Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4212

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
8820643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Complexe VvE zaak met processuele en inhoudelijke aspecten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8820643 VZ VERZ 20-18400

uitspraak: 14 april 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

1. [verzoeker 1]

[verzoeker 1],

gevestigd te [vestigingsplaats verzoeker 1],

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats verzoeker 2],

3. de [verzoeker 3]

[verzoeker 3],

verzoekers,

gemachtigde: mr. I.J.M.I. Souren,

tegen

[verweerster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster],

verweerster,

gemachtigde: mr. H.J.G. Braakhuis.

Partijen worden hierna als [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verweerster] genoemd. [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [verzoekers]

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het op 14 oktober 2020 op de griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

- de brief van 2 december 2020, met één aanvullende productie van [verzoekers];

- het op 3 februari 2021 op de griffie ontvangen verweerschrift: incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;

- de brief van 5 februari 2021, met één productie van [verzoekers];

- het op 11 februari 2021 op de griffie ontvangen verweerschrift van 11 februari 2021 met producties;

- de pleitnotitie van [verzoekers].

De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn: namens [verzoeker 1] [naam 1], manager verhuur en marketing, [verzoeker 2] in persoon en namens [verzoeker 3] [naam 2], facilitair manager bij [verzoeker 3], allen bijgestaan door mr. Souren en mr. M.F. Warringa. Namens [verweerster] is [naam 3], bestuurder, verschenen, bijgestaan door mr. Braakhuizen. Via een Skype-verbinding zijn eveneens verschenen: [naam 4], bewoner en lid van [verweerster], [naam 5], beheerder van [verweerster], [naam 6], bewoner en lid van [verweerster] en [naam 7], bewoner en lid van [verweerster].

De griffier heeft aantekeningen gehouden van het besprokene.

De uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[verzoeker 1] is juridisch eigenaar van het gebouw gelegen aan de [adres 1], het voormalig KPN-gebouw. [verzoeker 2] is huurkoper/ economisch eigenaar van dit gebouw. [verzoeker 3] is huurder van het in het voormalig KPN-gebouw gelegen gelijknamig restaurant. Een deel van het KPN-gebouw is bij KPN in gebruik.

2.2

[verweerster] is een vereniging van eigenaars die onder meer verantwoordelijk is voor het beheer van de stallingsgarage die aan de achterzijde van het KPN-gebouw is gelegen. [verzoeker 1] is lid van [verweerster].

2.3

Op de stallingsgarage als dienend erf is onder meer een erfdienstbaarheid voor laden en lossen gevestigd ten gunste van het KPN-gebouw als heersend erf. In de leveringsakte van 9 december 2005 staat voor zover thans van belang het volgende:

(…)

Begane grond:

3.De erfdienstbaarheid om op de begane grond van de op het dienend erf te realiseren parkeergarage een tweetal parkeerplaatsen in gebruik te hebben, ten behoeve van het laden en lossen van goederen door middel van bestaande hijsbalk op de bovenste etage van het heersend erf, alsmede het recht om vanaf de openbare weg via de entree van de stallingsgarage te komen van en te gaan naar betreffende parkeerplaatsen met een personenauto of bestelwagen en het gebruikmaken van een goederenluik in de eerste verdiepingsvloer en de dakvloer alsmede het hebben en houden van een toegangsdeur tot het heersend erf, teneinde bedoelde goederen af te leveren;

(…)”

2.4

Via de deur aan de achterzijde van de begane grond van het KPN-gebouw hebben de gebruikers van het KPN-gebouw, waaronder [verzoeker 2] en zijn huurders en KPN, toegang tot de stallingsgarage (verder de toegangsdeur). Deze toegangsdeur wordt door [verzoeker 3] gebruikt om onder meer het afval met gesloten rolcontainers vanuit achterzijde van de horecaruimte door de stallingsgarage naar buiten af te voeren en weer terug naar binnen te rijden. [verzoeker 2] gebruikt de deur voor het transport van grotere goederen en verhuizingen ten behoeve van de bovengelegen verhuurde woningen.

2.5

Op 15 oktober 2019 is er een algemene ledenvergadering (ALV) van [verweerster] gehouden. In de notulen staat voor zover thans van belang het volgende:

(…)

“4b Verzoek van [verzoeker 1] t.b.v. doorvoer door Stallingsgarage

(…) De vergadering vindt unaniem dat vuiltransport over de openbare weg dient te geschieden en niet door de garage. De horeca-gelegenheid dient hier zelf voor te zorgen, net als alle andere horecagelegenheden in de buurt. Door middel van een gebruiksovereenkomst kan het personenverkeer door de nieuwe deur geregeld worden.

De vergadering besluit dat [verzoeker 1] binnen twee maanden een gebruikersovereenkomst in moet dienen aangaande het gebruik van de parkeergarage door haar huurders. Ook dient een deugdelijk verzoek te worden gedaan voor de bestemming van de deur, en worden alle afspraken vastgelegd conform splitsingsakte en huishoudelijk reglement. Indien er geen deugdelijk verzoek door [verweerster] is ontvangen, wordt de deur gesloten.

De vergadering besluit unaniem dat [verzoeker 1] er zorg voor draagt het vuilnistransport door de stallingsgarage binnen twee weken stopt en dit binnen tien werkdagen terug te koppelen aan het bestuur.

