Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4092

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
10/701045-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de zaken heropend om de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich uit te spreken over de gevolgen van H.K. tegen Estland, het recent gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voor de communicatiegegevens die zijn opgenomen in het procesdossier en die zijn gevorderd op basis van artikel 126n Wetboek van Strafvordering. De rechtbank oordeelt allereerst dat in onderhavige zaak sprake is van het opvragen van communicatiegegevens ten behoeve van de bestrijding van zware criminaliteit waarvoor het opvragen van die gegevens is toegestaan. Nu de officier van justitie de communicatiegegevens heeft opgevraagd, is er sprake van een vormverzuim, aangezien de officier van justitie niet kan worden beschouwd als een onafhankelijke autoriteit. Omdat de ernst van het verzuim beperkt is en de verdachte geen nadeel heeft geleden door het verzuim, volstaat de rechtbank met de vaststelling van het verzuim. De verdachte wordt voor de ten laste gelegde diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701045-20

Datum uitspraak: 26 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 maart 2021 en 12 april 2021. De rechtbank heeft het onderzoek op de terechtzitting op 15 maart 2021 gesloten. Op 12 april 2021 is het onderzoek heropend.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van het in vereniging plegen van een gewapende overval op een restaurant.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;

  • -

    opheffing van de schorsing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Gevolgen zaak H.K. tegen Estland

4.1.1.

Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich op 14 januari 2020 schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van een gewapende overval op een restaurant. De verdachte was in het bezit van een Huawei met telefoonnummer [gsm-nummer] . Bij medeverdachte [naam medeverdachte 1] is een Huawei mobiele telefoon aangetroffen met de imeinummers [imeinummer 1] en [imeinummer 2] . Bij medeverdachte [naam medeverdachte 2] is een Samsung mobiele telefoon aangetroffen met de imeinummers [imeinummer 3] en [imeinummer 4] . Op grond van artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft de officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper bij alle telecomproviders de historische gegevens gevorderd van deze imeinummers en het genoemde telefoonnummer in de periode tussen 1 december 2019 om 00:01 uur en 20 januari 2020 om 23:59 uur. De gegevens die op basis van deze vorderingen zijn ontvangen, zijn vervolgens opgenomen in verschillende processen-verbaal en toegevoegd aan zaaksdossier [adres] .

Op 2 maart 2021 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in de zaak H.K. tegen Estland (ECLI:EU:C:2021:152) een arrest gewezen over kort gezegd de toegang door opsporingsinstanties tot bewaarde verkeer- en locatiegegevens (hierna: het arrest). Vanwege de hiervoor genoemde telecomgegevens die zich in het dossier bevinden, is het onderzoek op 12 april 2021 heropend om de verdediging en het Openbaar Ministerie de mogelijkheid te bieden hun standpunt kenbaar te maken over de mogelijke implicaties van dit arrest voor onderhavige zaak. Hiervan is gebruikgemaakt en de standpunten houden het volgende in.

4.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat het arrest geen gevolgen zal hebben voor de Nederlandse rechtspraktijk, omdat de overwegingen van het HvJEU telkens betrekking lijken te hebben op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht worden verwerkt. Doordat de Nederlandse Wet Bewaarplicht door de kortgedingrechter buiten werking is gesteld (Rb Den Haag 11 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:2498), kent Nederland geen algemene wettelijke verplichting meer voor aanbieders om verkeers- en locatiegegevens op te slaan. De in het dossier gevorderde gegevens betreffen daarom uitsluitend gegevens die ten behoeve van de bedrijfsvoering door de aanbieder zijn opgeslagen en daarop heeft het arrest geen betrekking.

