Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4101

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
C/10/615490 / JE RK 21-730
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/615490 / JE RK 21-730

datum uitspraak: 6 april 2021

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2019 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 maart 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

Op 6 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, [naam 2] en [naam 3] .

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 22 maart 2021 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 juni 2021. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 19 april 2021. De beslissing voor het overig verzochte is aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van drie maanden. Nu resteert de periode tot 22 juni 2021.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad maakt zich ernstige zorgen omtrent het lachgasgebruik van de moeder. De moeder zou volgens de politie nauwelijks aanspreekbaar zijn geweest. Ook zou de moeder tegen de politie gezegd hebben dat zij slachtoffer is van gewelddadige verkrachting door de vader. Daarnaast zou de vader in het bezit zijn van een vuurwapen. Dit brengt onveiligheid voor [naam kind] met zich mee. De moeder is akkoord gegaan met een plaatsing in een vrouwenopvang, maar inmiddels is zij weer thuis. In het gesprek tussen Veilig Thuis en de vader wordt een ander verhaal verteld dan dat door de moeder is verteld. De vader snapt nu de ernst van de situatie en wil in gesprek. Het plan is om in gesprek te gaan met de ouders en om onderzoek naar de situatie te doen, alvorens [naam kind] weer thuisgeplaatst kan worden.

De standpunten

De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. Ook de GI maakt zich zorgen om het lachgasgebruik van de moeder en de vuurwapengevaarlijkheid van de vader. Veilig Thuis is al langer bij het gezin betrokken. Er vindt op dit moment begeleid bezoek tussen [naam kind] en de moeder plaats. De moeder ontvangt vanuit Arosa ambulante hulpverlening. Het is belangrijk dat de moeder openheid van zaken gaat geven aan de GI. [naam kind] verblijft op dit moment in een crisispleeggezin. Er zal eerst meer onderzoek gedaan moeten worden voordat [naam kind] weer terug naar huis kan.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat ze geschrokken is van de situatie. De moeder begrijpt de zorgen om de veiligheid van [naam kind] . Maar veel dingen die in het verzoekschrift staan kloppen niet. De moeder wilde aangifte tegen de vader doen, maar wel op haar eigen tempo. De moeder wil graag grenzen trekken en zich losmaken van de vader. De moeder staat open voor hulpverlening en staat achter het toezicht dat gehouden wordt op de veiligheid van haar en [naam kind] . De moeder wil graag samen met de GI werken aan een thuisplaatsing van [naam kind] . De moeder hoopt zich te mogen bewijzen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] in een ernstig onveilige situatie verkeerde, waardoor hij op 22 maart 2021 met spoed uit huis is geplaatst. Sindsdien verblijft hij in een crisispleeggezin. [naam kind] is nog erg jong en is volledig afhankelijk van zijn ouders als opvoeders en verzorgers. Er is sprake geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Daarnaast bestaan er grote zorgen over het lachgasgebruik van de moeder. De moeder heeft een ambivalente houding tegenover de hulpverlening. Zij is daardoor onvoldoende in staat om de veiligheid van [naam kind] te waarborgen. Ook komt ingezette hulpverlening onvoldoende van de grond. De kinderrechter is daarom van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] op dit moment noodzakelijk is om zijn veiligheid te kunnen waarborgen en om de nodige behandeling van de moeder in te kunnen zetten.

Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] daarom verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juni 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van I.E. Teunissen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 april 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.