Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4076

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/1579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van een last onder bestuursdwang wegens het hinderlijk of overlastgevend geparkeerd staan van twee voertuigen van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op de hoogte kon zijn van het parkeerverbod en evenmin dat hem geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1579


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. S. Benali,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Avedissian.

Procesverloop

Op 25 november 2019 heeft verweerder met toepassing van bestuursdwang twee voertuigen van eiser weggesleept en opgeslagen. Dit is aan eiser medegedeeld op 6 november 2019. Daarbij zijn de kosten van het wegslepen en opslaan bij eiser in rekening gebracht.

Bij besluit van 18 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft de voertuigen van eiser weggesleept en opgeslagen omdat deze hinderlijk of overlastgevend geparkeerd stonden op het terrein aan de Industrieweg te Rotterdam. Daar was tijdelijk een parkeerverbod ingesteld in verband met werkzaamheden.

Standpunt eiser

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet noodzakelijk was dat beide voertuigen weggesleept werden om de werkzaamheden te kunnen verrichten. Daarnaast stelt eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken wanneer eiser zijn voertuigen op het terrein aan de Industrieweg heeft geparkeerd en of het parkeerverbod voor eiser kenbaar was. Eiser begrijpt niet dat verweerder hem niet op de hoogte heeft gebracht van het parkeerverbod of hem heeft gevraagd zijn voertuigen zelf te verplaatsen. In een andere, eerdere situatie heeft verweerder hem namelijk wel verzocht zijn voertuig te verplaatsen. Verder stelt eiser dat er sprake is van een onvoorzienbare situatie, nu hij ten tijde van het plaatsen van de parkeerverbodsborden in België verbleef omdat zijn vrouw daar zou gaan bevallen van hun kind. Daar moet rekening mee gehouden worden.

Oordeel rechtbank

4. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de voertuigen van eiser in mei 2021 zijn gedemonteerd. Omdat verweerder de kosten van het wegslepen en opslaan bij eiser in rekening heeft gebracht, heeft eiser voldoende procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

5.1.

De rechtbank vindt dat verweerder bevoegd was om de voertuigen weg te slepen en op te slaan.

5.2.

Niet in geschil is dat een parkeerverbod van kracht was en dat eiser dit parkeerverbod overtreden heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet noodzakelijk was om de voertuigen weg te slepen om de werkzaamheden te kunnen verrichten. Uit de door eiser overlegde foto van het verse zand op een oppervlakte van niet meer dan één parkeervak blijkt nog niet dat voor het verrichten van de werkzaamheden slechts een klein oppervlak gebruikt is. Het kan bijvoorbeeld zo zijn geweest dat op het andere parkeervak een voertuig dat nodig was voor de werkzaamheden of ander materieel heeft moeten staan.

5.3.

Uit artikel 170, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat er geen termijn hoeft te worden gesteld waarbinnen de gebruiker van de voertuigen het wegslepen kan voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Er bestond voor verweerder dan ook geen verplichting om eiser voor het wegslepen te waarschuwen en te vragen de voertuigen zelf te verplaatsen.1 Dat verweerder dit in een eerdere soortgelijke situatie wel heeft gedaan, maakt niet dat hij dat ook in dit geval ook had moeten doen. Het betoog van eiser dat verweerder onzorgvuldig gehandeld heeft volgt de rechtbank dan ook niet.

6.1.

De rechtbank vindt ook dat verweerder de kosten van het opslaan en wegslepen van de voertuigen bij eiser in rekening heeft mogen brengen.

6.2.

Uit vaste rechtspraak2 volgt als regel dat de kosten van het wegslepen en opslaan van het voertuig voor rekening van de rechthebbende van het voertuig komen. Hierop zijn echter uitzonderingen mogelijk. Om te bepalen of er sprake is van een uitzonderingsgeval, moet verweerder alle betrokken belangen afwegen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan als de rechthebbende geen verwijt valt te maken van de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate betrokken is, dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de rechthebbende moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat verweerder geheel of gedeeltelijk moet afzien van kostenverhaal.

6.3.

Verweerder heeft toegelicht dat verkeersborden met een tijdelijk parkeerverbod volgens de werkinstructies minimaal 72 uren van tevoren worden geplaatst. De rechtbank vindt dit niet onredelijk. Verder is niet gebleken dat verweerder zich in dit geval niet aan deze werkinstructies heeft gehouden. Ter zitting heeft eiser gesteld dat het ene voertuig ongeveer twee weken en het andere voertuig ongeveer drie of vier weken voor het wegslepen op het terrein aan de Industrieweg geparkeerd waren. Hij heeft hiervan echter geen bewijsstukken overgelegd, zodat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Maar ook wanneer eiser de voertuigen daadwerkelijk vóór het plaatsen van de verkeersborden op het terrein aan de Industrieweg heeft geparkeerd en hij daardoor niet heeft opgemerkt dat er voor 25 november 2019 een parkeerverbod was ingesteld, komt dit voor zijn risico. Het lag op de weg van eiser om af en toe bij de voertuigen te kijken of deze nog steeds juist geparkeerd stonden. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet bij zijn voertuigen kon kijken omdat hij wegens onvoorziene omstandigheden kort voor/op 25 november 2019 in het buitenland verbleef. Uit de door eiser overlegde geboorteakte en het bewijs om zwangerschapsvergoeding en/of rustvergoeding, blijkt dit niet, omdat hieruit alleen blijkt dat zijn dochter op 23 december 2019, ongeveer een maand na het wegslepen van de voertuigen, in België is geboren. En ook als eiser zelf niet bij de voertuigen kon kijken, kon hij iemand anders vragen dit voor hem te doen. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat er geen aanleiding bestaat voor het maken van een uitzondering op de regel dat eiser de kosten van het wegslepen en opslaan van de voertuigen moet voldoen.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 april 2021.

De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: juridisch kader

De Algemene wet bestuursrecht luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(…)

De Gemeentewet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

(…)

De Wegenverkeerswet 1994 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 170

1. Tot de bevoegdheid van de burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met

(…)

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

2. De artikelen 5:24, 5:25, tweede tot en met vierde lid, 5:29, vijfde lid, 5:30, derde lid, en 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Bij de toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder. Voor de toepassing van artikel 5:30 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de omstandigheid dat een voertuig niet is afgehaald, gelijkgesteld met de omstandigheid dat het voertuig niet kan worden teruggegeven.

(…)

Artikel 172

1. Tot de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, worden gerekend:

a. de kosten die verband houden met de overbrenging en bewaring;

b. de kosten die verband houden met de bekendmaking van de beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en

c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging.

(…)

1 Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3098.

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8487.