Subsidiair voert de officier van justitie aan dat het mogelijk is dat het HvJEU met het arrest ook de eis van een onafhankelijke toetsing stelt ten aanzien van toegang tot verkeers- en locatiegegevens die niet op grond van de bewaarplicht worden verwerkt. Uit die conclusie volgt dat de officier van justitie niet bevoegd is om zonder voorafgaande onafhankelijke toets deze gegevens te vorderen, zoals in deze zaak wel is gebeurd. In dat geval moet om de gevolgen van dit verzuim te bepalen volgens het HvJEU worden getoetst aan artikel 6 EVRM en aan het nationale recht. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is hiervoor het toepasselijke kader. In dit geval is er bij het aanvragen van de gegevens voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verwijt dat aan het Openbaar Ministerie gemaakt kan worden, is daardoor zeer gering. Ook doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar het aanpassen van de werkwijze. De verdediging heeft de kans gehad om doeltreffend commentaar te leveren. Van een schending van artikel 6 EVRM is geen sprake, nu een schending van artikel 8 EVRM niet automatisch een schending van artikel 6 EVRM meebrengt. De rechtbank kan dan ook volstaan met de constatering van het vormverzuim.

4.1.3.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat op grond van het arrest de vordering van de zendmastgegevens alleen had kunnen plaatsvinden met een voorafgaande rechtelijke toets van de rechter-commissaris, net zoals het geval is voor het afgeven van een tapmachtiging. In dit geval is dat niet gebeurd zodat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Dit levert een schending van artikel 8 EVRM op. Weliswaar betekent dit niet automatisch dat artikel 6 EVRM is geschonden, maar er zijn al wel uitspraken waarin een schending van artikel 8 EVRM is vastgesteld. De rechtbank moet deze gang van zaken een halt toeroepen, door de resultaten van de 126n vordering uit te sluiten van het bewijs.

4.1.4.

Het arrest

Zoals gezegd heeft het HvJEU op 2 maart 2021 het arrest H.K. tegen Estland gewezen. Kort samengevat houdt dit arrest het volgende in:

  • -

    Een onderzoeksinstantie kan uit een reeks persoonsgegevens van gebruikers van elektronische communicatiediensten nauwkeurige conclusies trekken over de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker. Het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot dergelijke communicatiegegevens is daarom slechts toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Het HvJEU maakt daarbij een onderscheid tussen twee doelstellingen van algemeen belang.

  • -

    Ten eerste de doelstelling om zware criminaliteit te bestrijden en ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid te voorkomen. Een dergelijke doelstelling kan overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel een ”ernstige inmenging’’ op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest rechtvaardigen. Een inmenging in de grondrechten is volgens het HvJEU ‘ernstig’ wanneer uit de opgevraagde persoonsgegevens nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Bij de beoordeling van de ernst van de inmenging spelen de duur van de periode waarvoor toegang wordt gevraagd tot de persoonsgegevens en de hoeveelheid en de aard van de persoonsgegevens die voor een dergelijke periode beschikbaar zijn, in beginsel geen rol.

  • -

    Ten tweede is er de bredere doelstelling om de criminaliteit in het algemeen te bestrijden. Deze doelstelling kan volgens het HvJEU overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel alleen ‘niet-ernstige inmengingen’ op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest rechtvaardigen.

  • -

    Het HvJEU oordeelt dat het aan het nationale wetgever is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de aanbieders van elektronische communicatiediensten de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Om te waarborgen dat deze voorwaarden in de praktijk ten volle in acht worden genomen is het volgens het HvJEU van belang dat de toegang van de bevoegde nationale instanties tot de bewaarde persoonsgegevens onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit.

  • -

    Het vereiste van onafhankelijkheid, waaraan de rechterlijke instantie en de bestuurlijke entiteit moeten voldoen, brengt volgens het EU-Hof enerzijds met zich mee dat de instantie die de voorafgaande toetsing verricht niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een Openbaar Ministerie, zoals het Estse Openbaar Ministerie in deze zaak, die de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in voorkomend geval ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is evenmin voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging.

