Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4194

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
9050527
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek basisschoollerares op c-, d-, g-, h- en i-grond afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0603
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9050527 \ VZ VERZ 21-2423

uitspraak: 29 april 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. B. van Bon te Rotterdam,

tegen

[naam verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.R. Kamerling te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘BOOR’ en ‘ [naam verweerster] ’ genoemd.

1. Het procesverloop

1.1.

Van de volgende processtukken heeft de kantonrechter kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van BOOR, met producties, ontvangen op de griffie op 24 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 7:671b BW, met producties;

  • -

    de faxbrief van BOOR van 6 april 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Namens BOOR zijn de heren [persoon A] (beleidsmedewerker HRM) en [persoon B] (bovenschools manager) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [naam verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft uitspraak van deze beslissing bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

BOOR verzorgt openbaar (speciaal) onderwijs in Rotterdam. In totaal bestaat BOOR uit meer dan 80 scholen, waarvan ongeveer 70 basisscholen.

2.2.

[naam verweerster] , geboren op [geboortedatum] , is op 30 november 1994 bij BOOR in dienst getreden, op de basisschool [naam school 1] . Zij is hier laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 36 uur per week werkzaam, in de functie van lerares (L10), tegen een salaris van € 4.113,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de cao PO 2019-2020 van toepassing.

2.3.

In maart 2017 was [naam verweerster] voor een korte periode afwezig. Tijdens haar afwezigheid constateerde mevrouw [persoon C] , de directeur van [naam school 1] , (onder meer) dat de planning van de klas van [naam verweerster] niet op orde was en dat er weinig (reken)materiaal in de klas aanwezig was. Daarop hebben [persoon C] en [naam verweerster] enkele afspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat [persoon C] enkele lessen zou observeren. Op 15 maart, 21 maart en 5 april 2017 heeft [persoon C] een les Begrijpend Lezen van [naam verweerster] bijgewoond. Naar aanleiding van deze les heeft [persoon C] een checklist opgesteld waarin positieve en negatieve punten zijn geformuleerd. Naar aanleiding van de laatste les concludeert [persoon C] als volgt:

“ [voornaam persoon C] heeft aangegeven dat ze nu drie lessen heeft geobserveerd (op 15, 21 maart en 5 april), maar dat [voornaam verweerster] in deze lessen te weinig ontwikkeling heeft laten zien. [voornaam persoon C] geeft aan [voornaam verweerster] echt het model dient te hanteren en de lestijd die hier voor is aangegeven te volgen. [voornaam verweerster] geeft aan dat zij zo graag de strategie goed wil uitleggen, met name voor de zwakkere kinderen, dat ze daardoor de tijd uit het oog verliest. [voornaam persoon C] geeft aan dat ze dan de andere groepjes snel met een korte instructie aan het werk moet zetten en met die kinderen apart moet gaan lezen en feedback geven op het gebruik van de strategie. Dan kan ze daarna bij de andere kinderen langs, om bij hen te luisteren hoe ze strategie toepassen en daar feedback op te geven. Doordat de instructie nu zo lang duurt en steeds op een andere manier wordt uitgelegd, weten kinderen als ze eenmaal aan het werk moeten, niet meer wat ze moeten doen. [voornaam verweerster] geeft aan het fijn te vinden dat zij de mogelijkheid krijgt om hierop gecoacht te worden.

Afspraken:

- [voornaam verweerster] zal twee keer samen met [persoon D] een les voorbereiden en deze door middel van co-teaching uitvoeren. Zo krijgt zij direct feedback op haar handelen en wordt de methodiek ingeslepen;

- Na de tweede bijeenkomst vindt een driegesprek plaats om de ontwikkeling van [voornaam verweerster] te bespreken. Aan de hand daarvan kijken we wat [voornaam verweerster] nog nodig heeft om op het basisniveau voor Nieuwsbegrip te komen;”

2.4.

