Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4178

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
C/10/615217 / FA RK 21-2185
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 10:7 lid 1 WvGGZ. Beslissing over klacht ingediend door verzoeker bij Klachtencommissie Parnassia Groep en schorsing als bedoeld in art. 10:9 WvGGZ.

Klacht ongegrond verklaard en gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Schorsingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/615217 / FA RK 21-2185

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 14 april 2021 betreffende een klacht als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schorsing als bedoeld in artikel 10:9 van de Wvggz

op het ingediende verzoekschrift van:

[naam betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene] , [geboorteland betrokkene] ,

hierna: betrokkene,

wonende te [woonplaats betrokkene] ,

thans verblijvende bij Antes, locatie Albrandswaardsedijk te Poortugaal,

advocaat mr. P.M. Iwema te Rotterdam.

ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoeker ingediend bij de Klachtencommissie patiënten Parnassia Groep regio Rijnmond op 22 februari 2021 2021 (hierna: de klachtencommissie)

als belanghebbende(n) worden aangemerkt:

  • -

    zorgaanbieder Antes GGZ;

  • -

    zorgverantwoordelijke [naam psychiater 1] , psychiater, verbonden aan Antes GGZ, dat onderdeel is van Parnassia Groep.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 17 maart 2021, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift van de zorgaanbieder Antes GGZ (hierna: verweerder) van 8 april 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 april 2021.

Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

  • -

    verzoeker met zijn hierboven genoemde advocaat;

  • -

    [naam psychiater 1] , psychiater en

  • -

    [naam psychiater 2] , psychiater, beiden verbonden aan Antes GGZ.

2. De feiten

2.1.

Bij beschikking van 12 februari 2021 van deze rechtbank is een voortzetting crisismachtiging verleend ten aanzien van verzoeker tot en met 5 maart 2021. In deze beschikking is een machtiging gegeven voor verplichte zorg in de vorm van:

  • -

    het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles en andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van de psychische stoornis;

  • -

    het opnemen in een accommodatie, en tijdens de opname ook:

- het beperken van de bewegingsvrijheid;

- het insluiten van betrokkene;

- het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. Dit ziet op het nakomen van de ambulante behandelafspraken en het onderhouden van contact met het ambulant behandelteam.

2.2.

Verzoeker heeft bij brief van 22 februari 2021 - onder verwijzing naar artikel 10:3 Wvggz - bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke om verplichte zorg te gaan verlenen. Verzoeker is hierbij bijgestaan door de patiëntenvertrouwenspersoon [naam patiëntenvertrouwenspersoon] .

2.3.

De klachtencommissie heeft op 4 maart 2021 beslist en de klacht ongegrond verklaard.

2.4.

Vervolgens is op 17 maart 2021 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Rotterdam ter verkrijging van een beslissing over de klacht tevens houdende het verzoek de toepassing van de verplichte vormen van zorg van 12 februari 2021 te schorsen.

3. Het verzoek en het verweer

3.1.

Verzoeker verzoekt de klacht gegrond te verklaren en tevens de toepassing van de verplichte vormen van zorg van 12 februari 2021 te schorsen.

3.2.

Verweerder voert gemotiveerd verweer, strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht zoals ingediend bij de klachtencommissie, voor zover er sprake is van ontvankelijkheid van verzoeker.

4. De beoordeling

4.1.

De klachten

4.1.1.

De klacht van verzoeker richt zich tegen de beslissing van de klachtencommissie ten aanzien van het verlenen van verplichte zorg door verweerder, te weten gedwongen opname c.q. beperkingen van de vrijheden, dwangmedicatie en separatie.

4.1.2.

Daarnaast onderscheidt de rechtbank, met verweerder, een tweede, nieuwe klacht van verzoeker in deze procedure bij de rechtbank, die niet bij de behandeling bij de klachtencommissie voorlag. Deze klacht richt zich tegen bevoegdheid van de Klachtencommissie patiënten Parnassia Groep regio Rijnmond. Verzoeker stelt dat het niet zonder meer duidelijk is dat deze klachtencommissie voldoet aan de eisen van art. 10.1 Wvggz. Verzoeker kan niet nagaan of Parnassia Groep bevoegd is om over de klachten te beoordelen, die gericht zijn aan Antes GGZ.

4.2.

Ontvankelijkheid

4.2.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.

4.2.2.

Voor zover de verzoeker in zijn tweede, onder rechtsoverweging 4.1.2. weergegeven klacht over de bevoegdheid klaagt, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de tekst van artikel 10:7 Wvggz volgt dat een verzoekschrift ingediend kan worden bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over ‘de klacht’ nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen. ‘De klacht’ in de zin van dit artikel, moet naar het oordeel van de rechter beperkt worden uitgelegd, en wel zo dat het slechts mogelijk is om een klacht bij de rechter in te dienen die eerder aan de klachtencommissie is voorgelegd. In casu is er echter geen sprake van dat deze tweede klacht eerst bij de klachtencommissie is ingediend. Deze nieuwe klacht kan ook daardoor niet als grondslag voor deze klachtprocedure bij de rechter dienen. Gelet op het voorgaande zal verzoeker gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek, immers voor zover het deze tweede klacht betreft.

4.2.3.

Gelet op het hiervoor overwogene, zal de rechtbank uitsluitend de eerste klacht, zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.1.1., inhoudelijk beoordelen.

4.3.