Het arrest is van belang voor gevallen waarin, zoals in de nu voorliggende zaak, voor strafrechtelijke doeleinden verkeers- of locatiegegevens worden opgevraagd (hierna ook: het opvragen van communicatiegegevens). Volgens de officier van justitie hebben de overwegingen van het HvJEU telkens betrekking op verkeers- of locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht zijn verwerkt. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in dit standpunt. De rechtbank leest in het arrest dat de overwegingen zowel betrekking hebben op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht zijn verwerkt, als op met het oog op bedrijfsdoeleinden bewaarde verkeers- en locatiegegevens. Het opvragen van bewaarde verkeers- en locatiegegevens valt binnen de ruime reikwijdte die het HvJEU voor verkeers- en locatiegegevens hanteert. Een andere opvatting zou zich ook niet verhouden met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in welke sleutel het arrest door het HvJEU is gezet. Vanuit die optiek is niet de reden van de opslag van gegevens van belang, maar wel de toegang tot dergelijke privacygevoelige gegevens.

Hoe verhoudt de vordering 126n Sv zich tot het arrest?

Door het Openbaar Ministerie zijn op grond van artikel 126n Sv communicatiegegevens opgevraagd van de verdachte. Uit het arrest kan worden afgeleid dat het opvragen van dergelijke gegevens beschouwd moet worden als een ”ernstige inmenging’’ op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest. Het arrest stelt in die gevallen zowel materiële als formele eisen aan het opvragen van dergelijke gegevens.

Wat betreft de materiële eisen houdt het arrest in dat alleen de bestrijding van zware criminaliteit en het voorkomen van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid een rechtvaardiging kan vormen voor het opvragen van communicatiegegevens. De vraag is wat onder de bestrijding van zware criminaliteit moet worden verstaan.

De rechtbank zoekt voor deze invulling aansluiting bij artikel 126m Sv en artikel 126nf Sv en stelt vast dat er sprake is van zware criminaliteit wanneer er sprake is van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

In onderhavige zaak is er sprake van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Bovendien is er sprake van een feit dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Er is namelijk sprake van een overval op een restaurant, gepleegd door meerdere mensen die bij de overval hun gezicht bedekten en wapens bij zich droegen, waarna zij de betrokkenen hebben bedreigd tot zij het geld uit de kassa afgaven. Het feit heeft plaatsgevonden in een openbare ruimte, waardoor dit niet alleen een feit is dat voor de slachtoffers voor gevoelens van angst en onveiligheid heeft gezorgd, maar ook binnen de samenleving voor gevoelens van onveiligheid zorgt en daarmee de rechtsorde verstoort. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de vordering van de officier voldoet aan het materiële criterium, namelijk dat sprake is van het opvragen van communicatiegegevens ten behoeve van de bestrijding van zware criminaliteit.

Daarnaast bevat het arrest ook formele eisen voor het vorderen van communicatiegegevens. Deze gegevens kunnen slechts worden verleend na voorafgaande toestemming van een rechtelijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Het Openbaar Ministerie, dat tot taak heeft de strafprocedure in te leiden en later in de procedure optreedt als openbaar aanklager, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een dergelijke onafhankelijke autoriteit worden beschouwd. Om te spreken van een onafhankelijke bestuurlijke entiteit, moet zij een zodanige status hebben dat zij bij de uitoefening van haar taken objectief en onpartijdig kan handelen. Bovendien moet zij daartoe vrij zijn van elke invloed van buitenaf.1 Het Openbaar Ministerie kan gelet op haar rol bij de vervolging van de verdachte daarom niet als een onafhankelijke bestuurlijke entiteit worden beschouwd. Nu in de onderhavige zaak de communicatiegegevens zijn opgevraagd met toestemming van de officier van justitie, is er dus niet voldaan aan het formele vereiste van een onafhankelijke toets.

Gevolgen vormverzuim

De vervolgvraag is wat de gevolgen moeten zijn van het geconstateerde vormverzuim. Evenals de verdediging en de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat artikel 359a Sv het toepasselijke kader geeft voor de omgang met vormverzuimen. Rechtgevolgen komen volgens dit artikel in beeld, indien sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte die niet meer hersteld kunnen worden en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Aan deze voorwaarden is voldaan. Het vormverzuim is begaan in het onderzoek dat voorafging aan de behandeling op de terechtzitting. Daarnaast is herstel niet meer mogelijk. Uit het arrest van het HvJEU blijkt namelijk dat dit vormverzuim niet kan worden hersteld door een (rechterlijke) toets achteraf.2 Tot slot blijken de rechtsgevolgen niet uit de wet.