Op 9 mei en 20 juni 2017 heeft de heer [persoon E] , extern coach van leraren, samen met [naam verweerster] een les Begrijpend Lezen voorbereid en gegeven. Naar aan leiding van deze twee lessen heeft op 22 juni 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam verweerster] , [persoon C] en [persoon E] . De conclusie in het gespreksverslag luidt als volgt:

“ [persoon D] geeft aan de les onvoldoende was. Hij heeft onvoldoende gezien dat het begrijpend lezen was. [persoon D] geeft aan dat [voornaam verweerster] vooral met het proces bezig was, hierdoor heeft de les te weinig diepte en komen kinderen onvoldoende tot leren.”

2.5.

Bij brief van 10 juli 2017 heeft BOOR aan [naam verweerster] meegedeeld:

“Op woensdag 5 juli jl. spraken wij elkaar in het kader van uw plaatsing op de

opleidingsschool en het intensieve verbetertraject, welke start met ingang van maandag 21 augustus 2017. De periode maart t/m juni van het jaar 2017, waarbinnen u coaching aangeboden heeft gekregen op verschillende aandachtspunten, ligt ten grondslag aan dit traject. De ontwikkeling die u heeft doorgemaakt binnen de periode maart t/m juni 2017 is als onvoldoende beoordeeld. M.a.w. de kwaliteit van uw lessen is op dit moment onder het gewenste niveau. De inzet van dit verbetertraject heeft betrekking op uw huidige functie, namelijk leerkracht, en is mede bedoeld om uit te sluiten dat het disfunctioneren verband houdt met OBS [naam school 1] .”

Het door BOOR beoogde traject hield kort gezegd in dat [naam verweerster] op 21 augustus 2017 een assessment zou afleggen, (mede) naar aanleiding waarvan leerpunten zouden worden geformuleerd. Vervolgens zou [naam verweerster] met ingang van 22 augustus 2017 tijdelijk worden overgeplaatst naar een andere basisschool van BOOR, namelijk [naam school 2] . [naam school 2] betreft een zogenoemde ‘opleidingsschool’ van BOOR. Dat is een reguliere school, die voor de leraren zo is ingericht dat zij daar begeleid en gecoacht kunnen worden.

2.6.

Bij brief van 13 juli 2017 heeft [naam verweerster] , althans haar toenmalige gemachtigde, bezwaar gemaakt tegen dit besluit. [naam verweerster] heeft gemeld dat zij open staat voor suggesties ten aanzien van haar functioneren, maar dat zij graag blijft werken bij [naam school 1] . BOOR heeft de bezwaren van [naam verweerster] bij e-mail van 16 augustus 2017 van de hand gewezen en haar gewezen op de voornoemde afspraken van 21 en 22 augustus 2017.

2.7.

Op maandochtend 21 augustus 2017 heeft [naam verweerster] zich per e-mail ziekgemeld. In reactie op deze e-mail heeft BOOR haar uitgenodigd voor een gesprek met de bedrijfsarts op 22 augustus 2017. Op deze afspraak is [naam verweerster] zonder bericht van verhindering niet verschenen. Daarop heeft de heer [persoon B] , bovenschools directeur bij BOOR, bij brief gemeld dat hij het voornemen heeft om het loon van [naam verweerster] per 7 september 2017 op te schorten. Vervolgens heeft [naam verweerster] in eerste instantie op 24 augustus 2017 gemeld dat zij niet in staat was om de bedrijfsarts te bezoeken. Na bezwaren van BOOR heeft zij vervolgens toch de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft toen geconstateerd dat [naam verweerster] arbeidsongeschikt is. Bij e-mail van 14 november 2017 heeft BOOR daarop het besluit tot tijdelijke overplaatsing van [naam verweerster] naar [naam school 2] ingetrokken, omdat na het besluit de arbeidsongeschiktheid is ontstaan.

2.8.

Tijdens de arbeidsongeschiktheid verschijnt [naam verweerster] diverse malen niet op afspraken bij de bedrijfsarts, arbeidsdeskundige en casemanager, hetgeen leidt tot arbeidsrechtelijke sancties van BOOR. [naam verweerster] heeft steeds (andere) verklaringen voor haar afwezigheid. [naam verweerster] heeft er daarnaast diverse malen op gewezen dat zij ontevreden is over de wijze waarop BOOR invulling geeft aan de re-integratie, waarbij [naam verweerster] steeds haar voorkeur heeft uitgesproken om te re-integreren op [naam school 1] , omdat zij hier destijds reeds 24 jaar had gewerkt. BOOR heeft dit echter geweigerd omdat zij de re-integratie wilde laten plaatsvinden op een andere school. [naam verweerster] is daarop gestart met re-integratie op de basisschool [naam school 3] .

