Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4035

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
10/650115-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op de zitting is veel aandacht geweest voor de vraag of het onderzoek van de politie wel helemaal goed is verlopen en met name of de politie de feiten wel steeds juist heeft weergegeven. De conclusie is dat het doel van de politie is geweest om een ‘probleem’ in het dossier met betrekking tot het tijdstip van het delict glad te strijken om zo het daderschap van de verdachte dichterbij te brengen. De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging

De rechters en de griffier hebben ervoor gekozen om dit vonnis op een andere manier op te bouwen. Er wordt direct een samenvatting van het vonnis gegeven en de lezer kan aan de hand van een leeswijzer direct naar het hoofdstuk gaan waar de interesse naar uitgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team 1

Parketnummer: 10/650115-17

Datum uitspraak: 29 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] .

Advocaat van de verdachte: mr. R. van den Boogert.

Officier van justitie: mr. A.H.A. de Bruijne

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak vond plaats op 20 april 2021.

Kern van het vonnis

Op de zitting is veel aandacht geweest voor de vraag of het onderzoek van de politie wel helemaal goed is verlopen en met name of de politie de feiten wel steeds juist heeft weergegeven. In dit vonnis staat deze vraag ook centraal. Bij de beantwoording van die vraag besteedt de rechtbank aandacht aan het in de jurisprudentie vastgestelde beoordelingskader en hoe dat in deze zaak moet worden toegepast. De conclusie is dat het doel van de politie is geweest om een ‘probleem’ in het dossier met betrekking tot het tijdstip van het delict glad te strijken om zo het daderschap van de verdachte dichterbij te brengen. Dat is kwalijk en vanwege het zeer grote belang van een zuivere en integere werkwijze bij de opsporing en verbalisering wordt in dit vonnis aan het voorval een stevige consequentie verbonden.

Inhoudsopgave van dit vonnis

De verdachte wordt - kort samengevat - beschuldigd van ontuchtige handelingen in een bubbelbad bij een bezoekster van een sauna. De volledige tekst van de beschuldiging zoals deze door de officier van justitie is opgeschreven in de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis. Ook is in dat hoofdstuk de vordering van de officier van justitie vermeld.

De officier van justitie mag de verdachte niet vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 van dit vonnis uitgelegd.

Hoofdstuk 3 sluit dit vonnis af met een korte weergave van alle beslissingen en de ondertekening door de rechters en de griffier.

1. De beschuldiging in de tenlastelegging

hij op of omstreeks 2 februari 2017 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft hij

  • -

    de ontblote billen van die [naam slachtoffer] betast en/of over de ontblote billen van die [naam slachtoffer] heeft gewreven en/of

  • -

    zijn, verdachtes, vinger(s) in haar bilspleet heeft gestopt,

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

  • -

    (dicht) naast die [naam slachtoffer] in het bubbelbad gaan zitten en/of

  • -

    onverhoeds, terwijl de bubbels van het bubbelbad aan stonden, verrichten van voornoemde ontuchtige handeling(en).

Vordering van de officier van de justitie

De officier van justitie heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen met aftrek van voorarrest.

1.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Inleiding

Op 2 februari 2017 heeft in het [naam complex] in Bleiswijk een aanranding plaatsgevonden. De aangeefster is daar, terwijl zij in het bubbelbad zat aan haar billen betast door een man. Volgens de aangifte zou dit gebeurd zijn omstreeks 21:30 uur. Getuige [naam getuige] , die samen met de aangeefster in het bubbelbad zat, heeft bij de politie verklaard dat het incident na 21:15 uur is gebeurd. De verdachte was die avond ook in het [naam complex] en heeft volgens cameraregistratie om 21:15 uur het saunacomplex verlaten. De verdachte ontkent dat hij de aangeefster heeft aangerand.

Standpunt van de verdediging

Aangevoerd is - voor zover van belang - dat uit het proces-verbaal van 15 april 2021, waarin het audiobestand van het nadere verhoor van de aangeefster en getuige [naam getuige] van

18 augustus 2018 is uitgewerkt, blijkt dat het nadere verhoor op cruciale onderdelen onjuist is weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van die datum. Hierdoor is de rechtbank ten aanzien van het tijdstip van het incident bewust misleid. Dit levert een schending op van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Beoordeling en conclusie in het kort

De rechtbank is het voor een groot deel met de raadsman eens en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Wel is de motivering die tot die beslissing leidt voor een deel een andere. Deze motivering wordt hieronder uitgebreid uiteengezet.

