Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4084

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
8741632 CV EXPL 20-31138
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op toepassing van nieuwe (hogere) salarisschaal na herindelingsprocedure functie met terugwerkende kracht per 1 september 2015 slaagt niet. Geen recht op ORT met terugwerkende kracht per 1 september 2015. Nieuwe arbeidsovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0593
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8741632 CV EXPL 20-31138

uitspraak: 23 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

procederend in persoon,

tegen

de stichting

Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.T. Oonincx-Vreeburg te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “SFVG”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 28 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van SFVG overgelegde akte verduidelijking petitum, met een productie;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling aan de zijde van beide partijen overgelegde (spreek)aantekeningen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021. [eiseres] is daarbij in persoon verschenen, vergezeld van haar vader [naam 1]. Aan de zijde van SFVG zijn verschenen [naam 2] (hierna: [naam 2]), manager P&O, en [naam 3] (hierna: [naam 3]), beleidsmedewerker, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van (spreek)aantekeningen, die door hen zijn overgelegd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[eiseres] is op 27 oktober 2010 op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van SFVG in de functie van poolkracht/afdelingsassistent op basis van salarisschaal 20. Met ingang van 27 oktober 2013 is een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor onbepaalde tijd ontstaan.

2.2

Op 27 november 2014 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2015 (met een arbeidsomvang van minimaal 8 uur per jaar) in verband met de fusie van het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam en het Vlietland Ziekenhuis te Schiedam. De naam van de functie van poolkracht/afdelings-assistent is toen gewijzigd in medisch student. De werkzaamheden van [eiseres] en de salarisschaal (20) zijn ongewijzigd gebleven.

2.3

Met ingang van 1 februari 2015 is [eiseres] de functie van poolkracht coördinator afdelingsassistenten algemeen (hierna: studentcoördinator) gaan vervullen. Partijen hebben in dat verband op 10 maart 2015 een wijziging op de arbeidsovereenkomst (door [eiseres] “addendum” genoemd) gesloten. Deze functie was op dat moment gewogen in salarisschaal 25. De overige arbeidsvoorwaarden zijn gelijk gebleven.

De tot de functie behorende taken zijn vastgelegd in de functiebeschrijving van
10 november 2003. Onderdeel van die functiebeschrijving is het meewerken. Ter toelichting op het meewerken is in de functiebeschrijving vermeld: “Het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden zoals beschreven in de functiebeschrijving afdelingsassistent algemeen.”

2.4

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen, laatstelijk die van 2019-2021, (hierna: de CAO) van toepassing.

Artikel 7.1.5 bijlage C lid 1 van de CAO luidt als volgt:

“Een verandering van de functiebeschrijving en/ of indeling (herbeschrijving/herindeling) van een functie vindt plaats conform het Protocol FunctieWaardering Gezondheidszorg (…)”

Artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO luidt als volgt:

“De uitkomst van een herindelingsprocedure werkt terug tot het moment waarop in de herindelingsprocedure tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functiebeschrijving.”

Artikel 2.7 lid 8 van het Protocol FunctieWaardering Gezondheidszorg, zoals opgenomen in bijlage C bij de CAO, (hierna: het Protocol) luidt als volgt:

“De uitkomst van de herindelingsprocedure werkt terug tot het moment waarop tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functiebeschrijving.”

Artikel 9.1 lid 1 van de CAO luidt als volgt:

“Onder onregelmatige dienst wordt verstaan arbeid die volgens de arbeids- en rusttijdenregeling wordt verricht op de uren als vermeld in artikel 9.4 voor zover zij de
36 uur niet te boven gaan.”

Artikel 9.1 lid 3 van de CAO luidt als volgt:

“Indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat aan een werknemer werkzaamheden in een onregelmatige dienst worden opgedragen, wordt een vergoeding toegekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.”

Artikel 9.3 lid 1 van de CAO luidt als volgt:

“De vergoeding voor onregelmatige dienst wordt verstrekt in de vorm van een geldelijke beloning dan wel, indien de werknemer daarom verzoekt, in de vorm van vrije tijd.”

2.5

Bij e-mail van 31 maart 2016 heeft [naam 4], afdelingsmanager Neurologie, Neurochirurgie en Algemene Interne Geneeskunde, aan [eiseres] (samengevat) meegedeeld dat zij als studentcoördinator geen recht heeft op onregelmatigheidstoeslag (hierna: ORT), maar dat zij wel aanspraak maakt/blijft houden op ORT als medisch student (het “meewerken” zoals hiervoor onder 2.3 bedoeld), voor zover die werkzaamheden op onregelmatige tijden worden verricht.

2.6

SFVG is vanaf oktober 2017 een herindelingsprocedure gestart met betrekking tot de functie van studentcoördinator. Deze procedure is op 7 december 2017 officieel gestart.

2.7

Bij brief van 23 oktober 2018 heeft SFVG de voorlopig vastgestelde functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool aan [eiseres] toegezonden. In de brief is tevens de mogelijkheid geboden om bezwaar te maken tegen deze voorlopige functiebeschrijving.