Door de verdediging is aangevoerd dat het geschonden voorschrift van belang is nu het zorgt voor de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De rechtbank volgt de verdediging in dit standpunt, maar de ernst van het verzuim is beperkt. Indien de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de opgevraagde locatiegegevens had getoetst, zou deze naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel zijn gekomen dan het Openbaar Ministerie in deze zaak. Daarbij is van belang dat de gegevens niet alleen zijn opgevraagd op basis van het aantreffen van de verdachten in de auto, maar ook op basis van het aantreffen van de berichten en schermafbeeldingen in de telefoons van de medeverdachten. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de verdachte geen nadeel heeft geleden van het vormverzuim. Door het opvragen van de locatiegegevens van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit, is enkel een beperkt beeld geschetst over waar hij zich op dat moment bevond. Van een bredere inzage in het privéleven van de verdachte op grond van deze vordering is geen sprake geweest. De verdediging heeft daarnaast de mogelijkheid gekregen om zich uit te laten over de gevolgen van het vormverzuim. Gelet op dit alles leidt de schending van het recht op privacy (zoals onder meer gewaarborgd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet tot een schending van recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat een grond bestaat om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank volstaan met de constatering van het vormverzuim. Aan dit vormverzuim worden dus geen rechtsgevolgen verbonden.

4.2.

Beoordeling van het feit

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om de verdachte te veroordelen voor het ten laste gelegde feit.

4.2.2.

Standpunt verdediging

Op het moment van de aanhouding wist de verdachte niet dat in de auto een wapen en een hakbijl lagen. Bovendien zit er geen DNA-onderzoek naar het wapen en de bijl in het dossier, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte deze wapens in handen heeft gehad. Ook als hij wel van de wapens in de auto had geweten, is dat niet van betekenis voor de overval van 14 januari 2020.

Jongeren van deze leeftijd hebben vaker sportieve kleding in donkere kleuren aan. Dat de verdachte deze kleding droeg tijdens de aanhouding, net als de overvallers tijdens de overval, kan op zichzelf niet redengevend zijn voor de betrokkenheid bij die overval.

Op internet ziet de verdediging dat er maar één T-Mobile zendmast bij Barendrecht is, en één bij Heijenoord aan de andere kant. Gelet op het tijdstip kan enkel worden vastgesteld dat de verdachte in de buurt van Barendrecht is geweest. De politie had de moeder van de verdachte als getuige kunnen horen, wat niet gebeurd is. De verdachte is daarnaast niet betrokken geweest bij de WhatsAppberichten die tussen de medeverdachten zijn gestuurd.

De verdediging verzoekt om de verdachte vrij te spreken.

4.2.3.

Beoordeling

Op 14 januari 2020 is in [plaats] (gemeente Hoeksche Waard) restaurant [naam restaurant]

rond 23:45 uur overvallen door drie mannen. De gasten hadden het restaurant verlaten

en het personeel was aan het opruimen. Plotseling kwamen er drie mannen met bedekt

gezicht het restaurant binnen. Zij hadden een (nep)vuurwapen en een hakbijl bij zich en

vroegen waar de kassa was. Het vuurwapen richtten zij op het personeel van het restaurant

en de hakbijl werd dreigend omhoog gehouden. Nadat een medewerkster de kassalade had

geopend, namen de mannen een geldbedrag van € 412,15 mee.

Een paar dagen later, op 17 januari 2020, heeft de politie te Breda de verdachte en twee

medeverdachten aangehouden op verdenking van een ander strafbaar feit. Deze politie-eenheid heeft met de politie te Rotterdam contact opgenomen, omdat de verdachten

voldeden aan de signalementen van de daders van de overval en omdat in hun auto een

nepvuurwapen en een hakbijl zijn aangetroffen. In de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 1] trof de politie ook nog screenshots van nieuwsberichten over de overval op restaurant [naam restaurant] aan.