2.9.

Op 13 september 2018 heeft de bedrijfsarts [naam verweerster] volledig arbeidsgeschikt verklaard. Op 14 september 2018 heeft BOOR aan [naam verweerster] een brief gezonden, waarin zij haar meedeelt dat [naam verweerster] gedurende het jaar 2018/2019 opnieuw geplaatst zou worden op de opleidingsschool [naam school 2] , met ingang van 18 september 2018. In de ochtend van 18 september 2018 heeft [naam verweerster] zich opnieuw ziekgemeld. Bij brief van 18 september 2018 heeft BOOR gemeld dat zij deze niet ziekmelding niet accepteert, omdat de bedrijfsarts op 13 september 2018 nog heeft geconstateerd dat [naam verweerster] gezond is. BOOR heeft meegedeeld dat zij het loon van [naam verweerster] staakt en dat [naam verweerster] zich op 25 september 2018 dien te melden bij [naam school 2] . Bij brief van diezelfde datum heeft BOOR haar een voorwaardelijk strafontslag gegeven, onder de voorwaarde dat zij zich de komende twee jaar niet schuldig mag maken aan enig plichtsverzuim. [naam verweerster] heeft hierop te kennen gegeven dat zij wel degelijk ziek is, maar BOOR heeft vastgehouden aan het advies van de bedrijfsarts van 13 september 2018.

2.10.

Bij brief van 30 oktober 2018 concludeert het UWV dat [naam verweerster] onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie.

2.11.

Op 8 november 2018 oordeelt de bedrijfsarts dat [naam verweerster] volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van toenemende beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren ten gevolge van ziekte. Hij heeft daarnaast geoordeeld dat [naam verweerster] ook arbeidsongeschikt was op 18 september 2018. Naar aanleiding van deze berichten heeft BOOR het loon van [naam verweerster] alsnog voldaan en de re-integratie hervat.

2.12.

Bij besluit van 1 april 2019 heeft BOOR de bezwaren van [naam verweerster] tegen (onder meer) tijdelijke overplaatsing naar [naam school 2] ongegrond verklaard.

2.13.

In april 2020 heeft [naam verweerster] meegedeeld dat zij herstellende is en dat zij graag weer aan de slag wil gaan bij [naam school 1] . Daarop heeft BOOR bij brief van 9 juni 2020 aan [naam verweerster] meegedeeld dat zij haar toch (tijdelijk) zal overplaatsen naar de opleidingsschool [naam school 2] . [naam verweerster] heeft verzocht om dit besluit te heroverwegen. Bij brief van 10 juli 2020 heeft BOOR haar besluit gehandhaafd.

2.14.

Per 17 augustus 2020 heeft de bedrijfsarts [naam verweerster] volledig arbeidsgeschikt verklaard.

2.15.

[naam verweerster] heeft bij dagvaarding van 19 augustus 2020 in kort geding gevorderd BOOR te veroordelen om [naam verweerster] per 31 augustus 2020 toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden op [naam school 1] . Bij vonnis van 21 oktober 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat BOOR een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij plaatsing van [naam verweerster] op [naam school 2] dat het belang van [naam verweerster] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Daaraan heeft zij (samengevat) ten grondslag gelegd dat vast staat dat [naam verweerster] op onderdelen onvoldoende functioneert en dat BOOR er belang bij heeft om [naam verweerster] op een opleidingsschool toereikende aandacht te kunnen geven. Daar tegenover heeft [naam verweerster] beperkte belangen. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat [naam school 1] een bekend adres is, maar zij heeft hier inmiddels al drie jaar niet meer gewerkt. Bovendien betreft het een tijdelijke plaatsing, met behoud van salaris.

2.16.

Op 24 oktober 2020 heeft [naam verweerster] zich opnieuw ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft daarop geoordeeld dat zij arbeidsongeschikt is.

3. Het geschil

3.1.