(…)”

2.6

Op 7 september 2020 is in opdracht van [verweerster] een beugel voor de toegangsdeur geplaatst. De deur kan nog voor zo’n 80 cm geopend worden. Deze beugel is omwikkeld met een rood/wit afzettingslint. Deze kwestie heeft geleid tot een kort geding waarin [verzoekers] onder meer hebben gevorderd [verweerster] te veroordelen de beugel te verwijderen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 14 september 2020 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.

2.7

Op 15 september 2020 heeft een ALV van [verweerster] plaatsgevonden. [verzoeker 1] heeft voor de ALV aan [beheerder], bestuurder van [verweerster], een volmacht gegeven. Met de volmacht heeft [verzoeker 1] een vijftal correcties op de notulen naar voren gebracht, agendapunt 4a. Ook heeft [verzoeker 1] met de volmacht een stemadvies meegegeven ten aanzien van de door c.q. namens [verzoeker 1] ingediende verzoeken (agendapunt 5, 6 en 7).

2.8

In de notulen d.d. 15 september 2020 staat voor zover van belang het volgende:

(…)

4. Notulen vorige vergadering

4a. Vaststellen tekst notulen vorige algemene ledenvergadering en ondertekening door de

voorzitter

[verzoeker 1] heeft bij de volmacht aan [naam 8] een document gestuurd met steminstructie

(deze wordt meegestuurd met de notulen).

Ten aanzien van de genomen besluiten kan worden vastgesteld dat op 15 oktober 2019 de ALV een

onaantastbaar besluit heeft genomen en de ALV hier niet van kan afwijken, omdat de termijn van vernietiging

inmiddels ruimschoots is verstreken.

De steminstructie heeft ook een relatie met het kortgeding die onlangs d.d. 11 september 2020 is

aangespannen.

Het vonnis van de rechter worden aan de notulen toegevoegd.

[naam 8] zal bij de vandaag te nemen besluiten bij betreffende agendapunten het standpunt van

[verzoeker 1] inbrengen voor zover die zijn ingebracht met de geleverde steminstructie.

De notulen van de algemene ledenvergadering d.d. 15 oktober 2019 en 5 november 2019 worden

ongewijzigd vastgesteld en ondertekend door de voorzitter.

4b. Doorlopen actielijst

Niet in behandeling genomen.

5. Doorvoer door Stallingsgarage en eerdere ingrepen

Het gaat hierbij om de ingrepen die in de Stallingsgarage zijn uitgevoerd, waarbij in eerste instantie voor

sommige ingrepen wel toestemming was gevraagd door de niet-rechtmatige eigenaar ([verzoeker 2]), en

sommige bouwkundige ingrepen zonder voorafgaand verzoek resp. zonder toestemming van [verweerster] zijn

uitgevoerd. Hierop heeft [verzoeker 1], als rechtmatige eigenaar de verzoeken thans opnieuw ingediend. De ALV wordt

gevraagd in te stemmen met onderstaande bouwkundige ingrepen.

Opgemerkt dient te worden dat [verweerster] Stallingsgarage niets van doen heeft met de [adres 2], het zijn

twee kadastraal gescheiden registergoederen. [verzoeker 1] is eigenaar van het pand en ook lid van [verweerster]

Stallingsgarage. Dus als lid van [verweerster] Stallingsgarage komt [verzoeker 1] op voor de belangen van het naburige

pand, omdat zij eigenaar is van dat pand. [verzoeker 1] heeft 52 parkeerplekken in eigendom en derhalve ook 52

stemmen in de ALV. De beheerder [beheerder] is geen beheerder van de [adres 2], maar is op deze

vergadering op basis van de door [verzoeker 1] aan [beheerder] afgegeven volmacht, voor [verzoeker 1] haar gemachtigde. Het

gaat om de onderstaande verzoeken.

Instemmingsverzoek plaatsen bouwstellages en aanpassing deurkozijn

Aan [verweerster] was op 8 mei en 5 juni 2018 toestemming gevraagd door [verzoeker 2] om een tijdelijke steiger

te mogen plaatsen op het dak van de Stallingsgarage en een verhoging van de toegangsdeur van

parkeergarage naar het pand aan de [adres 2], met de onderbouwing dat “zowel de steigerconstructie

als wel de vergroting van de toegangsdeur zijn goed bevonden door [bureau], welke [bedrijf]

heeft ingeschakeld. Het besluit van de ALV van 5 juni was als volgt: Besloten wordt dat het nieuwe kozijn

geplaatst mag worden conform opgave van [bedrijf]. Nu vraagt [verzoeker 1] om een gedeelte van dat besluit te

legitimeren. Namelijk alleen over het plaatsen van de bouwstellages.

De ALV stemt met 216 stemmen voor in met het verzoek, met de opmerking dat hiermee het eerder genomen

besluit wordt gelegitimeerd onder dezelfde beschrijvingen en voorwaarden als destijds in de vergadering was

besloten. Immers, het gaat hier om verzoeken voor het legitimeren/formaliseren van eerdere verzoeken.

Lucht aanzuiginstallatie

[verzoeker 1] schrijft dat zij graag formeel instemming ontvangt van [verweerster] voor het vervangen van het

luchttoevoerkanaal en het aanpassen van de bestaande afvoer. Dit blijft een bijzondere kwestie. Immers hier is

door [verzoeker 2] nooit toestemming voor gevraagd. Nogmaals, zonder inhoudelijke onderbouwing is de

ALV niet bij machte er iets zinnigs over te besluiten. Ook wijst de vergadering erop dat het gaat om

bouwkundige ingrepen waar vooraf toestemming voor gevraagd had moeten worden. Het besluit hierover is op

15 oktober 2019 reeds genomen. Er is thans geen enkele aanleiding om daarvan af te wijken.