2.8

Op 31 oktober 2018 heeft (onder anderen) [eiseres] een bezwaarschrift ingediend tegen voormelde concept functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool. Ook heeft [eiseres] verzocht om die functie in salarisschaal 45 te waarderen. SFVG is in gesprek gegaan met (onder anderen) [eiseres], waarna de voorlopige functiebeschrijving is aangepast en SFVG en de betrokken medewerkers het eens zijn geworden over de definitieve functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool.

2.9

Na voltooiing van de herindelingsprocedure is de functiebeschrijving van Intercedent Studentenpool definitief vastgesteld in januari/februari 2019. De functiebenaming studentcoördinator is toen gewijzigd in Intercedent Studentenpool.

2.10

Bij e-mail van 8 maart 2019 heeft [naam 3] aan (onder andere) [eiseres] meegedeeld dat de functie van Intercedent Studentenpool met ingang van 1 januari 2019 is gewaardeerd in salarisschaal 45. Verder heeft [naam 3] in die e-mail - voor zover thans van belang - meegedeeld:

“Mijn voorstel is om de huidige functie om te zetten naar intercedent studentenpool in 45 en daarnaast een oproepcontract voor medisch student in schaal 20 (zoals de anderen) voor het draaien van diensten op de afdeling. Daarnaast heb ik een uitgewerkt financieel voorstel gedaan naar de manager P&O over een tegemoetkoming over de afgelopen jaren (…)”

2.11

Op 23 mei 2019 heeft SFVG bij wijze van tegemoetkoming over de periode van
1 januari 2017 tot 1 juni 2019 een bedrag van € 5.505,56 bruto aan [eiseres] betaald.

De berekening van deze nabetaling is op 16 juni 2019 aan [eiseres] verstrekt.

2.12

Op 5 juni 2019 heeft SFVG een arbeidsovereenkomst aan [eiseres] verstrekt met als ingangsdatum 1 juni 2019 met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool op basis van salarisschaal 45. Aangezien deze overeenkomst fouten bevatte, heeft SFVG op
16 juli 2019 een nieuwe arbeidsovereenkomst aan [eiseres] toegestuurd met als ingangsdatum 1 juni 2019 met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool op basis van salarisschaal 45. Op 25 juni 2019 heeft SFVG een arbeidsovereenkomst aan [eiseres] verstrekt met als ingangsdatum 1 juni 2019 met betrekking tot de functie van medisch student op basis van salarisschaal 20.

[eiseres] heeft deze arbeidsovereenkomsten niet ondertekend. Bij e-mail van 24 juli 2019 heeft [eiseres] aan [naam 2] meegedeeld niet in te stemmen met de gewijzigde arbeidsovereenkomsten.

2.13

[eiseres] heeft vanaf haar indiensttreding bij SFVG per 27 oktober 2010 ORT ontvangen in haar functie van medisch student, voor zover die werkzaamheden op onregelmatige tijden werden verricht.

2.14

Tussen partijen bestaat nog steeds een arbeidsovereenkomst. [eiseres] is na oktober 2019 niet meer opgeroepen door SFVG voor het verrichten van werkzaamheden.

3. De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. SFVG te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 30.924,55 bruto aan achterstallig loon (inclusief 8,33% vakantiegeld en eindejaarsuitkering), te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

b. SFVG te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 22.353,57 bruto aan achterstallig loon (inclusief 8,33% vakantiegeld en eindejaarsuitkering), te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair:

c. SFVG te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag dat in billijkheid door de kantonrechter wordt bepaald, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging
ex artikel 7:625 BW en, naar de kantonrechter begrijpt, de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;

in alle gevallen:

d. te verklaren voor recht dat tussentijds geen nieuw(e) contract(en) d.d. 5 juni 2020 en
25 juni 2020 tussen partijen tot stand is/zijn gekomen;

e. SFVG te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.081,25 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

f. SFVG te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.420,00 aan gederfde tijd, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

g. SFVG te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.

3.2

Aan haar vordering heeft [eiseres] naast de hierboven onder 2.1 tot en met 2.4, 2.6 tot en met 2.9 en 2.12 vermelde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

SFVG heeft [eiseres] gedurende vijf jaar onderbetaald voor de door haar verrichte werkzaamheden. [eiseres] maakt aanspraak op het volledige loon behorend bij de functie van studentcoördinator/Intercedent Studentenpool met toepassing van de nieuwe salarisschaal 45 met terugwerkende kracht over de periode vanaf 1 februari 2015, maar uiterlijk vanaf

1 september 2015, tot en met 31 mei 2020. Daarbij dienen de treden ook aangepast te worden naar het aantal jaren dat wordt gecoördineerd.

Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat SFVG een beroep doet op artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO en dat SFVG de uitkomst van de herindelingsprocedure terug heeft laten werken tot het moment waarop in die procedure overeenstemming is bereikt over de functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool.

In de eerste plaats is de functie van studentcoördinator van meet af aan verzwaard geweest ten opzichte van de verouderde functiebeschrijving uit 2003. Door die functiebeschrijving jarenlang niet aan te passen, heeft SFVG zich kunnen verschuilen achter de uitbetaling van salarisschaal 25, terwijl salarisschaal 45 van meet af aan (vanaf februari 2015) toegepast had moeten worden vanwege de verzwaring van de functie.