BOOR verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen BOOR en [naam verweerster] te ontbinden en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur van deze procedure, met bepaling dat [naam verweerster] ten hoogste recht heeft op de transitievergoeding.

3.2.

Aan haar verzoek legt BOOR ten grondslag dat er sprake is van een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, en dat herplaatsing van [naam verweerster] niet mogelijk is (zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 1 sub a jo 669 lid 1 BW). BOOR voert primair vier alternatieve gronden aan voor de ontbinding, namelijk:

  • -

    de c-grond (frequent ziekteverzuim), omdat [naam verweerster] opgeteld inmiddels 3,5 jaar arbeidsongeschikt is, hetgeen tot onaanvaardbare gevolgen voor BOOR leidt;

  • -

    de d-grond (disfunctioneren), omdat in 2017 is geconstateerd dat [naam verweerster] onvoldoende functioneert, en [naam verweerster] de gelegenheid is gegeven om haar functioneren te verbeteren, maar dit verbetertraject is als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet van de grond gekomen;

  • -

    de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding), omdat [naam verweerster] zich oncoöperatief opstelt tijdens de arbeidsongeschiktheid en zich niet bereid toont tijdelijk overgeplaatst te worden naar [naam school 2] . Hierdoor is een impasse ontstaan. BOOR kan het niet meer opbrengen om zich nogmaals in te spannen om [naam verweerster] te laten re-integreren, omdat zij er geen vertrouwen in heeft dat dit zal slagen.

  • -

    de h-grond (andere omstandigheden), omdat er een vicieuze cirkel is ontstaan. Er bestaat geen perspectief op het verrichten van werkzaamheden, omdat [naam verweerster] zich onveilig voelt bij [naam school 2] . BOOR is na de vruchteloze inspanningen niet meer instaat om nogmaals de re-integratie op te pakken.

Subsidiair stelt BOOR dat sprake is van de i-grond (cumulatiegrond), bestaande uit de cumulatie van twee of meer van de voornoemde vier gronden en de b-grond (langdurige arbeidsongeschiktheid).

3.3.

[naam verweerster] verzoekt primair om het ontbindingsverzoek af te wijzen. Zij voert aan dat de aangevoerde gronden allen niet kunnen leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij toewijzing van het verzoek verzoekt [naam verweerster] rekening te houden met een opzegtermijn van 4 maanden en een bedrag van € 41.528,82 aan transitievergoeding toe te kennen, en 1,5 maal deze vergoeding bij toewijzing van het verzoek op de i-grond.

3.4.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal de kantonrechter, voor zover relevant, hierna onder de beoordeling ingaan.

4. De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW, kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden, indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De gronden die BOOR heeft aangevoerd zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld.

c-grond: frequent ziekteverzuim

4.2.

Van deze ontbindingsgrond is sprake wanneer de werknemer bij regelmaat niet de bedongen arbeid kan verrichten als gevolg van ziekte of gebreken, met voor de bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen. Het gaat dus, mede blijkens de parlementaire geschiedenis, om veelvuldig, kortdurend ziekteverzuim en niet om langdurig ziekteverzuim. [naam verweerster] is weliswaar inmiddels reeds een lange periode arbeidsongeschikt, echter is geen sprake van veelvuldig en kortdurend ziekteverzuim, zoals het UWV ook heeft geoordeeld in het door BOOR overgelegde deskundigenoordeel. Reeds om die reden is van de c-grond dus geen sprake.

d-grond: disfunctioneren

4.3.

Van deze ontbindingsgrond is sprake bij ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid. Daarvoor is onder meer vereist dat de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld het functioneren te verbeteren. BOOR baseert haar stelling dat [naam verweerster] onvoldoende functioneert op de analyse van 5 lessen Begrijpend Lezen uit 2017. De directrice heeft 3 lessen geobserveerd en vervolgens heeft een externe coach [naam verweerster] begeleid bij het voorbereiden en lesgeven van 2 lessen. De kantonrechter oordeelt dat op basis hiervan weliswaar kan worden geconcludeerd dat het functioneren van [naam verweerster] specifiek ten aanzien van Begrijpend Lezen voor verbetering vatbaar is, echter is dit onvoldoende om te concluderen dat [naam verweerster] ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid (zoals ook de adviseur bezwaarschriften concludeert in de door BOOR overgelegde productie 83). Zeker nu [naam verweerster] daarvoor 24 jaar als lerares werkzaam was op [naam school 1] en gesteld noch gebleken is dat zij in die periode niet naar tevredenheid functioneerde.