Zoals vermeld in de toelichting bij het agendapunt ligt er geen inhoudelijk onderbouwd verzoek van [verzoeker 1] over

de bouwkundige ingreep om een doorvoer te creëren in de stallingsgarage. De ALV kan daarom geen

inhoudelijk besluit nemen, zoals thans door [verzoeker 1] wordt gevraagd. Zoals vermeld in de toelichting zijn de

besluiten van de ALV van 19 maart 2019 en 15 oktober 2019 niet opgevolgd door [verzoeker 1]. Hiermee is [verzoeker 1] in

gebreke gebleven.

Met 164 stemmen voor en 52 tegen besluit de ALV niet af te wijken van de eerder genomen besluiten.

Het gaat immers om het garanderen van de brandveiligheid in de Stallingsgarage en het

ongeoorloofde en heimelijke handelen in het domein van [verweerster].

Deze kwestie is ten langen leste uitgemond ineen sommatie naar [verzoeker 1] op 24 juli jl., gevolgd door een brief

naar de bestuurder van [verzoeker 1] d.d. 7 augustus 2020.

De ALV wordt gevraagd toestemming te verlenen aan het VvE bestuur om in rechte [verweerster] te

vertegenwoordigen voor het geval deze kwestie bij de rechter terecht komt. Ook hier is de

stemverhouding: 164 stemmen zijn voor en 52 stemmen tegen, waarmee het bestuur de gevraagde

toestemming verkrijgt.

Aanpassing draairichting van de deur

[verzoeker 1] ontvangt graag formeel instemming van [verweerster] voor het aanpassen van de draairichting van de

toegangsdeur.

Dit verzoek is geheel nieuw. Want het is een wijziging ten opzichte van het eerdere verzoek voor verhoging

van de deurkozijn, waarbij de draairichting naar binnen openging d.w.z. naar het eigen domein van de

[adres 2]. Dit nieuwe verzoek heeft plaatsgevonden nadat [verzoeker 1] door het bestuur erop geattendeerd is

dat zij in haar brief van 6 maart 2020 j.l. hier geen melding van maakte, en deed voorkomen alsof die aanvraag

conform het eerdere verzoek was van [verzoeker 2]. Hierop heeft [verzoeker 1] de oorspronkelijk ingediende tekening

behorend bij het toenmalige verzoek gewijzigd. Nu dit nieuwe verzoek er ligt wil [verweerster] er als volgt op

reageren. [verweerster] hecht er aan recht te doen aan de splitsingsakte en splitsingstekening. Het gaat om

kadastraal gescheiden registergoederen. De [adres 2] maakte voorheen gebruik van deze

toegangsdeur om goederen af te leveren. Bij de onlangs uitgevoerde renovatie van het pand zijn meerdere

ingangen gecreëerd aan de kant van de Binnenrotte zelf. Dit biedt nu dus de mogelijkheid het pand te

betreden vanuit de openbare weg, hetgeen hiervoor niet kon, omdat er geen deuren in het pand aan de kant

van de Binnenrotte voorhanden waren. Om toch de oorspronkelijke situatie te handhaven zou de deur dus

gewoon naar binnen open moeten gaan. Dit betekent dat de draairichting van de deur binnen het eigen

registergoed [adres 2] dient te zijn.

[verzoeker 1] voert in haar brief van 31 juli 2020 aan dat de draairichting is aangepast bij de renovatie van het pand

[adres 2]. Echter, de tekening die destijds voorde aanpassing van de deur is ingediend laat zien dat de

deur gewoon naar binnen draait.

[verzoeker 1] had kunnen en moeten weten dat voor het veranderen van de draairichting van de deur toestemming is

vereist van de ALV, omdat hiermee beslag wordt gelegd op het domein van de buren, zonder dat die daarvan

op de hoogte zijn gebracht of toestemming voor hebben verleend. Dit is des te zwaarder aan te rekenen,

omdat zij voor het verhogen van het deurkozijn, waarvan ze nu zeggen dat de wand niet mandelig is, eerder

wél toestemming voor vroegen bij de oorspronkelijke aanvraag.

Er zijn voor [verweerster] geen redenen om in de redenatie van [verzoeker 1] mee te gaan. Verder zijn er beperkingen

binnen de splitsingsakte waarmee het bestuur rekening dient te houden. Een legitieme en geoorloofde

onderbouwing voor het wijzigen van de draairichting van de deur is niet gevonden. De garage is alleen

toegankelijk voor bevoegden, zij betalen de kosten voor het onderhoud en het beheer ervan. Ook houdt de

VvE graag zelf de verantwoordelijkheid en de zeggenschap over het gebruik en het betreden van haar domein.

De ALV besluit met 164 stemmen [verzoeker 1] geen toestemming te verlenen voor het wijzigen van de

draairichting van de deur naar de Stallingsgarage. De ALV verleent het bestuur tevens mandaat

verweer te voeren bij de rechter.

Plaatsen Koelinstallatie

[verzoeker 1] ontvangt graag formeel instemming van [verweerster] voor het plaatsen van de koelinstallaties boven het dak

van de stallingsgarage.