Bovendien heeft SFVG niet als goed werkgever gehandeld in de zin van artikel 7:611 BW, doordat pas in 2017 gesprekken op gang zijn gekomen tussen partijen en pas in 2019 overeenstemming is bereikt over de nieuwe functiebeschrijving. SFVG had de oude functiebeschrijving al veel eerder moeten aanpassen. Ook heeft SFVG niet adequaat gereageerd tijdens de herindelingsprocedure.

Het mag niet zo zijn dat een werkgever zelf invloed uitoefent op het moment waarop overeenstemming bestaat over de nieuwe functiebeschrijving, enkel met als doel om te ontsnappen aan het moeten betalen van het (hogere) salaris dat bij de nieuwe functiebeschrijving hoort. Gelet hierop dient artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO buiten toepassing te blijven.

3.2.2

Ook maakt [eiseres] op grond van de artikelen 9.3 en 9.4 van de CAO met terugwerkende kracht aanspraak op ORT met betrekking tot de functie van studentcoördinator/Intercedent Studentenpool over de periode vanaf 1 februari 2015, maar uiterlijk vanaf 1 september 2015, tot en met 31 mei 2020, op basis van de verdeelsleutel. SFVG mag niet afwijken van deze bepalingen op grond van artikel 2.2 van de CAO.

3.2.3

De nabetaling van het loon op basis van salarisschaal 45 en de gemiste ORT moet plaatsvinden op basis van de daadwerkelijk door [eiseres] gewerkte uren. De nabetaling van € 5.505,56 bruto is slechts gebaseerd op fictief gewerkte uren. Dat is in strijd met de artikelen 9.3 en 9.4 van de CAO en artikel 7:610 BW.

3.2.4

Daarnaast heeft SFVG zonder overleg en zonder instemming van [eiseres] het addendum op de arbeidsovereenkomst van 10 maart 2015 eenzijdig gewijzigd op 5 juni respectievelijk 25 juni 2020. Daarover is geen overeenstemming bereikt. Er is ook geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen. Het valt van [eiseres] als goed werknemer niet te verwachten dat zij instemt met die nieuwe arbeidsovereenkomsten, nu die nadelig zijn voor haar. De wijzigingen zijn kennelijk slechts bedoeld om de loonvordering van [eiseres] te beperken. Nu op 5 juni en 25 juni 2020 geen nieuwe arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen, is het addendum op de arbeidsovereenkomst van 10 maart 2015 nog altijd geldig.

3.2.5

De primaire loonvordering van € 30.924,55 bruto bestaat uit achterstallig salaris van
€ 20.286,19 bruto over de periode september 2015 tot en met mei 2020 (inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering van 8,33% en de aanvullende ORT over de uitbetaling van de vakantiedagen) en € 10.638,35 bruto aan gemiste ORT. Hierbij is reeds rekening gehouden met hetgeen door SFVG aan [eiseres] is betaald. Deze bedragen zijn gebaseerd op het daadwerkelijk aantal gewerkte uren door [eiseres]. Verwezen wordt naar de overgelegde berekeningen.

3.2.6

De subsidiaire loonvordering van € 22.353,57 bruto bestaat uit achterstallig salaris van € 11.715,22 bruto over de periode januari 2017 tot en met mei 2020 (inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering van 8,33% en de aanvullende ORT over de uitbetaling van de vakantiedagen) en € 10.638,35 bruto aan gemiste ORT. Hierbij is reeds rekening gehouden met hetgeen door SFVG aan [eiseres] is betaald. Deze bedragen zijn gebaseerd op het daadwerkelijk aantal gewerkte uren door [eiseres]. Verwezen wordt naar de overgelegde berekeningen.

3.2.7

SFVG is in gebreke gebleven met de voldoening van het achterstallige salaris en de ORT. Omdat betaling uitbleef, heeft [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten gemaakt.
De daaraan verbonden kosten van € 1.081,25 komen voor rekening van SFVG. Verder maakt [eiseres] nog aanspraak op een vergoeding van gederfde tijd. [eiseres] heeft minimaal 271 uren besteed aan het gehele proces. [eiseres] acht daarom een vergoeding van (271 uren x een uurloon van € 20,00, derhalve) € 5.420,00 reëel.

4. Het verweer

4.1

SFVG heeft bij conclusie van antwoord als volgt geconcludeerd:

primair:

[eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering dan wel deze haar te ontzeggen;

subsidiair:

het door [eiseres] gevorderde te beperken tot maximaal een bedrag van € 5.535,98 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen (lager) bedrag;

meer subsidiair:

het door [eiseres] gevorderde te beperken tot maximaal een bedrag van € 7.186,64 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen (lager) bedrag;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

[eiseres], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2

Bij voormelde akte verduidelijking petitum heeft SFVG haar subsidiaire en meer subsidiaire petitum gewijzigd, in die zin dat SFVG daarbij als volgt heeft geconcludeerd:

subsidiair:

uitsluitend indien en voor zover de kantonrechter niettegenstaande al hetgeen SFVG bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, enig deel van de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar mocht achten, verzoekt SFVG geheel subsidiair de kantonrechter, met verwijzing naar punt 63 van de conclusie van antwoord, het door [eiseres] gevorderde te beperken tot maximaal een bedrag van € 5.535,98 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen (lager) bedrag, en [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in al haar overige vorderingen, althans haar deze volledig te ontzeggen;

meer subsidiair:

uitsluitend indien en voor zover de kantonrechter niettegenstaande al hetgeen SFVG bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, enig deel van de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar mocht achten, verzoekt SFVG geheel meer subsidiair de kantonrechter, met verwijzing naar punt 63 van de conclusie van antwoord, het door [eiseres] gevorderde te beperken tot maximaal een bedrag van € 7.186,64 bruto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen (lager) bedrag, en [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in al haar overige vorderingen, althans haar deze volledig te ontzeggen.