Uit onderzoek blijkt dat de auto waarin de verdachten op 17 januari 2020 waren

aangehouden op de avond van de overval op [naam restaurant] voorafgaand aan het tijdstip van de overval van Rotterdam naar [plaats] is gereden, en na de overval weer is

teruggereden. Op de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn berichten gevonden van een paar uur voor de overval, waarin hij medeverdachte [naam medeverdachte 2] liet weten dat hij samen met een ander naar hem onderweg was. Zowel de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 1] als de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 2] hebben op de avond van 14 januari 2020 rondom het tijdstip van de overval zendmasten in [plaats] aangestraald. Uit hun telefoons blijkt verder dat zij op 16 januari 2020 een WhatsAppgesprek met elkaar hebben gevoerd waarin onder meer gezegd is dat zij de avond ervoor veel geld hebben uitgegeven en dat er nog € 225,00 over is. Daarnaast wordt er in de telefoon van medeverdachte [naam medeverdachte 2] een foto aangetroffen die gemaakt is op 15 januari 2020, waarop een hand met bankbiljetten te zien is.

De verdachte is met de medeverdachten aangehouden door de politie. Van deze medeverdachten is op grond van de zendmastgegevens bekend dat zij op het tijdstip van de overval in [plaats] zijn geweest. De verdachte en de medeverdachten worden vervolgens aangetroffen in een samenstelling die past in het signalement van de daders. Bovendien is bij hen twee dagen na de overval de opvallende combinatie aan wapens aangetroffen die ook bij de overval is gebruikt. Al deze feiten bij elkaar schreeuwen naar het oordeel van de rechtbank om een verklaring. De verdachte heeft zich zowel bij de politie als ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte is niet verplicht om antwoord te geven en mag zich beroepen op zijn zwijgrecht. Maar in dit geval zal de rechtbank het uitblijven van een verklaring in het nadeel van de verdachte meewegen, nu het hier gaat om een groot aantal duidelijke omstandigheden die allen erop wijzen dat de verdachte de overval mede heeft gepleegd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2.4.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 14 januari 2020

in [plaats] schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op restaurant [naam restaurant]

.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

hij op 14 januari 2020 te [plaats] , gemeente Hoeksche Waard, uit een restaurant (bedrijfspand) [naam restaurant] , gelegen aan de [adres] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 412,15 euro, geheel toebehorende aan restaurant [naam restaurant] en/of [naam slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het met een (deels) afgedekt/bedekt gezicht/gelaat

- betreden van voornoemd restaurant en

- vervolgens dreigend aan die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] tonen en/of voorhouden van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een (hak)bijl en/of

- daarbij richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 2] en

- daarbij die [naam slachtoffer 2] dwingen/gebieden om de kassa te openen en

- daarbij naar/in de richting van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] (dreigend) roepen en/of uitspreken van de woorden: "Waar is de kassa" en/of "Ik wil geld zien" en/of "Leeghalen, leeghalen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op restaurant [naam restaurant] in [plaats] . De verdachte en de twee mededaders zijn rond middernacht, kort na sluitingstijd, met bedekt gezicht het restaurant binnengelopen. Zij hebben het personeel daarbij gedreigd met een hakbijl en een (nep)pistool en hebben geëist dat de werknemers de kassa voor hen leeg zouden halen.