Het oorspronkelijk gedane verzoek van [verzoeker 2] op 19 december 2018 betrof het plaatsen van een

koelinstallatie . Op 11 februari 2019 heeft de ALV daartoe een besluit genomen dat de koelinstallatie boven

het dak op de gevel van de Binnenrotte geplaatst mag worden en dat [verzoeker 3] aansprakelijk is voor

schade aan het dak en voor onderhoud aan de installatie. Thans is het verzoek aangepast, want [verzoeker 1] wil

toestemming voor het plaatsen van koelinstallaties.

Hiermee betreft het een nieuw verzoek. Ook bij dit verzoek ontbreekt elke inhoudelijke onderbouwing. De

ALV dient te beschikken over de technische tekeningen, alsook de effecten qua geluidsnormen etc. De ALV

ziet daarom eerst een deugdelijk verzoek tegemoet, met een situatieschets en bijbehorende tekeningen van een erkend bedrijf, waarin exact is aangegeven om hoeveel koelunits het gaat. Het eerdere besluit van de ALV

(februari 2019) heeft betrekking op één koelunit. Omdat dat besluit niet legitiem is, betekent dit dat het verzoek

opnieuw beoordeeld moet worden. Want ook dit besluit dient juridisch opnieuw te worden bekrachtigd. Daartoe

is eveneens een inhoudelijke onderbouwing van [verzoeker 1] vereist.

In afwachting van een beslissing van de ALV heeft [verzoeker 1] niet het recht om zonder toestemming van de ALV

koelunits te (laten) plaatsen als belangen van de Stallingsgarage in het geding zijn.

Het gaat om twee zaken:

1. Het eerder genomen besluit van februari 2019 diende opnieuw te worden voorgelegd aan de ALV,

conform besluit ALV 15 oktober 2019. Reden daarvoor was dat eerder op onrechtmatige gronden een

besluit was genomen in de ALV en dat besluit dus niet rechtsgeldig was. Hiertoe was noodzakelijk dat

het oorspronkelijke verzoek niet werd aangepast.

Het besluit van de ALV van 15 oktober 2020 is immers onaantastbaar en alle partijen zijn eraan gehouden.

De ALV vraagt om voor 20 december 2020 alle vereiste documenten en inhoudelijke informatie voor [verweerster]

beschikbaar te stellen, zodat blijkt dat uitvoering is gegeven conform eerder genomen besluit. Ook met foto’s

van het eindresultaat. Mocht dat niet het geval zijn, dan betekent dit dat er nog steeds geen toestemming is

verleend. Dit voorstel wordt met 164 stemmen voor en 52 tegen aangenomen.

2. Omdat het verzoek nu is aangepast, gaat het om een nieuwverzoek.

Om tot een goed oordeel te komen is vereist dat de ALV inhoudelijk wordt geïnformeerd, dus met bijbehorende

technische gegevens, alsmede om hoeveel units het per koelinstallatie gaat etc. Pas dan kan een op feiten

gefundeerd besluit worden genomen.

De ALV besluit met 164 stemmen voor en 52 tegen dat de ALV hier geen toestemming voor kan verlenen, bij

gebrek aan inhoudelijke onderbouwing.

Totaal toestemming

[verzoeker 1] vraagt in haar schrijven dd 31 juli 2020 de Vereniging van Eigenaren Stallingsgarage Laurenshof

instemming te verlenen met de voornoemde instemmingsverzoeken en tevens daarmee 'oude' verzoeken

(2018/2019) nu formeel en procedureel juist afgehandeld te hebben.

De ALV besluit met 164 stemmen voor en 52 tegen dat zonder inhoudelijke onderbouwing geen

toestemming verleend kan worden aan de eerder voorgelegde verzoeken uit 2018/2019. [verweerster] moet

altijd eerst inhoudelijk kunnen beoordelen, alvorens een besluit te nemen.

6. Vuilcontainers [verzoeker 3]

[verzoeker 1] vraagt aan [verweerster] om voorwaardelijk in te stemmen met het vooralsnog volgen van de huidige route en

dat er met de Gemeente Rotterdam een pilot wordt gestart. Dit verzoek was inmiddels achterhaald, vanwege

het Kort Geding dat door [verzoekers] was aangespannen en waar de rechter een vonnis heeft geveld op 14

september 2020 en [verzoeker 1] in het ongelijk is gesteld. Bij de mededelingen is hier uitvoerig op ingegaan.

(…)”

2.9

In de besluitenlijst die bij de notulen d.d. 15 september 2020 hoort staat voor zover van belang het volgende:

“(…)

4a. Vaststellen tekst notulen vorige algemene ledenvergadering en ondertekening door de voorzitter

4a.1 Het vonnis van de rechter worden aan de notulen toegevoegd.

4a.2 De notulen van de algemene ledenvergadering d.d. 15 oktober 2019 en 5 november 2019 worden ongewijzigd vastgesteld en ondertekend door de voorzitter.

5.Doorvoer door Stallingsgarage en eerdere ingrepen

5.1

Met 164 stemmen voor en 52 tegen besluit de ALV niet af te wijken van de eerder genomen besluiten. Het gaat immer om het garanderen van de brandveiligheid in de Stallingsgarage en het ongeoorloofde en heimelijke handelen in het domein van [verweerster].

