Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4220

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
ROT 19/6288
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder mag in de bezwaarfase een informatiebeschikking nemen als hij niet voorafgaand aan de WOZ-beschikking zijn bevoegdheden uit artikel 47, eerste lid en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (het vragen van inlichtingen) heeft uitgeoefend. Daarnaast leidt de informatiebeschikking niet tot een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2021-1562 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2021/1162
FutD 2021-1562
NLF 2021/1038 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/6288

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: [naam],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nissewaard, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Skaron.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 21 mei 2019 aan eiser een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 31 oktober 2019 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De zaak is samen met de zaken ROT 19/6289 tot en met ROT 19/6292, ROT 19/6294 tot en met ROT 19/6299, ROT 19/6301, ROT 19/6303, ROT 19/6307, ROT 19/6309, ROT 19/6310 en ROT 19/6312 op 26 januari 2021 ter zitting behandeld.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van G.R. Richnow.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de woning Schering 4 in Zuidland per waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking.

2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder bij brief van 9 april 2019 op grond van artikel 47 van de AWR eiser verzocht inlichtingen te verstrekken. Verweerder heeft daartoe de gemachtigde van eiser het “Inlichtingenformulier secundaire objectkenmerken” toegestuurd en een termijn van vier weken gegeven om het ingevulde formulier terug te sturen.

3. Eiser (zijn gemachtigde) heeft het formulier niet teruggestuurd en de verzochte inlichtingen niet verstrekt. Vervolgens heeft verweerder de informatiebeschikking genomen. Hierin is verzocht om de gevraagde gegevens alsnog binnen twee weken op te sturen. De omkering van de bewijslast zal bij tijdige indiening komen te vervallen. Een nieuw exemplaar van het inlichtingenformulier is bijgevoegd.

4. In geschil is of verweerder in de bezwaarfase de informatiebeschikking kon nemen. Eiser is van mening van niet, verweerder meent van wel.

Bij de beoordeling hiervan zijn de volgende wettelijk bepalingen van belang.

4.1

Artikel 30, lid 1, van de Wet WOZ verklaart met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling de artikelen 1, derde lid, 5, eerste lid, tweede volzin, 22j tot en met 30, 47, 49 tot en met 51, 52a, 53a, 54 en 56 tot en met 60 van de AWR van overeenkomstige toepassing.

4.2

Op grond van artikel 47, aanhef en onder a, van de AWR is ieder gehouden desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn.

Op grond van artikel 52a, eerste lid, van de AWR kan, wanneer met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, AWR, verweerder dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). Verweerder wijst in de informatiebeschikking op de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 25, derde lid, van de AWR.

5. Eiser voert aan dat verweerder hem voor de vaststelling van de WOZ-beschikking niet om inlichtingen heeft gevraagd en dat verweerder daarmee zijn recht om alsnog in de bezwaarfase een informatiebeschikking te nemen heeft verspeeld.

Volgens verweerder is dat niet het geval. Ter ondersteuning daarvan verwijst verweerder naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895.

5.1

Uit het arrest van 2 oktober 2015 volgt dat het blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 52a van de AWR niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de onderzoeksbevoegdheden van verweerder in de bezwaarfase te beperken. Niet valt in te zien waarom dit anders zou zijn als voorafgaand aan het nemen van de WOZ-beschikking niet om inlichtingen is verzocht. Ook dan gelden de bevoegdheden van verweerder in bezwaar onverkort. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de uitspraak van 15 december 2020 van hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2020:10521, waar de rechtbank zich bij aansluit.

Daarbij vindt de rechtbank de hier voorliggende situatie minder ver gaan dan de situatie waarop het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 ziet. Daar had de inspecteur, na in de fase voorafgaand aan het opleggen van de aanslag om inlichtingen te hebben gevraagd, in die fase geen informatiebeschikking genomen, zodat belanghebbende wellicht dacht dat er geen informatiebeschikking meer zou volgen. De Hoge Raad oordeelt, dat de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, niet heeft geschonden door in de bezwaarfase alsnog de informatiebeschikking te nemen. In dit geval heeft verweerder zijn bevoegdheden van artikel 47 aanhef en onder a, van de AWR en artikel 52a van de AWR beide in de bezwaarfase uitgeoefend, zodat in dat verband van een mogelijke schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is.

Ook in de door eiser aangevoerde omstandigheid, dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking vaststelt zonder voorafgaande aangifte door de belastingplichtige, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ verklaart immers artikel 52a van de AWR van toepassing zonder nadere voorwaarden te stellen aan de toepassing daarvan.

6. Eiser voert verder aan dat de informatiebeschikking leidt tot een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name een schending van het evenredigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat zijn verwijzing in de beroepsgronden naar de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer niet juist is. Deze beroepsgrond laat hij vallen, maar eiser heeft aan zijn beroepsgronden toegevoegd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en misbruik van recht door verweerder.

7. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 volgt dat het vaststellen van een informatiebeschikking tijdens de bezwaarfase onder omstandigheden in strijd kan zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dergelijke omstandigheden is evenwel niet gebleken.

8. Eiser voert aan dat het nemen van de informatiebeschikking in strijd is met het evenredigheids- en/of proportionaliteitsbeginsel, omdat een klein foutje op het in te vullen formulier leidt tot een omkering van de bewijslast, waarbij het formulier ook nog eens onduidelijk is en voor meerdere uitleg vatbaar.