4.3

SFVG heeft daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

4.3.1

Op grond van artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO werkt de uitkomst van een herindelingsprocedure terug tot het moment waarop in die procedure tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functiebeschrijving. Die overeenstemming over de functiebeschrijving met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool is in januari/februari 2019 bereikt. SFVG was dan ook niet gehouden om [eiseres] al voor
1 januari 2019 met terugwerkende kracht uit te betalen op basis van de nieuwe salarisschaal 45. De nabetaling van € 5.505,56 bruto aan [eiseres] heeft SFVG geheel onverplicht, bij wijze van tegemoetkoming en uit hoofde van het goed werkgeverschap, gedaan, aangezien die nabetaling veel ruimer is dan artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO voorschrijft. Die betaling ziet op de periode van 1 januari 2017 tot en met mei 2019, derhalve een periode van 2,5 jaar.

Er is geen sprake geweest van een (eerdere) verzwaring van de functie van studentcoördinator. De herindelingsprocedure van de functie van studentcoördinator naar Intercedent Studentenpool is een correct proces geweest, zonder onnodige vertragingen. Vanaf oktober 2017 hebben de studentcoördinatoren aangegeven dat zij hun functiebeschrijving wilden (laten) herbeschrijven. Er is geen enkele reden om [eiseres] ook nog te compenseren/tegemoet te komen voor wat betreft de periode voor 1 januari 2017.

Subsidiair heeft SFVG aangevoerd dat de berekeningen van het door [eiseres] gevorderde loon niet kloppen.

4.3.2

Op grond van artikel 9.1 lid 3 van de CAO bestaat er geen recht op ORT voor wat betreft de functies van studentcoördinator en Intercedent Studentenpool. De werkzaamheden in die functies hoeven niet noodzakelijkerwijs verricht te worden op tijden waarop de ORT-regeling van toepassing is. Die werkzaamheden kunnen doordeweeks verricht worden tot 20.00 uur ’s avonds. [eiseres] bepaalde zelf haar werktijden. Ook heeft SFVG geen toestemming gegeven aan [eiseres] voor het verrichten van haar werkzaamheden op die ORT-tijden. Tussen partijen is ook niet afgesproken dat [eiseres] recht heeft op ORT in die functies. SFVG heeft juist diverse keren aan [eiseres] meegedeeld dat in de functie van studentcoördinator geen aanspraak bestaat op ORT.

Subsidiair heeft SFVG aangevoerd dat de berekeningen van de door [eiseres] gevorderde ORT niet kloppen.

4.3.3

Na de herindelingsprocedure en de herwaardering van de functie van (thans) Intercedent Studentenpool, was het een logische stap van SFVG dat zij een en ander wilde formaliseren en dat zij de twee nieuwe arbeidsovereenkomsten van 25 juni 2019 respectievelijk 16 juli 2019 aan [eiseres] heeft aangeboden met de twee verschillende salarisschalen (schaal 20 met betrekking tot de functie van medisch student en schaal 45 met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool). Het meewerken als medisch student in de functie van studentcoördinator maakt geen onderdeel meer uit van de nieuwe functie van Intercedent Studentenpool. De functie van Intercedent Studentenpool en de functie van (alleen) medisch student zijn twee totaal verschillende functies, waarvan de inschaling ook wezenlijk verschilt. [eiseres] was daar ook van op de hoogte.

4.3.4

De door SFVG toegepaste salarisschalen zijn juist. SFVG heeft [eiseres] altijd uitbetaald op basis van de daadwerkelijk door haar gewerkte uren. Gelet hierop is SFVG niets meer aan [eiseres] verschuldigd. Indien wordt geoordeeld dat SFVG toch nog enig bedrag aan [eiseres] is verschuldigd, stelt SFVG zich subsidiair op het standpunt dat maximaal een bedrag van € 5.535,98 bruto toewijsbaar is, gerekend over de periode vanaf
1 januari 2017. Meer subsidiair heeft SFVG zich op het standpunt gesteld dat maximaal een bedrag van € 7.186,64 bruto toewijsbaar is, gerekend over de periode vanaf 1 september 2015. Verder heeft SFVG de verschuldigdheid van de gevorderde rente, wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en de vergoeding van gederfde tijd betwist. Ten aanzien van de wettelijke verhoging heeft SFVG zich subsidiair op het standpunt gesteld dat deze op nihil gesteld dient te worden dan wel gematigd dient te worden.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

Het geschil tussen partijen spitst zich allereerst toe op de vraag of [eiseres] met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2015 recht heeft op (achterstallig) salaris gebaseerd op salarisschaal 45 en op ORT. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiseres] dat zij al vanaf 1 februari 2015 aanspraak heeft op die salarisschaal en op ORT, nu zij aan die stelling geen rechtsgevolgen heeft verbonden en ook geen vordering op dat punt heeft ingesteld.