5.2

De AVL wordt gevraagd toestemming te verlenen aan het VvE bestuur om in rechte [verweerster] te vertegenwoordigen voor het geval deze kwestie bij de rechter terecht komt. Ook hier is de stemverhouding: 164 stemmen zijn voor en 52 stemmen tegen, waarmee het bestuur de gevraagde toestemming verkrijgt.

5.3

De ALV besluit met 164 stemmen [verzoeker 1] geen toestemming te verlenen voor het wijzigen van de draairichting van de deur naar de Stallingsgarage. De ALV verleent het bestuur tevens mandaat verweer te voeren bij de rechter.

5.4

De ALV besluit met 164 stemmen voor en 52 tegen dat zonder inhoudelijke onderbouwing geen toestemming verleend kan worden aan de eerder voorgelegde verzoeken uit 2018/2019. [verweerster] moet altijd eerst inhoudelijk kunnen beoordelen, alvorens een besluit te nemen.

(…)”.

3. Het geschil

3.1

[verzoekers] wenden zich tot de kantonrechter met het verzoek en/of verklaring voor recht en/ of vordering, bij beschikking en/of vonnis, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. Voor recht te verklaren dat de ter vergadering 15 oktober 2019 genomen besluiten 4b, 1 t/m 3 (kortgezegd vuiltransport over de openbare weg dient te geschieden, sluiten van de deur, stoppen van gesloten deur, vuilnistransport door de stallingsgarage) nietig zijn, althans voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en/of de redelijkheid en billijkheid;

II. Voor recht te verklaren dat voor zover ter vergadering 15 september 2020 de door [verzoeker 1] aangegeven correcties op agendapunt 4 en 4a, (Vaststellen) Notulen vorige vergadering, niet zouden zijn overgenomen ter vergadering van 15 september 2020, het besluit tot vaststelling nietig is, althans voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en/of de redelijkheid en billijkheid;

III. Voor recht te verklaren dat voor zover de na te noemen verzoeken geheel of gedeeltelijk zijn afgewezen ter vergadering van 15 september 2020, agendapunt 5, doorvoer door Stallingsgarage en eerdere ingrepen, het besluit tot afwijzing nietig is, althans voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en/of de redelijkheid en billijkheid:

  1. omdraaien draairichting deur

  2. instemmingsverzoek plaatsen bouwstellages

  3. verhoging van de toegangsdeur

  4. ophangen koelinstallaties

  5. vervangen luchttoevoerkanaal en aanpassing doorvoer;

IV. Voor recht te verklaren dat voor zover de na te noemen verzoeken geheel of gedeeltelijk zijn afgewezen ter vergadering 15 september 2020, agendapunt 6, Vuilcontainers [verzoeker 3], het besluit tot afwijzing nietig is, althans voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en/of de redelijkheid en billijkheid:

- het (blijvend) gebruiken van de op grond van de erfdienstbaarheden route voor laden en lossen, zij het via de voetgangers- en fietserspassage, inclusief het op kosten van [verzoekers] aanpassen van de deur(en) naar een stalen deur met elektronisch gestuurde deurdranger en herstel van de aanwezige beschadigingen, althans

- het (blijvend) gebruiken van de op grond van de erfdienstbaarheden aangewezen route via de speedgates;

- alsmede voor recht te verklaren dat verzoekers de op grond van de erfdienstbaarheden aangewezen route voor laden en lossen via de voetgangers- en fietserspassage, althans de op grond van de erfdienstbaarheden aangewezen route via de speedgates (blijvend) mogen gebruiken;

V. Nietig te verklaren, althans te vernietigen wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en/of de redelijkheid en billijkheid de drie opties/ beslispunten die het bestuur aan de vergadering van 15 september 2020 heeft voorgelegd:

  • -

    ad A. Kiezen voor doorvoer door het eigen pand, [adres 2]

  • -

    ad B. Stap naar de rechter

  • -

    ad C. Toestaan van doorvoer door de garage, tenzij onder het sluiten van een gebruikersovereenkomst waarin reële en redelijke waarborgen (voorwaarden en beperkingen), waaronder financiële tegemoetkoming (beheerskosten) en een boeteclausule (bij schade of overtreding) na ingebrekestelling zijn opgenomen;

VI. Te verklaren voor recht dat de beugel voor de deur in pand [adres 2] naar de stallingsgarage onrechtmatig is en dient te worden verwijderd en verwijderd te blijven en ook geen andere objecten de doorgang mogen belemmeren, op straffe van en dwangsom van € 250,- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de doorgang wordt belemmerd met een maximum van € 100.000,00.

Een en ander met veroordeling van [verweerster] in de kosten van dit geding.

3.2

[verweerster] voert verweer.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

Processueel

4.1

[verweerster] heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen ten aanzien van een deel van de verzoeken/vorderingen van [verzoeker 1] en zich op het standpunt gesteld dat deze zich niet lenen om in een verzoekschriftprocedure ex artikel 5:130 BW te worden behandeld.