Door met een bedekt gezicht en bewapend het restaurant binnen te gaan, hebben de verdachte en de mededaders een zeer bedreigende situatie gecreëerd. Zij hebben ernstige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaakt. Dit blijkt ook uit de schriftelijke onderbouwing bij de vorderingen van de benadeelde partijen. De rechtbank neemt het de verdachte en zijn mededaders zeer kwalijk dat zij alleen oog hebben gehad voor hun eigen financiële voordeel en niet voor de ernstige gevolgen voor de slachtoffers. Een dergelijke overval zorgt bovendien ook voor gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte net eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 november 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Doordat de verdachte ontkent, kan de reclassering geen criminogene factoren vaststellen. De verdachte woont bij zijn moeder en wacht tot het moment dat hij via een vriend aan het werk kan gaan in de bouw. Hij heeft momenteel geen inkomen. Er lijkt geen sprake te zijn van middelengebruik of psychische klachten. De reclassering wil de verdachte begeleiden bij het verkrijgen van een zinvolle dagbesteding en een stabiel inkomen in het geval dat hij wordt veroordeeld. Ook kan de verdachte worden aangemeld bij een behandelende instantie, waar hij kan leren om beheerst en doordacht te handelen en zijn sociale netwerk steunend kan maken of houden. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met medeverdachte [naam medeverdachte 2] , een gedragsinterventie die

gericht is op cognitieve vaardigheden, een locatiegebod en een locatieverbod.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, omdat de ernst van het feit zodanig groot is, dat niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten tot een locatiegebod en een contactverbod met de medeverdachte, omdat niet uit het dossier is gebleken waarom dit noodzakelijk zou zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden passend en geboden. Dit betekent dat de verdachte, die na 109 dagen in voorarrest uit de voorlopige hechtenis is geschorst, terug zal moeten naar de gevangenis. De rechtbank zal daarom de eerder bevolen schorsing opheffen.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

De vorderingen

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer 4] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 13,44 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer 3] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 64,00 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer 2] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 45,14 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer 5] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 33,07 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft [naam slachtoffer 1] zich in het geding gevoegd ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 3.200 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om de vordering van [naam slachtoffer 4] toe te wijzen voor het materiële deel. Zij verzoekt om de vordering voor het immateriële deel te matigen en toe te wijzen tot € 5.000,00. Zij verzoekt om de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de vordering van [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 2] verzoekt zij om integrale toewijzing. Ten aanzien van [naam slachtoffer 5] verzoekt zij om het materiële deel van de vordering toe te wijzen, en om het immateriële deel van de vordering te matigen tot € 1.000,00. Zij verzoekt om de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Voor wat betreft [naam slachtoffer 1] verzoekt de officier van justitie om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu de benadeelde partij op de zitting van medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de vordering wilde intrekken omdat zijn schade reeds was vergoed door de verzekeraar.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt om de vorderingen van [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 2] verzoekt de verdediging om hen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, subsidiair wordt verzocht om de vorderingen ten aanzien van de immateriële schade te matigen. Daarbij merkt de verdediging op dat er in de zaak van [naam slachtoffer 4] al geld is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven en dat dit bedrag in mindering gebracht moet worden.

De verdediging verzoekt tevens om de vorderingen niet hoofdelijk toe te wijzen, maar om in de zaak van haar cliënt een derde van de vordering toe te wijzen, nu hoofdelijkheid kan leiden tot afstemmingsproblemen onder de verdachten. Vooral aangezien de verdachten jeugdig zijn, vindt de verdediging dit onrechtvaardig.

De verdediging verzoekt om [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

8.4.

Beoordeling

8.4.1.

[naam slachtoffer 4]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare

feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is geen vergoeding van de geleden schade, maar een van overheidswege verstrekte tegemoetkoming. De wet op het schadefonds geweldsmisdrijven bepaalt verder dat de Staat treedt in de rechten van een slachtoffer die een uitkering heeft ontvangen indien en voorover de schade op andere wijze wordt vergoed. Voor verrekening van de uitkering met het gevorderde schadebedrag bestaat geen grond.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend

samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. De

rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt dat de verdachte ook

hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade. Indien en voor zover de

mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde

partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met wettelijke rente vanaf 14 januari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal

de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op

heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.2.

[naam slachtoffer 3]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare

feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De door de benadeelde partij gevorderde schade van € 5.000,00 is billijk en zal door de rechtbank geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend

samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. De

rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt dat de verdachte ook

hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade. Indien en voor zover de

mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde

partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met wettelijke rente vanaf 14 januari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal

de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op

heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.3.