5.2

Alvorens aan de beoordeling van voormelde vraag toe te komen, stelt de kantonrechter vast dat het meest verstrekkende verweer van SFVG is dat sprake is van rechtsverwerking.

De kantonrechter overweegt dat om rechtsverwerking te kunnen aannemen, nodig is dat de rechthebbende ([eiseres]) zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn/haar recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn/haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Dergelijke omstandigheden zijn door SFVG niet aangevoerd. Het door SFVG genoemde tijdsverloop is gelet op het voorgaande onvoldoende, waarbij nog wordt opgemerkt dat [eiseres] daarvoor goede redenen heeft aangevoerd, en de door SFVG genoemde omstandigheden dat [eiseres] zich haar rechten niet heeft voorbehouden en gewoon heeft doorgewerkt kunnen evenmin tot de conclusie leiden dat [eiseres] haar rechten heeft verwerkt. Nog afgezien van het feit dat tussen partijen vaststaat dat [eiseres] al vanaf november 2019 niet meer is opgeroepen door SFVG voor het verrichten van werkzaamheden en [eiseres] dus al geruime tijd niet meer heeft gewerkt voor SFVG, is gesteld noch gebleken dat bij SFVG gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar loonaanspraak niet meer geldend zal maken of dat de positie van SFVG onredelijk verzwaard of benadeeld wordt indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Het beroep op rechtsverwerking kan dan ook niet slagen.

Ten aanzien van de uitleg van de CAO

5.3

Bij de beoordeling van de vraag of SFVG artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO en het vrijwel gelijkluidende artikel 2.7 lid 8 van het Protocol op juiste wijze heeft toegepast komt het aan op de vraag hoe de betreffende CAO-bepalingen dienen te worden uitgelegd.

Volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687) geldt voor de uitleg van een bepaling van een CAO de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een CAO-bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de CAO tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte bewoordingen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de CAO worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

Nu in dit geval niet gebleken is dat er een toelichting is opgesteld bij de CAO, dient de uitleg van de CAO daarom te geschieden aan de hand van de CAO zelf.

Ten aanzien van de herindelingsprocedure

5.4

In artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO en artikel 2.7 lid 8 van het Protocol is bepaald dat de uitkomst van een herindelingsprocedure terugwerkt tot het moment waarop in die procedure tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functiebeschrijving. Partijen zijn het erover eens dat van een dergelijke herindelingsprocedure in de zin van het Protocol met betrekking tot de functie van studentcoördinator sprake is geweest. Ook zijn partijen het erover eens dat de functiebeschrijving van Intercedent Studentenpool definitief is vastgesteld in januari/februari 2019. Dit betekent dat de uitkomst van de herindelingsprocedure, en de daarmee gepaard gaande herwaardering van de functie en de wijziging van salarisschaal
25 naar schaal 45, op grond van genoemde artikelen terugwerkende kracht heeft tot hooguit 1 januari 2019. Dat er omstandigheden kunnen zijn, bijvoorbeeld de duur van het proces, op grond waarvan hiervan kan of moet worden afgeweken volgt naar objectieve maatstaven niet uit artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO en/of (artikel 2.7 lid 8 van) het Protocol of de overige bewoordingen van de CAO. Op basis van die objectieve uitlegmethode moet vastgesteld worden dat het uitgangspunt van de CAO is de terugwerking tot het moment waarop definitieve overeenstemming is bereikt over de functiebeschrijving.

5.4.1

[eiseres] heeft een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. Ingevolge die bepaling is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel -in dit geval de terugwerkende kracht van de herindelingsprocedure tot het moment waarop overeenstemming bestaat over de functiebeschrijving- niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de beoordeling of hiervan sprake is dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. Tegen de achtergrond van die norm is onvoldoende dat het beroep door SFVG op artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO voor [eiseres] tot een onredelijke of onbillijke uitkomst leidt.

5.4.2

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] geen, althans onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat het beroep door SFVG op dit artikel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Tussen partijen is niet in geschil dat de duur van de herindelingsprocedure in totaal ongeveer 14 maanden in beslag heeft genomen, van oktober 2017 (met een “officiële” start op 7 december 2017) tot het moment waarop definitieve overeenstemming was bereikt tussen partijen over de functiebeschrijving in januari/februari 2019. SFVG heeft gesteld dat dit geen ongebruikelijke duur is voor een degelijke procedure. [eiseres] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook (min of meer) erkend, gelet op haar standpunt dat een en ander misschien wel kan kloppen. In voormelde procesduur is bovendien inbegrepen de tijd die gepaard is gegaan met de behandeling van het bezwaar van (onder andere) [eiseres] tegen de nieuwe functiebeschrijving. (Het protocol bij) de CAO kent geen regeling die betrekking heeft op de duur van een herindelingsprocedure. Niet is gebleken dat SFVG onredelijke vertraging heeft veroorzaakt tijdens het proces. Dat [eiseres] niet altijd direct antwoord ontving op haar e-mails betekent nog niet dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en dat zij, voor zover zij dat heeft bedoeld, te lang aan het lijntje is gehouden. De procedure heeft ook nooit stilgelegen.