4.2

Zij voert aan dat partijen een geschil hebben over de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheden. Een verzoekschriftprocedure ex artikel 5:130 BW is niet geschikt om zelfstandig óók de inhoud, aard en omvang van erfdienstbaarheden te behandelen. Ten aanzien hiervan gelden de exclusieve procedures ex artikel 5:78-81 BW. Onderdeel IV van het verzoek dient te worden ingesteld bij dagvaarding en behoort tot de competentie van de sector Civiel van de rechtbank. Daarnaast merkt [verweerster] op dat zij geen (proces)partij is voor wat betreft een inhoudelijk oordeel over de erfdienstbaarheden. Niet [verweerster] maar de gezamenlijke eigenaars zijn eigenaar van de opstal en daarmee goederenrechtelijk partij bij de erfdienstbaarheid.

4.3

Voorts voert [verweerster] aan dat een vordering tot verklaring voor recht omtrent de (on)rechtmatigheid van een handeling, zijnde het plaatsen van een beugel voor de deur een vordering van onbepaalde waarde is, zodat deze vordering dient te worden behandeld en beslist door de rechtbank, sector Civiel. Van een zodanige samenhang die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet is geen sprake. Daar komt bij dat [verzoeker 1] een zelfde vordering reeds in een kort geding procedure tegen [verweerster] heeft ingesteld en dat het Gerechtshof Den Haag zich op dit moment in hoger beroep hierover buigt.

4.4

[verzoekers] stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter op grond van artikel 93 aanhef onder d Rv jo artikel 94 lid 2 Rv bevoegd is van zowel het verzoek tot vernietiging als van de vordering tot nietigverklaring kennis te nemen. Indachtig de goede proceseconomie en in lijn met HR 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1275) stellen [verzoekers] dat de kantonrechter daarbij tevens bevoegd is kennis te nemen van de gevorderde verklaring voor recht dat de beugel onrechtmatig, want in strijd met de verleende erfdienstbaarheden, is geplaatst. Mocht de kantonrechter anders oordelen dan verzoeken [verzoekers] de kantonrechter conform artikel 69 Rv de procedure om te zetten in een dagvaardingsprocedure.

4.5

Aangezien [verweerster] een exceptie van onbevoegdheid van de kantonrechter heeft opgeworpen, zal de kantonrechter eerst beoordelen of zij bevoegd is om (deze onderdelen van) het verzoek te behandelen.

4.6

Op grond van artikel 5:130 jo 2:15 jo 2:8 BW kan een besluit van een orgaan van [verweerster] door de kantonrechter worden vernietigd. Vernietiging moet worden verzocht in een verzoekschriftprocedure bij de kanontrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Nietigheid van een besluit van een orgaan van [verweerster] moet daarentegen worden vastgesteld in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank. De onderdelen IV en VI hebben betrekking op de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheden. Voor erfdienstbaarheden is er een exclusieve procedure in de wet geregeld. Artikel 5:78-80 BW geven de rechter in de daar genoemde gevallen de discretionaire bevoegdheid de erfdienstbaarheid op vordering van de eigenaar van het dienende erf te wijzigen of op te heffen (artikel 5:78 en 79 BW) of op vordering van de eigenaar van het heersende erf te wijzigen (5:80 BW). Deze vorderingen behoren tot de absolute competentie van de rechter van de rechtbank, sector Civiel. Ook deze rechter is bevoegd om kennis te nemen van het geschil over de verklaring voor recht omtrent de (on)rechtmatigheid van het plaatsen van de beugel voor de toegangsdeur van het pand aan de [adres 2] te Rotterdam en niet de kantonrechter. De vraag of de beugel al dan niet rechtmatig is geplaatst, heeft eveneens betrekking op de erfdienstbaarheden. Voor geschillen over de erfdienstbaarheid hadden [verzoekers] niet [verweerster] maar de gezamenlijke eigenaren van de opstal in rechte moeten betrekken, [verweerster] is immers geen (proces) partij in het geschil over de erfdienstbaarheid. Nu deze eigenaren niet in deze procedure zijn betrokken, ziet de kantonrechter geen mogelijkheden om deze onderdelen in deze procedure te behandelen. Een beroep op het door [verzoekers] bedoelde arrest van de HR (hiervoor r.o. 4.4) kunnen hen niet baten. De HR maakt in dat arrest immers slechts een onderscheid tussen vernietiging en nietigheid van besluiten die in het kader van de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW allebei aan de orde kunnen worden gesteld. Meer ook niet, laat staan mogelijke aanverwante vorderingen waarvoor een andere specifiek in de wet opgenomen procedure bestaat. Dit betekent dat de kantonrechter voor wat betreft de onderdelen IV en VI niet bevoegd is om hiervan kennis te nemen.

4.7

Ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht (de overige onderdelen) oordeelt de kantonrechter als volgt. Een procedure tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dient niet aanhangig te worden gemaakt door middel van een verzoekschrift, maar door middel van een exploot van dagvaarding. Indien een procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, dan beveelt de rechter op grond van artikel 69 Rv, zo nodig met verwijzing naar een andere kamer, dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure respectievelijk de verzoekschriftprocedure. In dit onderhavige geschil ziet de kantonrechter geen reden om dit artikel toe te passen, omdat [verzoekers] met de gevorderde verklaringen voor recht in wezen een verzoek tot vernietiging c.q. nietigheid van de besluiten van [verweerster] ex artikelen 2:14 en 2:15 jo 5:130 BW hebben ingediend. Op grond van deze artikelen kan een besluit van een orgaan van [verweerster] door de kantonrechter worden vernietigd en dient een vernietiging te worden verzocht in een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter.

