Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4149

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
C/10/609573 / HA ZA 20-1186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident, bevoegdheid, geschilbeslechting arbitrage, ontvangsttheorie, artikel 3:37 lid 3 BW, afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/609573 / HA ZA 20-1186

Vonnis in incident van 28 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDERLANDSE BOUW UNIE B.V.,

gevestigd te Etten-Leur,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J.A. Trimbach te De Meern,

tegen

1 [persoon A] ,

2. [persoon B] ,

beiden wonende te [woonplaats persoon A + B] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. C.E. Beens te Leusden.

Partijen zullen hierna NBU en [persoon A] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 december 2020, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties 1 en 2;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert NBU om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de hoofdsom van € 76.525,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. [persoon A] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2.2.

NBU legt aan haar vordering nakoming van de tussen partijen gesloten koop-/ aannemingsovereenkomst ten grondslag.

3. Het geschil in het incident

3.1.

[persoon A] c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de door NBU ingestelde vorderingen, met veroordeling van NBU in de kosten van het incident.

3.2.

[persoon A] c.s. legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

3.2.1.

In de tussen partijen tot stand gekomen koop-/aannemingsovereenkomst is in artikel 14 lid 1 bepaald dat alle geschillen welke zijn ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst, worden beslecht door arbitrage van de Geschillencommissie Garantiewoningen (hierna: GCG). De vordering in de hoofdzaak ziet op een geschil dat is ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst, waardoor de GCG bevoegd is om over het geschil te beslechten.

3.2.2.

De uitzonderingssituatie zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 van de overeenkomst is niet van toepassing. Op grond van deze bepaling dient de ondernemer die een procedure aanhangig wil maken, de verkrijger bij aangetekende brief een termijn van ten minste een maand te geven voor diens schriftelijk bericht of hij wil dat het geschil wordt beslecht door de GCG dan wel de gewone rechter. De ondernemer is gebonden aan de door de verkrijger gemaakte keuze. [persoon A] c.s. is als verkrijger per brief van 26 augustus 2020 in de gelegenheid gesteld om tot 5 oktober 2020 deze keuze te maken. [persoon A] c.s. heeft per brief van 4 oktober 2020 uitdrukkelijk en schriftelijk zijn keuze voor de GCG kenbaar gemaakt. Nu NBU als ondernemer gebonden is aan deze keuze, is de rechtbank niet bevoegd om van de vordering van NBU kennis te nemen.

3.3.

NBU voert het volgende verweer.

3.3.1.

Bij brief van 26 augustus 2020 heeft NBU aan [persoon A] c.s. de gelegenheid geboden om uiterlijk 5 oktober 2020 zijn keuze voor de GCG dan wel de gewone rechter kenbaar te maken. [persoon A] c.s. heeft niet binnen deze gestelde termijn gereageerd. Op 7 oktober 2020 heeft NBU daarom per e-mail en per aangetekende brief aan [persoon A] c.s. aangegeven dat nu geen reactie is ontvangen op de brief van 26 augustus 2020, NBU het geschil zal voorleggen aan de gewone rechter. De brief van [persoon A] c.s., waarin wordt gekozen voor de GCG, heeft NBU pas op 8 oktober 2020 ontvangen. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW heeft de brief van [persoon A] c.s. (waarvan NBU betwist dat deze op 4 oktober 2020 is verzonden) dus ook pas op 8 oktober 2020 haar werking gekregen. Daarmee heeft [persoon A] c.s. zijn keuze niet tijdig aan NBU kenbaar gemaakt. De rechtbank is dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van NBU in de hoofdzaak. De vordering van [persoon A] c.s. dient te worden afgewezen met veroordeling van [persoon A] c.s. in de kosten van het incident.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten en omstandigheden vast.

4.1.1.

Er is een koop-/aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. In artikel 14 van deze overeenkomst is het volgende bepaald:

Geschillenbeslechting

Artikel 14

1. Alle geschillen (daaronder begrepen die geschillen die door slechts één der partijen als zodanig worden beschouwd), welke ontstaan naar aanleiding van de koop-/ aannemingsovereenkomst met toepasselijkheid van de Garantie- en waarborgregeling van SWK of daaruit voortvloeiende overeenkomsten, die betrekking hebben op de koop-/aannemingsovereenkomst, worden beslecht door arbitrage conform het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Garantiewoningen (GCG) zoals dat luidt ten dage van de aanhangigmaking van het geschil.

