Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4124

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
C/10/615542 / JE RK 21-736
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/615542 / JE RK 21-736

Datum uitspraak: 16 april 2021

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &

Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2005 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 maart 2021, ingekomen bij de griffie op 24 maart 2021.

Op 16 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam kind], die voorafgaand aan de mondelinge behandeling apart via een telefonische verbinding is gehoord,

- de moeder,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in de accommodatie van een jeugdhulpaanbieder Groot Emaus.

Bij beschikking van 23 april 2020 is [naam kind] onder toezicht gesteld tot 23 april 2021.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 oktober 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot 23 april 2021.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens is verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] staat op dit moment aan het begin van het traject. De diagnose van [naam kind] is gewijzigd van ADHD naar een licht verstandelijke beperking en een autistische stoornis. Hiervoor is de behandeling recent gestart. De vraag die op de behandelgroep wordt gesteld is of [naam kind] nu sociaal wenselijk gedrag laat zien, of dat de behandeling daadwerkelijk beklijft. Op dit moment is de verwachting dat [naam kind] nog minimaal een jaar nodig heeft om behandeld te worden bij Groot Emaus voordat er kan worden gekeken naar de mogelijkheden voor een thuisplaatsing.

De standpunten van de belanghebbenden

De moeder heeft ingestemd met het verzoek. [naam kind] is sinds kort aan zijn doelen aan het werken. Wanneer de behandelingen binnen Groot Emaus zijn afgerond ligt het perspectief van [naam kind] thuis. De moeder hoopt dat er binnen een jaar kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Ook thuis bestaan er mogelijkheden tot begeleiding voor [naam kind] en de ouders. Daarnaast zijn de verloven van [naam kind] naar huis goed verlopen en is er duidelijk een positieve verandering te zien in zijn gedrag. De verloven zouden in de komende periode verder kunnen worden opgebouwd om te kijken naar hoe [naam kind] hierop reageert.

De vader heeft zich aangesloten bij wat door de moeder naar voren is gebracht.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [naam kind] nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er is bij [naam kind] sprake van complexe problematiek waarbij hij risicovol en agressief gedrag laat zien. Er zijn in het verleden meerdere hulpverleners betrokken geweest bij het gezin, maar de hulpverlening is ontoereikend gebleken. In april 2020 is [naam kind] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. In december 2020 is de diagnostische fase van [naam kind] afgerond. Er is sprake van een licht verstandelijke beperking in combinatie met een autismespectrumstoornis. Na de diagnose is [naam kind] op een behandelgroep geplaatst. Hier krijgt hij behandelingen die passend zijn voor zijn problematiek. Het is positief dat [naam kind] is veranderd en dat hij beseft dat hij aan zijn doelen moet werken. Daarin laat [naam kind] al groei zien ten opzichte van de zitting van 21 oktober 2020. Op dit moment is het echter nog onduidelijk hoelang de behandeling nog precies zal duren. Gezien de complexiteit van de problematiek is de verwachting dat thuisplaatsing het komende jaar waarschijnlijk nog niet haalbaar is, zodat een verlenging voor die duur aangewezen is. Daarbij wordt benadrukt dat, zoals ook ter zitting besproken, het doel van de behandeling de uiteindelijke thuisplaatsing van [naam kind] is en zal daarop het komende jaar ingezet moeten worden.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor een periode van een jaar.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 23 april 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 april 2022;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2021 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. Moghaddam Charkari als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 april 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.