De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de duur van de herindelingsprocedure, totdat definitieve overeenstemming tussen partijen was bereikt, niet zodanig lang is geweest dat niet meer kan worden gesproken van een redelijke procesduur.

5.4.3

De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiseres] dat het proces van “erkenning” totdat de herindelingsprocedure een aanvang heeft gemaakt lange tijd heeft geduurd. [eiseres] is (pas) met ingang van 1 februari 2015 de functie van studentcoördinator gaan vervullen. Zij heeft zelf gesteld dat zij in datzelfde jaar P&O (slechts) heeft geattendeerd op het feit dat de functiebeschrijving uit 2003 stamt. Bij e-mail van 24 juli 2019 heeft [eiseres] meegedeeld dat partijen vanaf het jaar 2017 in gesprek zijn over de waardering van die functie. In datzelfde jaar is de herindelingsprocedure ook opgestart en per 1 januari 2019 is de functiebeschrijving van thans Intercedent Studentenpool met de daarbij behorende nieuwe inschaling weer actueel. In het midden kan dan ook blijven of de functie van studentcoördinator voorafgaand aan de aanvang van die procedure verzwaard was ten opzichte van de functiebeschrijving uit 2003, hetgeen overigens door SFVG uitdrukkelijk en gemotiveerd is weersproken.

5.4.4

Ook kan niet worden gezegd dat SFVG niet als goed werkgever heeft gehandeld in de zin van artikel 7:611 BW. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat SFVG een (aanzienlijk) bedrag van € 5.505,56 bruto aan [eiseres] heeft betaald met betrekking tot de periode van 1 januari 2017 tot en met mei 2019, derhalve een periode van maar liefst
29 maanden (en dus geen 1,5 jaar zoals meermaals door [eiseres] is gesteld), op basis van het verschil tussen het oude uurloon van [eiseres] gebaseerd op salarisschaal 25 en het nieuwe uurloon gebaseerd op schaal 45 behorend bij de functie van Intercedent Studentenpool. Dit betekent dus dat meer dan de volledige periode waarin de herindelingsprocedure heeft plaatsgevonden door SFVG (met terugwerkende kracht) is gecompenseerd. [eiseres] had op grond van artikel 7.1.5 bijlage C lid 6 van de CAO alleen recht op haar nieuwe salaris vanaf 1 januari 2019. Nu voormelde betaling geheel onverplicht door SFVG is gedaan, kan in het midden blijven of bij de daaraan ten grondslag liggende berekening precies is uitgegaan van alle daadwerkelijk door [eiseres] gewerkte uren vanaf januari 2017.

5.4.5

De conclusie is dat er geen grond bestaat om de uitkomst van de herindelingsprocedure terug te laten werken tot een eerdere datum dan het moment waarop in die procedure tussen partijen overeenstemming is bereikt over de functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool per 1 januari 2019. SFVG is dan ook niet gehouden om de nieuwe salarisschaal 45 met betrekking tot die functie toe te passen vóór genoemde datum. Het beroep op toepassing van die schaal met terugwerkende kracht per
1 september 2015 kan daarom niet slagen, waardoor zowel de primaire vordering als de subsidiaire vordering niet toewijsbaar is. Ten aanzien van de ORT

5.5

In artikel 9.1 lid 3 van de CAO is bepaald dat een werknemer ORT ontvangt indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat aan die werknemer werkzaamheden in een onregelmatige dienst worden opgedragen. Op basis van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.3 vermelde objectieve uitlegmethode moet vastgesteld worden dat het uitgangspunt van artikel 9.1 lid 3 van de CAO is dat alleen ORT aan een werknemer wordt toegekend, indien a) de werkgever het noodzakelijk acht dat de werknemer werkzaamheden verricht op tijden waarop de ORT-regeling van toepassing is en b) dat de werkgever opdracht geeft aan die werknemer om die werkzaamheden op die tijden te verrichten.

Tussen partijen is niet in geschil dat SFVG voor wat betreft de functie van medisch student ORT is verschuldigd, althans voor zover op tijden dient te worden gewerkt waarop de ORT-regeling van toepassing is, en dat [eiseres] die vergoeding ook altijd vanaf haar indiensttreding bij SFVG heeft ontvangen. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of [eiseres] ook (alsnog) recht heeft op ORT voor wat betreft de functie van studentcoördinator en (later ook) Intercedent Studentenpool.

5.5.1

SFVG heeft aangevoerd dat de werkzaamheden van studentcoördinator en Intercedent Studentenpool niet noodzakelijkerwijs op tijden verricht dienen te worden waarop de ORT-regeling van toepassing is, maar dat die werkzaamheden ook op “normale kantoortijden” kunnen worden uitgevoerd en dat door SFVG ook uitdrukkelijk geen toestemming is gegeven aan [eiseres] dat die werkzaamheden wel op ORT-tijden werden uitgeoefend. Verder heeft SFVG tegen de verschuldigdheid van ORT aangevoerd dat [eiseres] telkens zichzelf inroosterde en dat zij baas was over haar eigen (werk)agenda.