[naam slachtoffer 2]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare

feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De door de benadeelde partij gevorderde schade van € 5.000,00 is billijk en zal door de rechtbank geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend

samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. De

rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt dat de verdachte ook

hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade. Indien en voor zover de

mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde

partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met wettelijke rente vanaf 14 januari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal

de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op

heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.4.

[naam slachtoffer 5]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Wat betreft de vordering van immateriële schade, merkt de rechtbank het volgende op. In de rechtspraak worden hoge eisen gesteld aan de vergoeding van immateriële schade bij een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Van de benadeelden [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] is komen vast te staan dat zij direct geconfronteerd zijn met de gewapende overvallers. Benadeelde [naam slachtoffer 5] was ten tijde van de overval boven in het restaurant en heeft de overval wel gehoord, maar niet gezien. Ook in zo’n geval kan sprake zijn van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, maar dat vergt wel een onderbouwing met concrete gegevens (vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465). Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, zal de benadeelde partij voor de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend

samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. De

rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt dat de verdachte ook

hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade. Indien en voor zover de

mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde

partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met wettelijke rente vanaf 14 januari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal

de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op

heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.5.

[naam slachtoffer 1]

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontbreken. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.5.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] een schadevergoeding betalen van € 5.013,44, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Over een deel van de door haar gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 5.064,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] een schadevergoeding betalen van € 5.045,14, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] een schadevergoeding betalen van € 33,07, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van alle hierboven genoemde benadeelden passend en geboden geacht.

In deze procedure wordt over de door [naam slachtoffer 1] gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met Reclassering Nederland, gevestigd op Marconistraat 2 in Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de veroordeelde zal actief deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde zal zich houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. de veroordeelde zal zich niet in [plaats] bevinden, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van

kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van

€ 5.013,44 (zegge: vijfduizenddertien euro en vierenveertig eurocent), bestaande uit € 13,44 aan materiële en € 5.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de

verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

aan de zijde van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting

aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] te betalen € 5.013,44 (hoofdsom, zegge: vijfduizenddertien euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.013,44 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van

kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van

€ 5.064,00 (zegge: vijfduizendvierenzestig euro), bestaande uit € 64,00 aan materiële en € 5.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de

verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

aan de zijde van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting

aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] te betalen € 5.064,00 (hoofdsom, zegge: vijfduizendvierenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.064,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van

kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van

€ 5.045,14 (zegge: vijfduizendvijfenveertig euro en veertien eurocent), bestaande uit € 45,14 aan materiële en € 5.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de

verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden

aan de zijde van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting

aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] te betalen € 5.045,14 (hoofdsom, zegge: vijfduizendvijfenveertig euro en veertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.045,14 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van

kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van

€ 33,07 (zegge: drieëndertig euro en zeven eurocent), bestaande uit € 33,07 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de

verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting

aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] te betalen € 33,07 (hoofdsom, zegge: drieëndertig euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 33,07 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. D. van Dooren en E.M. Moerman, rechters,

in tegenwoordigheid van I.A.C. van Mulbregt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, /jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 14 januari 2020 te [plaats] , gemeente Hoeksche Waard, in/uit een restaurant (bedrijfspand) [naam restaurant] ', gelegen aan de [adres] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 412,15 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [naam restaurant] ' en/of [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een (deels) afgedekt/bedekt gezicht/gelaat

- binnendringen/betreden van voornoemd restaurant en/of

- ( daarbij) (vervolgens) dreigend aan die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] tonen en/of voorhouden van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een (hak)bijl en/of

- ( daarbij) richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( daarbij) die [naam slachtoffer 2] dwingen/gebieden om de kassa te openen en/of

- ( daarbij) naar/in de richting van, althans in aanwezigheid van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] (dreigend) roepen en/of uitspreken van de woorden: "Waar is de kassa" en/of "Ik wil geld zien" en/of "Leeghalen, leeghalen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

1 HvJEU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K. tegen Estland), par. 53.

2 HvJEU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K. tegen Estland), par. 58.