen sprake van een nieuw gebleken feit, daargelaten dat het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het schorsingsbesluit niet een feitelijke, maar juridische kwestie is. Verder doet het ontbreken van een toereikende juridische grondslag niet af aan de onder 5 genoemde incidenten en de reactie van eiser daarop, die de aanleiding vormden voor de schorsing die de schade heeft veroorzaakt. Daar komt bij dat eiser ruim twee jaar heeft gewacht alvorens hij heeft verzocht om herziening van het schorsingsbesluit terwijl hij al die tijd niet de beschikking had over een machinistenvergunning, althans had hij uit de contacten met de Inspectie begrepen dat hij die moest inleveren. Die situatie is vergelijkbaar met het onredelijk lang wachten met het instellen van een rechtsmiddel wegens niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. In de rechtspraak wordt aangenomen dat, net als bij verzoeken om herziening in de zin van artikel 8:119 van de Awb, die redelijke termijn in beginsel na een jaar stilzitten is verstreken (ECLI:NL:RVS: 2015:308). Die termijn is in dit geval ruimschoots verstreken. Eiser heeft daarmee niet aan schadebeperking gedaan door langdurig stil te zitten nadat hij wist dat hij feitelijk zijn werkzaamheden als machinist niet meer kon uitoefenen; eiser had ook zelf om een medische keuring kunnen vragen. Onder die omstandigheden is dan ook geen sprake van een evidente onredelijkheid, in welk verband de rechtbank voorts in aanmerking neemt dat een eventuele onjuistheid of onredelijkheid van het schorsingsbesluit niet maatgevend is voor de vraag of sprake is van een evident onredelijke weigering dat besluit te herzien (ECLI:NL:CRVB:2021:502).

19. Gelet op het voorgaande kan bestreden besluit 3 niet in stand blijven voor zover het ziet op de door verweerder gehandhaafde weigering om het verzoek om herziening toe te wijzen vanaf 20 november 2018. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 is daarom ook gegrond.

20. De rechtbank ziet aanleiding thans zelf in de zaak voorzien, omdat gelet op wat hiervoor is overwogen bestreden besluit 3 stand kan houden voor de periode tot aan het herzieningsverzoek en vanaf dat tijdstip het verzoek had moeten worden gehonoreerd.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en tweemaal 0,5 punt voor het indienen van zienswijzen met een waarde per punt van € 534 en wegingsfactor 1). De in bezwaar gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat in het bezwaarschrift daar niet om is verzocht (zie de uitspraak tussen partijen van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9565).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2 geheel en vernietigt bestreden besluit 3 voor zover daarbij de weigering om het schorsingsbesluit te herzien vanaf 20 november 2018 is gehandhaafd;

  • -

    herroept het herzieningsbesluit voor zover daarin is geweigerd het schorsingsbesluit te herzien vanaf 20 november 2018;

  • -

    trekt het schorsingsbesluit in met ingang van 20 november 2018;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van bestreden besluit 3;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 174 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 mei 2021.

De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.