[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat SFVG geen toestemming heeft gegeven dat de werkzaamheden door haar op ORT-tijden werden verricht. Ook heeft [eiseres] niet betwist dat SFVG nooit werkzaamheden aan haar heeft opgedragen op onregelmatige tijden. Dit betekent dat niet aan de voorwaarden van artikel 9.1 lid 3 van de CAO is voldaan om aanspraak te kunnen maken op ORT voor wat betreft de functie van studentcoördinator en Intercedent Studentenpool. De stelling van [eiseres] dat zij “nu eenmaal heeft gewerkt in de avond- en weekenduren” biedt dan ook geen grondslag voor de verschuldigdheid door SFVG van ORT.

[eiseres] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat zij toch aanspraak maakt op ORT. Niet in geschil is dat partijen geen afzonderlijke afspraak hebben gemaakt op grond waarvan [eiseres], in afwijking van de voorwaarden zoals gesteld in voormeld artikel van de CAO, recht had op ORT. Dat [eiseres] tijdens en naast haar dienstverband met SFVG meerdere studies volgde en elders nog een andere bijbaan had en dat zij daarom vaak op onregelmatige tijden voor SFVG werkte, is haar keuze en derhalve een omstandigheid die voor rekening en risico komt van [eiseres] en niet aan SFVG valt toe te rekenen. Voor zover [eiseres] ook op onregelmatige tijden werd gebeld en gemaild door medisch studenten, kan dat er evenmin toe leiden dat zij daarom “dus” recht heeft op ORT. [eiseres] heeft niet betwist dat zij zelf haar eigen werktijden bepaalde. Gesteld noch gebleken is dat SFVG van [eiseres] verlangde dat zij op ORT-tijden beschikbaar was.

5.5.2

Ook kan niet worden gezegd dat SFVG niet als goed werkgever heeft gehandeld in de zin van artikel 7:611 BW. [eiseres] heeft zelf gesteld dat SFVG zowel voor aanvang van haar werkzaamheden als studentcoördinator als gedurende de uitoefening van die functie uitdrukkelijk aan haar heeft meegedeeld dat de ORT-regeling niet van toepassing is op genoemde functie en dat zij daarom in die functie (en later dus ook in de functie van Intercedent Studentenpool) geen recht heeft op ORT. [eiseres] heeft in dat verband ook
e-mails overgelegd, waaronder voormelde e-mail van 31 maart 2016 (hiervoor onder 2.5). [eiseres] was daar dus uitdrukkelijk van op de hoogte en heeft de functie (desondanks) aanvaard.

5.5.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] geen recht heeft op ORT met terugwerkende kracht per 1 september 2015 met betrekking tot de werkzaamheden van studentcoördinator/Intercedent Studentenpool. SFVG heeft dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 9.1 lid 3 van de CAO. Nu SFVG niet gehouden is om aan [eiseres] ORT te betalen, is ook in zoverre zowel de primaire vordering als de subsidiaire vordering niet toewijsbaar.

Ten aanzien van de nieuwe arbeidsovereenkomsten

5.6

Partijen zijn het erover eens dat de door [eiseres] overgelegde, door SFVG aan haar verstrekte, arbeidsovereenkomst van 25 juni 2019 met betrekking tot de functie van medisch student en de arbeidsovereenkomst van 16 juli 2019 met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool correct zijn, zodat van die arbeidscontracten wordt uitgegaan. De als productie 21 bij dagvaarding door [eiseres] overgelegde stukken die hierop geen betrekking hebben worden dan ook buiten beschouwing gelaten.

5.6.1

Vaststaat dat onderdeel van de oude functie van studentcoördinator was het (zelf) meewerken op de afdeling als medisch student. Dat blijkt ook uitdrukkelijk uit de hiervoor onder 2.3 vermelde functiebeschrijving van studentcoördinator. Partijen zijn het er ook over eens dat dat meewerken in de praktijk onder andere bestond uit het uitdelen/rondbrengen van eten aan patiënten en het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden. De functie van studentcoördinator bestaat sinds 1 januari 2019 echter niet meer in die vorm. In de nieuwe functie van Intercedent Studentenpool behoort het meewerken (in het geheel) niet meer tot de taken zoals vermeld in de nieuwe functiebeschrijving. Het meewerken valt alleen nog onder de werkzaamheden behorend bij de functie van medisch student. Indien [eiseres] het daarmee niet eens was, had het op haar weg gelegen om daar bezwaar tegen te maken in de bezwaarprocedure. De voorlopig vastgestelde functiebeschrijving was toen immers al bekend bij [eiseres] en ook daarin was het meewerken in de nieuwe functie van Intercedent Studentenpool al niet meer opgenomen. Het bezwaar van [eiseres] tegen de nieuwe functiebeschrijving zag “alleen” op andere onderdelen van die beschrijving en de financiële waardering van de functie van Intercedent Studentenpool. [eiseres] heeft ook erkend dat zij geen bezwaar heeft gemaakt in de bezwaarprocedure tegen het niet langer meer zelf meewerken als Intercedent Studentenpool en dat zij dat bij die gelegenheid had moeten doen als zij het daar niet mee eens was. Zij heeft tijdens de zitting zelf gesteld dat zij alleen “informeel” bezwaar heeft gemaakt nadat zij de twee nieuwe arbeidsovereenkomsten al had ontvangen. Dat is te laat. De herindelingsprocedure was toen al gesloten en de nieuwe functiebeschrijving van de functie van Intercedent Studentenpool was toen al definitief. Het meewerken maakt geen onderdeel meer uit van die functie.