Verweerder stelt hiertegenover dat het niet zo is dat hij bij een klein foutje bij het invullen van het formulier gebruik maakt van de bevoegdheid de bewijslast om te keren. Bij een onduidelijkheid zal contact op worden genomen met eiser. Bovendien had eiser ook zelf contact op kunnen nemen met vragen over het formulier, of het formulier terug kunnen sturen met daarop de mededeling dat hij een of meerdere vragen niet kan invullen. Eiser heeft echter geen contact opgenomen en het formulier niet teruggestuurd.

De rechtbank stelt vast dat de informatiebeschikking en de vragen op het formulier gaan over de toestand van de woning. De eventuele omkering en verzwaring van de bewijslast ziet alleen op deze gevraagde informatie, voor het overige blijft de bewijslastverdeling inzake de WOZ-beschikking hetzelfde. De rechtbank is verder van oordeel dat de op het formulier gestelde vragen over het algemeen eenvoudig te beantwoorden zijn door eiser als eigenaar van de woning. Bovendien ligt het op de weg van eiser om bij twijfel over een vraag navraag te doen bij verweerder, hetgeen niet is gebeurd. Eiser heeft, ook na herhaald verzoek door verweerder, in het geheel geen inlichtingen verstrekt. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de informatiebeschikking evenredig. Ook de mogelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast vindt de rechtbank in dit geval evenredig. Daarbij geldt dat ook bij de behandeling van het bezwaar en beroep tegen de WOZ-beschikking aan de orde kan komen of de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast op haar plaats is (vergelijk Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130).

Het betoog van eiser volgt de rechtbank dan ook niet.

9. In het kader van het gelijkheidsbeginsel heeft eiser ter zitting aangevoerd dat verweerder alleen aan belanghebbenden met een gemachtigde informatie vraagt en niet aan belanghebbenden zonder gemachtigde, wat een volgens eiser een ongelijke behandeling van gelijke gevallen oplevert. Verweerder heeft verklaard dat aan alle no-cure-no-pay-bureaus door middel van het inlichtingenformulier om informatie wordt gevraagd. Incidenteel gebeurt dit ook bij belanghebbenden die zelf procederen. Voor deze belanghebbenden zijn echter nog geen informatiebeschikkingen genomen, omdat zij het formulier wel invullen en naar verweerder terug sturen. Daarnaast wordt ook bij andere objecten dan woningen soms een inlichtingenformulier gestuurd naar gemachtigden en/of belanghebbenden.

9.1

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is sprake als gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, zonder dat hier een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank wordt het gelijkheidsbeginsel niet geschonden, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen.

Relevant onderscheid tussen zaken waarin belanghebbenden zelf optreden en die waarin belanghebbenden via een gemachtigde optreden is dat gemachtigden in de praktijk een beperkte of indirecte kennis (blijken te) hebben over de onroerende zaak waar de beschikking op ziet. Althans niet dezelfde kennis als de woningeigenaar zelf. Verweerder mag in een geval van vertegenwoordiging ook niet rechtstreeks contact opnemen met de belanghebbende zelf om vragen te stellen over de objectkenmerken of feitelijke omstandigheden van de onroerende zaak, maar moet steeds communiceren via de gemachtigde. Bij een belanghebbende zonder gemachtigde is rechtstreeks contact wel mogelijk en kan de benodigde informatie mogelijk ook op een informelere wijze dan via een inlichtingenformulier verkregen worden. Zaken waarin de belanghebbenden door een gemachtigde wordt vertegenwoordigd en zaken waarin de belanghebbende zelf optreedt zijn daarom geen gelijke gevallen (vergelijk de uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020). Binnen de groep van belanghebbenden met gemachtigden wordt iedereen hetzelfde behandeld, aangezien allen een informatieformulier toegestuurd krijgen.

Het beroep op een schending van het gelijkheidsbeginsel faalt daarom.

10. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is evenmin sprake. Verweerder heeft zich aan de aan de wettelijke bepalingen gehouden en zoals hierboven geoordeeld is het toegestaan om in de bezwaarfase om informatie te vragen en eventueel een informatiebeschikking te nemen. Daarom is ook geen sprake van misbruik van recht zoals door eiser ter zitting aangevoerd. Verweerder maakt op een redelijke manier gebruik van de hem geboden wettelijke mogelijkheden.

Ook van schending van enig ander rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

11. Dit betekent dat verweerder de informatiebeschikking kon nemen en dat het beroep daarom ongegrond is.

Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130 (r.o. 3.3.4) brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat eiser nog een termijn moet worden gegund om de gevraagde informatie te verstrekken. Als de informatie alsnog binnen de gegeven termijn wordt verstrekt blijft de informatiebeschikking in stand, maar blijft de omkering en verzwaring van de bewijslast (met betrekking tot de toestand van de woning en de vragen van het formulier) achterwege. De rechter in de eventuele procedure over de WOZ-waarde kan dan beoordelen of de verzochte informatie alsnog is verstrekt, in welk geval de in de artikelen 25, derde lid, en 27e, eerste lid van de AWR gegeven voorschriften buiten toepassing moeten blijven.

12. De rechtbank zal eiser daarom een termijn van vier weken geven om alsnog aan zijn informatieverplichting te voldoen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiser in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de verzenddatum van deze uitspraak, de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin verzochte informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, voorzitter, en mrs. A.P. Hameete en A.P. Monsma, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 mei 2021.

De voorzitter, de overige leden en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).