Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4074

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/3449
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. De maatregel kan niet aangemerkt worden als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM, waardoor het beroep van eiser op de uit het artikel 6 van het EVRM voortvloeiende waarborgen voor punitieve sancties niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/3449


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd.

Bij besluit van 15 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is op 30 januari 2020 als bestuurder van een voertuig door de politie op de openbare weg staande gehouden. De verbalisanten hebben aan verweerder een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) gedaan, omdat bij hen het vermoeden is gewekt dat eiser, naast alcoholhoudende drank, onder invloed van drogerende stoffen was, terwijl hij het voertuig bestuurde. Uit het proces-verbaal van 30 januari 2020 volgt dat dit vermoeden werd gewekt door de volgende waarnemingen:

  • -

    bloeddoorlopen ogen;

  • -

    onsamenhangend verhaal;

  • -

    moeizaam uit zijn voertuig stappen;

  • -

    onvast ter been;

  • -

    de positieve uitslag van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht;

  • -

    het aanwezig hebben van vier kleine zakjes met vermoedelijk cocaïne, waarvan twee zakjes waren aangebroken;

  • -

    een pakje sigaretten met daarin een gedeeltelijk opgerookte joint.

Eiser weigerde zijn medewerking aan een speekseltest om vast te stellen of eiser mogelijk onder invloed van drugs reed. Tevens weigerde eiser mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 van de WVW 1994. Naar aanleiding van de mededeling heeft verweerder bij het primaire besluit van 3 maart 2020 een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser opgelegd.

2. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid losstaat van een strafrechtelijke procedure. Voor het opleggen van de bestuurlijke maatregel is voldoende dat er een vermoeden van rijongeschiktheid is. Verweerder stelt dat dit vermoeden blijkt uit de in het proces-verbaal genoemde feiten en omstandigheden en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verbalisanten vermelde waarnemingen. De ongemotiveerde betwistingen van eiser zijn volgens verweerder eveneens onvoldoende om de betrouwbaarheid en juistheid van het gestelde in het proces-verbaal in twijfel te trekken.

3. Eiser voert aan dat verweerder een oordeel geeft over de schuldvraag, terwijl uit moet worden gegaan van de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts betwist eiser dat hij afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht en stelt hij dat sprake is van schending van het beginsel van fair hearing in de zin van artikel 6 van het EVRM. Eiser meent dat het besluit van verweerder onrechtmatig is, nu in strijd met artikel 6 van het EVRM is gehandeld. Tevens zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Ter zitting voert eiser aan dat hetgeen in het proces-verbaal staat niet klopt, omdat hij geen drogerende stoffen heeft gebruikt. Ook stelt eiser dat zijn bloeddoorlopen ogen kunnen worden verklaard door het nachtelijke tijdstip van de aanhouding en dit niet wijst op het gebruik van drogerende stoffen. Eiser stelt dat hij onheus is bejegend door de politie.

4.1.

Op grond van artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, zo spoedig mogelijk daarvan schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Op grond van artikel 133, eerste lid, van de WVW 1994 legt het CBR bij de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde gevallen bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

4.2.

Op grond van artikel 23, eerste lid, onder f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WVW 1994 of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

In de bijlage bij de Regeling zijn de feiten en omstandigheden genoemd die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven. Onder ‘B. Geschiktheid’ staat onder meer het volgende vermeld:

(…)

III. Drogerende stoffen (…)

Andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen

– ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke kunnen leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 is het een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.

5. De rechtbank merkt allereerst op dat naar aanleiding van het onderzoek naar de rijgeschiktheid het rijbewijs van eiser ongeldig is verklaard. Nu eiser de kosten voor het verrichten van het onderzoek vergoed kan krijgen, heeft eiser voldoende procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

6.1.

De rechtbank stelt voorop, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:756, dat het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid is, die los staat van een (eventuele) strafrechtelijke procedure. In de onderhavige bestuursrechtelijke procedure behoeft de aan eiser verweten gedraging, anders dan in het strafrecht, niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid is het voor verweerder voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate zekerheid komt vast te staan dat eiser onder invloed van drogerende stoffen als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.

6.2.

Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank oordeelt dat verweerder met de vermelde omstandigheden in het proces-verbaal inzake de waarnemingen van verbalisanten over de uiterlijke kenmerken van eiser, de omstandigheden en de uitslag van de ademtest, in combinatie met het gegeven dat proces-verbaal jegens eiser is opgemaakt wegens overtreding van artikel 8, eerste lid, van de WVW 1994 en eiser zijn medewerking aan het bloedonderzoek heeft geweigerd, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser heeft gereden onder invloed van drogerende stoffen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de (lichamelijke en/of geestelijke) geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Gelet hierop was verweerder gehouden een rijgeschiktheidsonderzoek te gelasten.

6.3.

Ten aanzien van de betwisting door eiser van de inhoud van het proces-verbaal oordeelt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2625 volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Dat geldt ook voor de rechter, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot het afwijken van dit uitgangspunt. Als de bevindingen van de politie worden betwist, moet worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. In beginsel mag ook worden uitgegaan van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek afgelegde verklaringen en komt aan latere verklaringen geen doorslaggevende betekenis toe. Eiser heeft enkel met het stellen dat hij bloeddoorlopen ogen had vanwege het nachtelijke tijdstip van de aanhouding en de ongemotiveerde ontkenning dat hij geen drogerende stoffen heeft gebruikt, en hij onheus door de politie is bejegend, onvoldoende twijfel opgeroepen over de juistheid van de in het proces-verbaal genoteerde bevindingen. Verweerder mocht daarom afgaan op de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal.

6.4.

Bij de verbalisanten is het vermoeden gewekt dat eiser - naast alcohol - onder invloed van drogerende stoffen was wegens de omstandigheden, de uiterlijke kenmerken en ademtest van eiser. In dit kader is het niet relevant of eiser als verdachte al dan niet gehoord is of gehoord zou moeten zijn in aanwezigheid van een rechtsbijstandverlener, reeds nu de verklaringen van eiser niet hebben geleid tot het bij verweerder gewekte vermoeden. Bovendien volgt uit het proces-verbaal dat eiser uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog op dat eiser ook overigens niet heeft onderbouwd dat hij een kwetsbare verdachte is, zoals hij heeft gesteld, en daarom zonder meer had moeten worden bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Het door eiser in dat kader gedane beroep op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan dan ook niet slagen.

6.5.

Eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie als vermeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, slaagt niet. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1120) betreft het onderzoek naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig (en het schorsen van de geldigheid van het rijbewijs hangende dit onderzoek) een bestuursrechtelijke maatregel die erop is gericht de betrokkene aan een onderzoek te onderwerpen vanwege eerder getoond rijgedrag. De maatregel strekt ter bevordering van de verkeersveiligheid. Hierbij is van belang geacht dat de kwalificatie die de wetgever aan de maatregel geeft, het met de maatregel beoogde doel, de aard en de zwaarte van de maatregel en het ontbreken van een punitief karakter ervan, maken dat de maatregel niet is aan te merken als een bestraffende sanctie. Het opleggen van een onderzoek naar drugsgebruik is dus geen maatregel die is aan te merken als een ‘criminal charge’ in de zin van voornoemd artikel. Daarom faalt het betoog en het beroep op de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende waarborgen voor punitieve sancties.

6.6.

Voor de stelling van eiser dat artikel 6 van het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen grond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.