5.6.2

De functie van (alleen) medisch student is niet heringedeeld en/of hergewaardeerd. Niet in geschil is dat die functie altijd gewogen is in salarisschaal 20. [eiseres] is ook op basis van die schaal in dienst getreden in 2010. Dit blijkt ook uit de door [eiseres] overgelegde arbeidsovereenkomst van 27 oktober 2010. Voor zover [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat schaal 25 van toepassing is op de functie van medisch student kan dat dus niet slagen. De functie Intercedent Studentenpool is vanaf 1 januari 2019 gewogen in salarisschaal 45. Er bestaat derhalve een aanzienlijk verschil in salariëring tussen de beide functies. [eiseres] heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij op basis van haar (oude) arbeidsovereenkomst uit 2015 zowel als Intercedent Studentenpool als medisch student het salaris behorend bij salarisschaal 45 wil ontvangen. Daarvoor bestaat dus geen grond. Medisch studenten werken niet in die salarisschaal, maar in schaal 20.

5.6.3

In het licht van het vorenstaande lag het voor de hand dat SFVG de voor [eiseres] geldende wijzigingen schriftelijk wilde vastleggen en dat SFVG in dat verband de twee nieuwe arbeidsovereenkomsten aan [eiseres] heeft aangeboden: een arbeidsovereenkomst met betrekking tot de functie van medisch student met salarisschaal 20 en een arbeidsovereenkomst met betrekking tot de functie van Intercedent Studentenpool met schaal 45, zoals op 8 maart 2019 al was aangekondigd door [naam 3]. SFVG heeft dat ook gedaan op 25 juni 2019 respectievelijk 16 juli 2019. Deze nieuwe arbeidscontracten zijn een logisch en rechtstreeks gevolg van de gewijzigde functies en salariëring van [eiseres] naar aanleiding van de herindelingsprocedure op grond van de CAO, waar [eiseres] zelf om heeft verzocht, en ook (zeker) niet nadelig voor [eiseres] gezien haar hogere salaris. SFVG heeft (juist) als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW gehandeld door de “oude”

arbeidsovereenkomst van 10 maart 2015 met betrekking tot de functie van studentcoördinator, die niet meer correct en niet meer in overeenstemming met de CAO was, te wijzigen. De CAO heeft voorrang op de (individuele) arbeidsovereenkomst van [eiseres]. Overigens zou het niet zijn gaan gelden van de nieuwe arbeidsovereenkomsten voor [eiseres] tot gevolg hebben gehad dat zij geen aanspraak had op de nieuwe salarisschaal 45 voor wat betreft de functie van Intercedent Studentenpool. Dat kan niet de bedoeling zijn (geweest) van [eiseres].

5.6.4

De conclusie is dat de gevorderde verklaring voor recht dat de nieuwe arbeidsovereenkomsten van, naar de kantonrechter begrijpt, 25 juni 2019 respectievelijk
16 juli 2019 niet tot stand zijn gekomen tussen partijen niet toewijsbaar is.

Overig loon?

5.7

Voor zover [eiseres] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij overigens nog aanspraak maakt op enig bedrag aan loon, heeft zij daarvoor onvoldoende gesteld. SFVG heeft aangevoerd dat zij [eiseres] altijd correct heeft uitbetaald op basis van de daadwerkelijk door haar gewerkte uren en de juiste salarisschalen en dat de berekeningen van [eiseres] niet juist zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft SFVG op haar beurt berekeningen overgelegd (productie 6 bij conclusie van antwoord). [eiseres] heeft geen (aparte) berekening overgelegd waaruit blijkt dat zij, rekening houdend met al hetgeen hiervoor reeds is overwogen, toch nog aanspraak maakt op enig bedrag. Zij heeft ook geen concreet bedrag genoemd en ook geen afzonderlijke vordering op dit punt ingesteld. Overigens is ook niet gesteld dat die aanspraak het door SFVG onverplicht betaalde bedrag van € 5.505,56 bruto te boven zou gaan. Met die betaling dient immers wel rekening te worden gehouden. Dit leidt tot de conclusie dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld dat zij nog recht heeft op loon, zodat daarvan in rechte niet kan worden uitgegaan.

Conclusie

5.8

De slotsom is dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. De nevenvorderingen delen in het lot van afwijzing van de hoofdsom.

5.9

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.10

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De door SFVG gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SFVG vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, en tevens, indien [eiseres] niet binnen veertien dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis heeft voldaan, een bedrag van € 124,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over genoemd bedrag aan nasalaris en de kosten van betekening vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764