4.8

Voor de nietigheid van zo’n besluit ontbreekt een dergelijke bepaling, zodat de rechter van de civiele handelskamer in beginsel de bevoegde rechter is. Op grond van
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275 r.o. 3.2.3 is echter wel mogelijk dat bij een gecombineerd verzoek (vernietiging, althans nietigheid) de kantonrechter bevoegd is.

4.9

Gezien het bovenstaande hebben [verzoekers] geen belang bij haar gevraagde spoorwissel. Dit betekent dat de kantonrechter de gevorderde verklaringen voor recht zal opvatten als een verzoek tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de besluiten zoals door [verzoekers] is verzocht.

4.10

Door [verweerster] is ook aangevoerd dat [verzoeker 3] en [verzoeker 2] geen belanghebbenden in de zin van artikel 5:130 BW zijn. Ze zijn immers géén lid van [verweerster]. De kantonrechter overweegt als volgt. Krachtens art. 2:15 lid 3 BW kan vernietiging worden gevorderd door een ieder die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, en door de rechtspersoon zelf. Van een redelijk belang zal in het algemeen slechts sprake zijn wanneer een belang van de verzoekende partij door de niet-naleving is geschaad. De verzoekende partij zal haar redelijk belang moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken. Een redelijk belang ontbreekt indien vernietiging geen zin heeft. Als vuistregel kan gelden dat een redelijk belang ontbreekt indien vernietiging het uiteindelijk door verzoeker beoogde resultaat niet dichterbij brengt. Hoewel [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen lid zijn van [verweerster], hebben zij als huurkoper van het KPN-gebouw respectievelijk huurder van een deel van het KPN-gebouw wel met de besluiten van [verweerster] te maken, in die zin dat zij ook worden geacht zich te conformeren aan de besluiten die worden genomen. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zij een redelijke belang hebben in deze procedure, zodat [verzoeker 2] en [verzoeker 3] beiden ontvankelijk zijn in deze procedure.

Inhoudelijk

4.11

De kantonrechter zal nu de onderdelen I -III en V van het verzoek inhoudelijk behandelen en beoordelen.

I. Besluiten 15 oktober 2019

Vernietigbaarheid

4.12

Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW dient een verzoek tot vernietiging van een besluit van de vergadering te worden gedaan binnen een maand na de dag waarop van het besluit kennis is genomen of had kunnen worden kennisgenomen.

4.13

Vaststaat dat er namens [verzoekers] twee afgevaardigden aanwezig waren bij de vergadering van 15 oktober 2019. Dit betekent dat [verzoekers] reeds op die datum moeten worden geacht kennis te hebben genomen van de besluiten en is op de volgende dag de vernietigingstermijn van een maand gaan lopen. Voor wat betreft de besluiten van
15 oktober 2019 hadden [verzoekers] het verzoek dan ook uiterlijk op 15 november 2019 moeten indienen. Door pas bij verzoekschrift van september 2020 om vernietiging van deze besluiten te vragen, zijn [verzoekers] te laat. Daarnaast hebben [verzoekers] niet onderbouwd op welke gronden de onder 51 van het verzoekschrift genoemde drietal besluiten vernietigbaar (onderstreping kantonrechter) zijn. [verzoekers] zullen voor wat betreft dit onderdeel van het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nietigheid

4.14

Met betrekking tot de nietigheid van een besluit is geen termijn gesteld waarbinnen het verzoek daartoe moet worden ingediend. Door [verzoekers] is slechts gesteld dat de besluiten nietig zijn, omdat er sprake is van door haar gestelde strijd met verleende erfdienstbaarheden. Artikel 2:14 BW bepaalt dat een besluit nietig is, indien het in strijd is met de wet of statuten. Het in strijd zijn met een erfdienstbaarheid levert geen nietig besluit op, nog daargelaten dat de kantonrechter, zoals hierboven reeds is geoordeeld, niet bevoegd is om te oordelen over de kwestie van de erfdienstbaarheid. Dit betekent dat dit onderdeel van het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is.

II. Besluiten 15 september 2020

4.15

Ten aanzien van de besluiten van 15 september 2020, voor zover deze zijn genomen, is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek tot vernietiging – op 14 oktober 2020 ter griffie ontvangen – tijdig is ingediend.

Correcties op agendapunt 4 en 4a (vaststellen) Notulen vorige vergadering

4.16

[verzoekers] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij recht op en belang bij juiste vaststelling van de notulen hebben. [verweerster] heeft aangevoerd dat [verzoekers] geen deugdelijke onderbouwing hebben gegeven dat het besluit vernietigbaar althans nietig is, zodat zij daarop geen inhoudelijk verweer kan voeren.

4.17

De kantonrechter oordeelt als volgt. Blijkens de overgelegde agendapunten/ notulen en besluitenlijst van 15 september 2020 is er op dit punt geen besluit in de zin van artikel 5:130 jo 2:15 BW genomen. In de besluitenlijst staat immers bij punt 4a.2 “de notulen van de algemene ledenvergadering d.d. 15 oktober 2019 en 5 november 2019 worden ongewijzigd vastgesteld en ondertekend door de voorzitter”. Nu [verzoekers] hebben gesteld noch onderbouwd welk besluit in de zin van artikel 5:130 jo 2:15 BW is genomen, dat in strijd is met de wet of een statutaire bepaling, dan wel de redelijkheid en billijkheid, dan wel een reglement, is de kantonrechter van oordeel dat dit onderdeel van het verzoek niet toewijsbaar is.

