Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4219

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
13-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/2212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing afgifte VOG. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder veel gewicht heeft toegekend aan het geringe tijdsverloop en de ernst van het delict bij het beoordelen van het subjectieve criterium. Dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2212


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. J.C. Reisinger,

en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 11 november 2019 een VOG aangevraagd in verband met de aanvraag voor een vergunning voor beroepsgoederenvervoer bij [naam bedrijf].

2. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS), aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in 2012 in aanraking met justitie is gekomen vanwege het met een voertuig overschrijden van de maximumsnelheid en in 2019 vanwege het plegen van hennepteelt in de periode van 27 augustus 2019 tot en met 8 oktober 2019. Verweerder stelt dat, indien een drugsdelict wordt herhaald in de functie van chauffeur voor beroepsgoederenvervoer, een risico voor de samenleving bestaat. Vanwege dit risico vormt het strafbare feit een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Daarnaast stelt verweerder dat het belang van eiser bij afgifte van de VOG niet opweegt tegen het belang van de samenleving tegen het vastgestelde risico.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe allereerst aan dat hij het niet eens is met de screeningsprofielen die zijn toegepast bij de beoordeling. Eiser voert verder aan – zoals ter zitting is verduidelijkt, in het kader van het subjectieve criterium – dat verweerder bij de waardering van het drugsdelict ten onrechte heeft geanticipeerd op het oordeel van de strafrechter. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het advies van de reclassering inzake het recidiverisico niet is gevolgd. Volgens eiser is er geen recidivegevaar en bestaat er geen risico voor de samenleving. Daarbij kan volgens eiser geen direct verband worden gezien tussen het door hem gepleegde delict en vervoer- en transportwerkzaamheden gerelateerd aan drugscriminaliteit. Volgens eiser is bij de beoordeling door verweerder voorts te weinig gewicht toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van het geval, namelijk de financiële problemen van het gezin.

4.1.

Artikel 28 van de Wet justitiële strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) bepaalt dat een VOG een verklaring is van verweerder dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is aangevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert verweerder de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan.

Artikel 36 van de Wjsg bepaalt dat in het onderzoek kennis kan worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters.

4.2.

Bij de beoordeling van de aanvraag van eiser om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (Staatscourant 1 december 2017, nr. 68620) (hierna: beleidsregels). Volgens paragraaf 3 van de beleidsregels wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in het JDS. Bij de beoordeling van justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn van vier jaren in acht genomen, tenzij sprake is van een geval genoemd in paragraaf 3.1.1. onder a tot en met e. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS, dan wordt de vraag of de VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief en subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2. van de beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Dit criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Bij de beoordeling of de aangetroffen antecenten als relevant moeten worden beschouwd voor het doel van de aanvraag van de VOG, wordt gebruikgemaakt van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen. Deze profielen zijn gepubliceerd op de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (www.rijksoverheid.nl/vog). Niet relevant is of het feit plaatsvond in de privésfeer of dat sprake is van een reëel recidivegevaar.

Volgens paragraaf 3.3. van de beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG, gezien de omstandigheden van het geval, zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Relevante omstandigheden bij de toepassing van het subjectieve criterium zijn de wijze waarop de strafzaken zijn afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

4.3.

Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5.1.

Niet in geschil is dat aan het objectieve criterium is voldaan. Voor zover eiser zijn beroepsgrond heeft gehandhaafd dat hij het niet eens is met de gehanteerde screeningsprofielen, oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht is uitgegaan van het screeningsprofiel en de risicogebieden die zijn aangegeven door de instantie die van eiser de VOG verlangt en dat niet is gebleken dat het van toepassing verklaarde screeningsprofiel evident onjuist is.

5.2.

Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelt de rechtbank als volgt. Eiser wordt verdacht van het plegen van hennepteelt in de periode 27 augustus 2019 tot en met 8 oktober 2019 en heeft op 11 november 2019 de aanvraag voor de VOG ingediend. Het tijdsverloop tussen het drugsdelict waarvan eiser wordt verdacht en de aanvraag is daarmee beperkt. De relevantie van dit tijdsverloop wordt bezien in het licht van de terugkijktermijn van vijf jaren en in verband met de aard en ernst van het gepleegde delict. Eiser heeft bij de politie bekend betrokken te zijn geweest bij de verzorging van hennepstekken, waarvoor hij een bedrag van € 2.000,- zou hebben ontvangen. Volgens de tenlastelegging en het proces-verbaal wordt eiser verdacht van het telen van 43.368 hennepstekken. Gezien de aard en de omvang van het delict waarvan eiser wordt verdacht, acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder veel gewicht heeft toegekend aan het geringe tijdsverloop en de ernst van het delict bij het beoordelen van het subjectieve criterium. Dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat, maakt dit niet anders. Gelet op het geringe tijdsverloop sinds de pleegdatum, is het standpunt van verweerder dat eiser over een langere periode dient te laten zien dat hij zich niet meer schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten, niet onredelijk. Verweerder heeft aan zijn oordeel dat de kans dat eiser wederom met justitie in aanraking komt te hoog is, ook de in 2012 begane snelheidsovertreding ten grondslag kunnen leggen, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder ook zonder dat feit tot dat oordeel kon komen, gelet op de aard van het drugsdelict en het geringe tijdsverloop.

5.3.

Anders dan eiser, oordeelt de rechtbank dat de door eiser genoemde omstandigheid dat weigering van de VOG hem belemmert om uit zijn financiële problemen te komen, niet door verweerder als een bijzondere omstandigheid behoefde te worden aangemerkt op grond waarvan de VOG alsnog zou moeten worden afgegeven. Het niet kunnen uitoefenen van de gewenste functie en de daarmee gestelde gepaard gaande belemmering is immers inherent aan de weigering van de afgifte van de VOG en moet als zodanig geacht worden te zijn verdisconteerd in de beleidsregels en de daarin neergelegde belangenafweging. Bovendien heeft eiser een mbo-diploma boekhouden, waardoor zijn kansen op de arbeidsmarkt niet enkel beperkt zijn tot functies binnen de vervoer- en transportsector. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 mei 2021.

De griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State.