2. De verkrijger heeft steeds het recht een procedure aanhangig te maken bij de GCG dan wel de gewone rechter. Indien de ondernemer een procedure aanhangig wil maken moet hij eerst de verkrijger bij aangetekend verzonden brief een termijn van ten minste één maand stellen voor diens schriftelijk bericht of hij wil dat het geschil wordt beslecht door de GCG dan wel de gewone rechter. De ondernemer is gebonden aan de door de verkrijger gemaakte keuze. Maakt de verkrijger geen tijdige keuze dan heeft ook de ondernemer de vrijheid te kiezen voor of de GCG of de gewone rechter. Verkrijger en ondernemer hebben beiden het recht, niettegenstaande de arbitrageovereenkomst en de daarin begrepen mogelijkheid van een arbitraal kort geding, een voorlopige voorziening te vragen aan de gewone rechter.

4.1.2.

Bij brief van 26 augustus 2020 heeft NBU aan [persoon A] c.s. de gelegenheid geboden om uiterlijk 5 oktober 2020 kenbaar te maken of hij het geschil tussen partijen door de GCG of door de gewone rechter wil laten beslechten. Deze brief is ontvangen door [persoon A] c.s.

4.1.3.

Bij brief van 7 oktober 2020 heeft NBU [persoon A] c.s. laten weten dat er geen reactie van [persoon A] c.s. is ontvangen en dat NBU ervoor kiest het geschil aan de gewone rechter voor te leggen. Deze brief is ontvangen door [persoon A] c.s.

4.2.

[persoon A] c.s. heeft een brief, gedateerd 4 oktober 2020 (hierna: de keuzebrief), in het geding gebracht, waarin wordt medegedeeld dat gekozen wordt voor de GCG. NBU heeft betwist dat de keuzebrief op 4 oktober 2020 is verzonden en ook betwist dat deze haar uiterlijk op 5 oktober 2020 heeft bereikt. NBU heeft gesteld dat de keuzebrief pas op 8 oktober 2020 is ontvangen, de dag nadat NBU per email aan [persoon A] c.s. had laten weten te hebben gekozen voor de gewone rechter. De beoordeling in het incident komt daarmee neer op de vraag of [persoon A] c.s. met de keuzebrief zijn keuze voor beslechting van het geschil door GCG tijdig aan NBU kenbaar heeft gemaakt. Is dat niet het geval, dan stond het NBU vrij om haar vordering voor te leggen aan de gewone rechter.

4.3.

Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Volgens vaste jurisprudentie is dit het geval als de verklaring door die persoon is ontvangen. Het moment van de ontvangst van de keuzebrief door NBU is dan ook beslissend.

4.3.1.

[persoon A] c.s. beroept zich op het rechtsgevolg van de keuzebrief, namelijk de onbevoegdheid van de rechtbank. Daarom is het aan hem om, al in zijn incidentele conclusie van eis, onderbouwd te stellen dat de door hem verstuurde brief NBU tijdig heeft bereikt. Dit geldt te meer nu de brief is gedateerd op 4 oktober 2020; één dag voor het verstrijken van de termijn. NBU heeft bovendien in de brief van 7 oktober 2020, waarnaar in onderdeel 12 van de dagvaarding wordt verwezen, al gesteld geen reactie te hebben ontvangen.

4.3.2.

[persoon A] c.s. heeft echter niet gesteld dat de brief, en daarmee de verklaring met de keuze voor geschilbeslechting door de GCG, door NBU op uiterlijk 5 oktober 2020 is ontvangen. Evenmin heeft [persoon A] c.s. feiten of omstandigheden gesteld waaruit dit zou moeten blijken. De stelling van [persoon A] c.s. dat hij, op de voet van artikel 14 lid 2 van de overeenkomst, zijn keuze voor de GCG tijdig aan NBU kenbaar heeft gemaakt, wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gesteld verworpen.

4.3.3.

Gelet hierop wordt het er thans voor gehouden dat het NBU op grond van artikel 14 lid 2 van de overeenkomst ook vrij stond om te kiezen voor de geschilbeslechting door de gewone rechter. Dit brengt mee dat in de hoofdzaak de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van NBU. Daarom zal de incidentele vordering worden afgewezen.

4.4.

[persoon A] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld met dien verstande dat de wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis.

4.5.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [persoon A] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van NBU tot op heden begroot op € 563,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [persoon A] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [persoon A] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 juni 2021 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en op 28 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

3304/2438/1407