III. Agendapunt 5 Doorvoer door stallingsgarage en eerdere ingrepen

Ad a) Omdraaien draairichting deur

4.18

In de notulen van 15 september 2020 en in de besluitenlijst staat dat de ALV van [verweerster] heeft besloten [verzoeker 1] geen toestemming te verlenen voor het wijzigen van de draairichting van de deur naar de stallingsgarage.

4.19

Gebleken is dat [verzoekers] de draairichting – zonder toestemming van [verweerster] – hebben aangepast. [verweerster] vindt dat er geen legitieme en geoorloofde onderbouwing is voor het wijzigen van de draairichting van de deur. Blijkens de notulen heeft [verweerster] geen toestemming aan de [verzoekers] verleend om de draairichting van de deur naar de stallingsgarage te wijzigen. De kantonrechter begrijpt dat [verzoekers] thans alsnog toestemming wensen van [verweerster], maar dat [verweerster] heeft geweigerd toestemming te geven. Voor deze kwestie hadden [verzoekers] een verzoek ex 5:121 BW voor een vervangende machtiging van de kantonrechter moeten vragen. Dit hebben zij niet gedaan. Voor vernietiging c.q. nietigverklaring van het besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit onderdeel van het verzoek zal worden afgewezen.

Ad b) Instemmingsverzoek plaatsen bouwstellages en ad c) Verhoging van de toegangsdeur

4.20

Blijkens de notulen is er reeds toestemming verleend voor het (tijdelijk) plaatsen van een bouwstellage respectievelijk voor het aanpassen van de deur conform opgave van [bedrijf]. Nu niet is gebleken dat [verweerster] hierover enig ander besluit heeft genomen, hebben [verzoekers] geen recht en belang bij vernietiging c.q. nietigverklaring van het besluit.

Ad d) Ophangen koelinstallaties

4.21

Uit de notulen is gebleken dat [verweerster] al toestemming heeft verleend voor het plaatsen van één koelinstallatie. Er is nu een nieuw verzoek ingediend voor het plaatsen van koelinstallaties. In de notulen staat ook dat [verweerster] pas tot een goed oordeel kan komen als zij inhoudelijk wordt geïnformeerd met bijbehorende technische gegevens, alsmede over om hoeveel units het per koelinstallatie gaat en dat zij dan pas een besluit kan nemen. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat er in dit geval geen besluit in de zin van artikel 2:14 / 2:15 BW jo 5:130 BW is genomen, zodat er geen grond is voor vernietiging/ nietigverklaring van het besluit.

Ad e) Vervangen luchttoevoerkanaal en aanpassing doorvoer

4.22

In de notulen is te lezen dat het besluit hierover reeds op 15 oktober 2019 is genomen en dat [verweerster] geen aanleiding ziet om daarvan af te wijken. Voorts kan de ALV van [verweerster] geen inhoudelijk besluit nemen omdat er geen inhoudelijk onderbouwd verzoek van [verzoeker 1] ligt over de bouwkundige ingreep om een doorvoer te creëren in de stallingsgarage. Ook hier is niet gebleken dat [verweerster] een besluit in de zin van artikel 2:14 / 2:15 jo 5:130 BW heeft genomen, zodat [verzoekers] ook hier geen recht en belang hebben bij vernietiging c.q. nietigverklaring van het besluit.

V. Vuilcontainers [verzoeker 3] drie opties/beslispunten

4.23

[verzoekers] hebben gesteld dat zij diverse pogingen hebben beschreven voor alternatieve oplossingen voor laden en lossen van de gesloten plastic afvalcontainers via de stallingsgarage. Daarom hebben [verzoekers] verzocht in te stemmen met het voorzetten van de huidige route en het nader bezien van de alternatieven in de vorm van een pilot. [verzoekers] hebben het bestuur drie opties/beslispunten voorgelegd: a) kiezen voor doorvoer door het eigen pand [adres 2], b) stap naar de rechter, c) toestaan van doorvoer door de garage.

4.24

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat over de kwestie van de vuilcontainers van [verzoeker 3] op de vergadering d.d. 15 oktober 2019 helemaal geen besluit is genomen. Vanwege het door [verzoekers] gestarte kort geding is het verzoek van [verzoekers] achterhaald. Het verzoek van [verzoekers] is dus niet in stemming gebracht. Aangezien er geen besluit is genomen, kan er ook geen besluit worden vernietigd. Ook een beroep op nietigheid kan niet slagen.

4.25

De kantonrechter stelt vast dat er op de vergadering van 15 september 2020 op dit punt geen besluiten zijn genomen. In de notulen noch in de besluitenlijst is er op dit punt te lezen dat er een besluit is genomen. Dit betekent dat er geen beroep op nietigheid dan wel vernietigbaar kan worden gedaan, zodat ook dit onderdeel van het verzoek niet toewijsbaar is.

4.26

Geconcludeerd moet worden dat geen van de verzoeken van [verzoekers] toewijsbaar zijn.

4.27

[verzoekers] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van de onderdelen IV en VI:

verklaart zich onbevoegd hiervan kennis te nemen;

ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van de besluiten d.d. 15 oktober 2019

verklaart [verzoekers] niet-ontvankelijk in deze verzoeken;

ten aanzien van de onderdelen I t/m III en V:

wijst de verzoeken van [verzoekers] af;

veroordeelt [verzoekers] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821