4.4.

Zelfs indien sprake zou zijn van ongeschiktheid van [naam verweerster] tot het verrichten van de bedongen arbeid, dan heeft BOOR [naam verweerster] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar functioneren te verbeteren. Er moet namelijk sprake zijn van een serieuze en reële gelegenheid om het functioneren te verbeteren (ECLI:NL:HR:2019:933, r.o. 4.1.3.). BOOR heeft aan [naam verweerster] weliswaar voorgesteld om te werken aan verbetering van het functioneren op [naam school 2] , echter is dit traject nooit gestart doordat [naam verweerster] voorafgaand daaraan arbeidsongeschikt is uitgevallen. Dat het verbetertraject niet van de grond is gekomen is niet aan [naam verweerster] te wijten, nu onbetwist is (en door de bedrijfsarts bevestigd) dat [naam verweerster] arbeidsongeschikt was. [naam verweerster] heeft zich (inmiddels) bereid verklaard om te starten bij [naam school 2] nadat zij volledig hersteld is. Voor zover van disfunctioneren al sprake zou zijn heeft [naam verweerster] dus tot op heden geen reële gelegenheid gehad om haar functioneren te verbeteren. Van een voldragen d-grond is daarom geen sprake.

g-grond: verstoorde arbeidsverhouding

4.5.

Van de g-grond is sprake bij een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van de werkgever niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet dan gaan om een ernstig én duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen met zich brengt dat het aan de werkgever is om aannemelijk te maken dat er serieuze pogingen zijn ondernomen om de verhoudingen te verbeteren en dat die pogingen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

4.6.

BOOR stelt dat de verstoring van de arbeidsverhouding erin is gelegen dat [naam verweerster] zich oncoöperatief opstelt tijdens haar ziekte. Blijkens de omstandigheden die BOOR ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoekschrift heeft [naam verweerster] in 2017 en 2018 onvoldoende meegewerkt aan haar re-integratie, zoals ook blijkt uit het deskundigenoordeel van het UWV. Als onbetwist staat vast dat er momenteel als gevolg daarvan sprake is van een stroeve relatie tussen BOOR en [naam verweerster] . De kantonrechter oordeelt echter dat onvoldoende vast staat dat dit een ernstige en duurzame verstoring betreft. Deze ernst en duurzaamheid is er blijkens de onderbouwing van BOOR in gelegen dat BOOR er geen vertrouwen in heeft dat [naam verweerster] na herstel van haar arbeidsongeschiktheid alsnog aan de slag wil gaan bij [naam school 2] . Deze onderbouwing is naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende. [naam verweerster] heeft immers nooit geweigerd om aan de slag te gaan bij [naam school 2] . Zij heeft haar juridische mogelijkheden gebruikt om zich ertegen te verzetten en is voor de start bij [naam school 2] arbeidsongeschikt uitgevallen. [naam verweerster] heeft aangevoerd dat zij bereid is om na haar herstel te starten bij [naam school 2] , hetgeen door BOOR onvoldoende gemotiveerd is betwist. Van BOOR mogen, met oog op het langdurige succesvolle dienstverband van [naam verweerster] , verdergaande inspanningen worden verwacht. Nu dus van een ernstige en duurzame verstoring geen sprake is, kan ook de g-grond niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden.

h-grond: overige omstandigheden

4.7.

De h-grond ziet op andere dan omstandigheden (dan genoemd in de overige ontslaggronden) die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De h-grond ziet op situaties die niet zijn terug te voeren naar de overige gronden van artikel 7:669 lid 3 BW. Het gaat dus om een restcategorie, die niet is bedoeld voor het repareren van andere onvoldragen ontslaggronden. BOOR voert kort gezegd aan dat uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is, omdat BOOR deze alleen wil voortzetten op [naam school 2] , maar dat [naam verweerster] hier niet aan mee wil werken.

4.8.