De beoordeling van de klacht

4.3.1.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij het niet eens is met de beslissing van de zorgverantwoordelijke om over te gaan tot het verlenen van verplichte zorg, te weten gedwongen opname c.q. beperkingen van de vrijheden, dwangmedicatie en separatie. Verzoeker is van mening dat de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid onvoldoende zijn afgewogen tegen zijn belangen. Verzoeker ondervindt ernstige bijwerkingen van de dwangmedicatie en volgens hem is er geen alternatief geboden. Bovendien is aan verzoeker niet telkens meegedeeld welk specifiek medicijn hij kreeg toegediend. Voorts betwist verzoeker dat er voldoende door verweerder is aangetoond dat er sprake was van dreigend ernstig nadeel. Verzoeker is ook van mening dat hij niet op een voor hem volledig begrijpelijke wijze op de hoogte is gesteld van de toepassing van de vormen van verplichte zorg. Verzoeker ontkent de psychische stoornis en behoeft geen medicatie.

4.3.2.

Verweerder herkent zich niet in hetgeen verzoeker stelt. Verzoeker is op 8 februari 2021 opgenomen met een manisch psychotisch toestandsbeeld. Bij verzoeker is een psychische stoornis vastgesteld, te weten een bipolaire 1 stoornis. Vanuit deze stoornis vertoonde verzoeker, ook binnen de kliniek, manisch psychotisch gedrag, waaruit ernstig nadeel voortvloeide. Voor deze stoornis is enkel een medicamenteuze behandeling toereikend. Dit is aan verzoeker op een voor hem begrijpelijke manier meegedeeld en uitgelegd, alvorens te starten met de medicatie. Het op een vrijwillige basis medicatie aanbieden is op zich een alternatief. Verzoeker toonde echter verzet en zijn gedragingen leidden tot dwangmedicatie en isolatie, in welke isolatie verzoeker minder dan 24 uur heeft verbleven. De vormen van verplichte zorg worden proportioneel, subsidiair en doelmatig geacht. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de beslissing van de zorgverantwoordelijke conform de eisen van de Wvggz is genomen en dat de klacht derhalve ongegrond is.

4.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Op 12 februari 2021 is door deze rechtbank een voortzetting crisismachtiging verleend ten aanzien van verzoeker. Deze machtiging bevat als verplichte vormen van zorg onder meer gedwongen opname c.q. beperkingen van de vrijheden, dwangmedicatie en separatie, waar verzoeker zich over beklaagt. De vraag is of de beslissing(en) tot het daadwerkelijk inzetten van voornoemde vormen van verplichte zorg, tegen de wil van verzoeker, voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het inzetten van de verplichte zorg in verhouding stond tot het doel waarvoor deze werd ingezet, namelijk de stabilisatie van het toestandsbeeld en het daarmee afwenden van ernstig nadeel. De gedwongen opname van verzoeker was terecht en noodzakelijk gelet op het gebrek aan andere mogelijkheden, zoals het verlenen van zorg op basis van vrijwilligheid in de ambulante setting. Daarnaast is voldoende aangetoond dat gedwongen toediening van medicatie en separatie in het belang van verzoeker was, om zijn toestandsbeeld te verbeteren.

4.3.4.

Ten aanzien van de klacht van verzoeker betreffende het ontbreken van een adequate vertaling van de toepassingen van de voortzetting crisismaatregel, het volgende. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er door verweerder voldoende inspanningen zijn geleverd om adequaat met verzoeker te communiceren. De communicatie verliep, grotendeels, in de Engelse taal, die verzoeker voldoende begrijpt en beheerst, hetgeen niet weersproken is. De verweerder heeft gemotiveerd aangegeven nimmer in de veronderstelling te zijn geweest, dat verzoeker het niet begreep.

4.3.5.

Tot slot het volgende. De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van verzoeker die met name ziet op de ernstige bijwerkingen die hij heeft van de medicatie, heeft geen betrekking op de nakoming van een verplichting of een beslissing die valt onder deze limitatieve opsomming. De rechtbank kan hierover derhalve niet beslissen. Ook zal de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of verzoeker lijdende is aan een psychische stoornis en medicatie behoeft. Dit is immers eerder door de rechtbank beoordeeld en tegen deze beslissing staan andere rechtsmiddelen open.

4.3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de noodzakelijkheid van het verlenen van verplichte zorg voldoende heeft gemotiveerd en dat is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. Er waren geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid en ook waren er geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hadden. De gedwongen opname, het toedienen van (dwang)medicatie en de separatie zijn gelet op het beoogde doel evenredig en naar verwachting effectief. Ook is de wijze waarop de zorgverantwoordelijke heeft gehandeld conform de vereisten die artikel 8:9 Wvggz daaraan verbindt.

4.4.

Op grond van al het vorenstaande zal de klacht van verzoeker ongegrond worden verklaard. Het verzoek tot schorsing, als bedoeld in art. 10:9 Wvggz, is gelet op het karakter van het eindoordeel dat de onderhavige beslissing draagt, niet meer aan de orde. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart verzoeker ten aanzien van de in rechtsoverweging 4.1.2. vermelde klacht niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

5.2.

verklaart de in rechtsoverweging 4.1.1. vermelde klacht ongegrond;

5.3.

wijst het verzoek tot schorsing af;

5.4.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 14 april 2021 mondeling gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van S.M. Plaisier-van Welie, en op 14 april 2021 schriftelijk uitgewerkt en getekend.