Feiten en omstandigheden

De aangeefster en de getuige [naam getuige] zijn anderhalf jaar na het incident, op 18 augustus 2018, een kleine twee weken voorafgaand aan de eerste zitting bij de rechtbank, nader verhoord. Dat is gebeurd op initiatief van verbalisant [naam agent] , die eerder het verhoor met de aangeefster en het verhoor met de getuige [naam getuige] had gedaan. Tijdens die nadere verhoren is een foto van de verdachte in het [naam complex] getoond. Verder is gesproken over het tijdstip van de aanranding. In het proces-verbaal dat van dit verhoor is opgemaakt is - voor zover van belang - als verklaring van de aangeefster het volgende vermeld:

[naam agent] zei dat het tijdstip waar wij het over hadden niet helemaal klopte. In het [naam complex] hangen geen klokken. Ik weet dus ook niet precies hoe laat het was. Ik weet zeker dat het in de avond was. Ik weet niet meer precies hoe laat het moet zijn geweest. In ieder geval in de avond, tussen 21:00 uur en 21:30 uur.’

Verbalisant [naam agent] heeft in een op verzoek van de raadsman van de verdachte gehouden getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 4 december 2018 desgevraagd bevestigd dat zij contact met de aangeefster had opgenomen over een nader te houden verhoor. Ook heeft zij daar verklaard dat zij tegen aangeefster had gezegd dat het tijdstip dat in de aangifte was genoemd niet overeenstemde met de camerabeelden waaruit bleek dat de verdachte toen al was uitgecheckt.

Op 15 april 2021 is, eveneens op verzoek van de raadsman, de letterlijke uitwerking van het nadere verhoor van aangeefster en getuige [naam getuige] aan het dossier toegevoegd. In deze uitwerking staat - voor zover van belang - als verklaring van de aangeefster en de getuige [naam getuige] het volgende vermeld:

Aangeefster

‘Verbalisant 1: Dus het komt er in feite op neer dat u eigenlijk niet precies wist hoe laat het is gebeurd. Het was alleen in de avond.

Vrouw: Rond eh ja, in onze beleving was het zo rond nou ja, laten we zeggen half tien.

Verbalisant 1: Ja.

Vrouw: Kan ook kwart over negen zijn geweest.

Verbalisant 1: Ja.

Vrouw: Het was in de avond en eh..

Verbalisant 1: Ja.

Vrouw: Ja.

Verbalisant 1: Tussen negen en half tien.

Vrouw: Ja.

Verbalisant 1: Daar komt het op neer.

Vrouw: Ja.

Verbalisant 1: Ja. Ja, prima toch?

Vrouw: Ja.’

Getuige [naam getuige]

‘Vrouw 2: En de tijd is dat nog goed gekomen?

Verbalisant 2: Ja.

Vrouw 2: Oké.

Verbalisant 1: Dat hebben we al aan eh ... aan [naam slachtoffer] gevraagd.

Vrouw 2: Oké.

Verbalisant 1: Dat hoeven we niet nog een keer aan u te vragen.’

In het proces-verbaal van 18 augustus 2018 is opgenomen als verklaring van de aangeefster dat het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden in de avond tussen 21:00 uur en 21:30 uur. Dat stemt niet overeen met wat zij volgens de letterlijke uitwerking van het verhoor daadwerkelijk heeft verklaard. De aangeefster heeft het tijdstip van 21:00 uur namelijk helemaal niet genoemd en zij heeft vastgehouden aan het eerder door haar genoemde tijdstip 21:15 - 21:30 uur. De verhorende verbalisant heeft het tijdstip 21:00 uur zelf opgeworpen. Opvallend is verder dat de getuige [naam getuige] , toen zij het tijdstip van het incident als gespreksonderwerp opperde te kennen is gegeven dat het tijdstip inmiddels al aan de aangeefster was gevraagd en het daarom niet nog een keer aan haar gevraagd hoefde te worden. Beide verbalisanten gaan dit onderwerp zichtbaar uit de weg, waarvan een van de twee expliciet. Dit terwijl het tijdstip juist één van de redenen was voor het houden van een nader verhoor en de getuige gelet op haar aanwezigheid in de sauna en haar eerdere verklaring hier iets relevants over had kunnen verklaren.

Vormverzuim(en)

Door tijdens het nadere verhoor zelf een tijdstip op te werpen, dat eerder niet door de aangeefster was genoemd, en dit vervolgens in het proces-verbaal van het verhoor te presenteren als de verklaring van de aangeefster, heeft de politie in het dossier het beeld geschapen dat de aanranding heeft plaatsgevonden toen de verdachte nog in de sauna aanwezig was. Daarmee werd een contra-indicatie voor de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit, weggepoetst. Dat deze manier van handelen ook intentioneel was volgt mede uit het nadere verhoor van de getuige [naam getuige] . Zij is hoewel dat wel het doel was bewust niet bevraagd over het tijdstip van de aanranding, zelfs niet nadat zij daarover zelf was begonnen. Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat het de bedoeling was om een ‘probleem’ in het dossier met betrekking tot de tijd van de aanranding glad te strijken om het mogelijk daderschap van de verdachte dichterbij te brengen.

Hiermee is op grove wijze het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak in het gedrang gekomen en zijn meerdere normen die de integriteit en zuiverheid van opsporing en verbalisering reguleren met voeten getreden.