De kantonrechter oordeelt dat ook deze ontslaggrond onvoldoende door BOOR is onderbouwd. Zoals hiervoor is overwogen heeft [naam verweerster] immers aangevoerd dat zij, hoewel zij dit langs de juridische weg heeft geprobeerd te voorkomen, bereid is om bij [naam school 2] te werken, als haar gezondheid dit toelaat. BOOR heeft niet onderbouwd waaruit blijkt dat [naam verweerster] hier niet aan mee zal werken. Bovendien staat voor BOOR ook de mogelijkheid open om [naam verweerster] (toch) te werk te stellen op [naam school 1] . Weliswaar staat BOOR (zoals door de voorzieningenrechter geoordeeld) in haar recht als zij [naam verweerster] (tijdelijk) wil overplaatsen naar [naam school 2] . Echter staat vast dat juist die tijdelijke overplaatsing heeft gezorgd voor de problemen tussen partijen. Het ligt op de weg van BOOR om zich daar niet ‘blind op te staren’ en ook de optie om [naam verweerster] te werk te stellen op [naam school 1] serieus te onderzoeken, aangezien zij daar 24 jaar naar tevredenheid heeft gefunctioneerd. Te meer nu het disfunctioneren slechts is vastgesteld ten aanzien van een beperkt deel van het takenpakket, namelijk Begrijpend Lezen. Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende is onderbouwd dat uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is. De overige door BOOR aangevoerde punten betreffen omstandigheden die onder zijn te brengen bij de hiervoor besproken andere ontslaggronden. De h-grond kan daarom niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden.

i-grond: combinatie

4.9.

De i-grond houdt in dat ook een redelijke grond voor ontslag bestaat als een combinatie van omstandigheden, die relevant zijn voor de ontslaggronden c tot en met h, maakt dat van de werkgever niet in redelijkheid kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. BOOR stelt dat sprake is van een combinatie van de b-, c-, d-, g- en h-grond. De kantonrechter stelt voorop dat de door BOOR aangevoerde b-grond, op grond van de wet, in dit kader niet betrokken kan worden en dat de c-grond niet aansluit op de situatie van [naam verweerster] . Met betrekking tot de overige gronden wordt het volgende overwogen.

4.10.

De gemene deler van de afwijzing van de d-, g- en h-grond, is dat onvoldoende is onderbouwd dat verbetering van het functioneren van [naam verweerster] en de arbeidsverhouding niet mogelijk is. Ook wanneer deze ontslaggronden worden gecombineerd, dan nog mag van BOOR verwacht worden dat zij zich inspant om de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een succes te maken, in het bijzonder gezien het langdurige, succesvolle dienstverband van [naam verweerster] . Het ligt op de weg van BOOR om, na herstel van [naam verweerster] , haar alsnog te werk te stellen bij [naam school 2] (conform het oordeel van de voorzieningenrechter) dan wel serieus te onderzoeken welke alternatieve mogelijkheden er zijn voor het voortzetten van de dienstbetrekking op bijvoorbeeld [naam school 1] . De i-grond kan daarom evenmin leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Conclusie

4.11.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat geen van de door BOOR aangevoerde gronden kan leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het daartoe strekkende verzoek van BOOR wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

4.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt BOOR veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [naam verweerster] worden vastgesteld op € 747,- aan salaris voor de gemachtigde.

Poststuk

4.13.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat hij op 1 april 2021 een brief heeft ontvangen van één of meer personen die zichzelf aanduiden als collega’s van [naam verweerster] en als klokkenluiders. Partijen hebben meegedeeld dat zij dit poststuk niet kennen. [naam verweerster] heeft verzocht om een afschrift van de brief. De kantonrechter heeft daarop toegezegd hierop in de beschikking terug te komen. De kantonrechter overweegt dat de brief niet afkomstig is van een van de procespartijen en bovendien niet getekend is en evenmin voorzien van de naam van de afzender. In zoverre maakt het stuk dus geen onderdeel uit van het procesdossier. De kantonrechter heeft de brief daarom vernietigd. Hetzelfde geldt voor twee gelijksoortige brieven die kantonrechter na de mondelinge behandeling heeft ontvangen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt BOOR in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [naam verweerster] vastgesteld op € 747,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Dit beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394