De ernst van dit verzuim en het daarmee samenhangende belang van integere en zuivere opsporing behoeven geen nader betoog. Dat is het fundament waarop het Nederlandse strafproces is gebouwd. Ook de vaststelling van het nadeel voor de verdachte kan kort: wanneer het verzuim onopgemerkt zou zijn gebleven zou de verdachte geen eerlijk proces hebben gehad, waarbij niet uitgesloten kan worden dat het verzuim een belangrijke zo niet doorslaggevende rol zou hebben gehad in de bewijsvoering. Bij die stand van zaken zou het enige rechtsgevolg dat aan de verzuimen had kunnen worden verbonden de niet- ontvankelijkheid van de officier van justitie zijn geweest.

Herstel

Door de inspanningen van de verdediging zijn meer dan vier jaar na het incident de letterlijke uitwerkingen van de nadere verhoren van de aangeefster en getuige [naam getuige] in het dossier gevoegd. Daardoor is voor de rechtbank en de procespartijen uiteindelijk duidelijk geworden wat tijdens de verhoren daadwerkelijk is gezegd. Het verzuim is daarmee zodanig hersteld dat het proces uiteindelijk als geheel eerlijk heeft kunnen verlopen.

Toch sanctionering

Is daarmee de kous af? Het antwoord op die vraag is nee. Ook in zo’n geval kan een rechtsgevolg nog aan de orde zijn. Voor zover van belang kan op grond van de vaste jurisprudentie1 het volgende worden opgemerkt.

- In gevallen waarin, als gevolg van een vormverzuim, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen is strafvermindering als rechtsgevolg niet uitgesloten.

- In gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.

- Of daartoe grond bestaat, wordt beoordeeld aan de hand van de in artikel 359a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde beoordelingsfactoren - het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt - en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit: als hetzelfde doel met een ‘lichtere’ sanctie kan worden bereikt, dient daarmee te worden volstaan.

Welk rechtsgevolg?

Hiervoor zijn de beoordelingsfactoren van artikel 359a Sv al aan de orde geweest, zijn deze gewogen en is als - passend - rechtsgevolg de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie genoemd. Daarbij zijn nog twee nadere vaststellingen van belang. Het nadeel van de verdachte is door het ‘herstel’ kleiner geworden. Het eerlijk proces is niet meer in het geding en het nadeel van de verdachte bestaat er nog ‘slechts’ uit dat zijn verdediging ernstig is bemoeilijkt en dat mede daardoor zijn berechting lang heeft geduurd, met alle nadelige consequenties die daaruit volgen. Daarnaast moet benadrukt worden dat het belang van de overtreden normen - integriteit van de opsporing - zeer groot is en de mate waarin die normen zijn overtreden aanzienlijk is. Hoewel dus het belang van de verdachte kleiner is geworden is er desalniettemin noodzaak voor een sanctie als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.

De rechtbank heeft in dat licht in eerste instantie de rechtsgevolgen van strafvermindering en bewijsuitsluiting nadrukkelijk onder ogen gezien omdat dit in het algemeen de meest aangewezen rechtsgevolgen zijn in een situatie zoals deze, waarin het eerlijk proces door herstel van de verzuimen niet meer in het geding is.

Probleem van deze rechtsgevolgen in dit concrete geval is het volgende. Van bewijsuitsluiting kan helemaal geen sprake zijn omdat het bewijs niet is geraakt door de verzuimen, maar juist een contra-indicatie voor betrokkenheid van de verdachte onderwerp van de verzuimen was. Ook verder ligt bewijsuitsluiting als rechtsgevolg niet voor de hand, omdat het zich opdringt dat in dit geval het bewijs linksom of rechtsom onvoldoende overtuigend zou zijn geweest voor een bewezenverklaring. Het rechtsgevolg van strafvermindering is daarmee ook geen reëel alternatief.

De enkele constatering van de verzuimen zou bij die stand van zaken een mogelijkheid zijn geweest als (magere) genoegdoening voor het nadeel dat de verdachte uiteindelijk heeft gehad. Voor het grotere algemene belang dat in deze kwestie in het geding is volstaat die vaststelling echter niet. Het enige mogelijke rechtsgevolg dat dan rest is dan toch de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en tot dat oordeel komt de rechtbank ook. De rechtbank realiseert zich daarbij dat dit in beginsel geen rechtsgevolg is dat op grond van de vaste jurisprudentie in een situatie als deze passend is. Het rechtsgevolg is naar zijn aard grof en laat geen ruimte recht te doen aan de belangen die de samenleving en eventuele slachtoffers hebben bij de berechting. Toch wordt die keuze gemaakt omdat a) in het licht van de subsidiariteit er geen alternatief is, b) de zaak van relatieve ernst is, c) bij een ander oordeel de uitkomst van de strafzaak maatschappelijk geen andere consequenties zal kennen en d) het slachtoffer (mogelijk) mede door het tijdsverloop geen formele rol in het strafproces had.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en C.E. Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2021.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en de conclusie van AG Bleichrodt 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.