Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
ROT 19/3143
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafpunten en schorsing pulskorvisserij toestemming vanwege gebruik visnet met te grote mazen. De rechtbank overweegt dat de gebruikte maaswijdtemeter tijdig is gekalibreerd en ziet geen reden om aan de juistheid van de metingen te twijfelen. Eiseres heeft dus artikel 4 en bijlage I van Verordening 850/98 overtreden. Verweerder heeft dit in redelijkheid als een ernstige inbreuk aangemerkt en om die reden strafpunten mogen toekennen aan eiseres. Echter verweerder heeft niet ook de pulstoestemming kunnen schorsen, nu de wettelijke bevoegdheid daarvoor geheel onduidelijk is gebleven. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder in de pulstoestemming kennelijk een onjuiste verleningsgrondslag heeft genoemd, maar dat ook bij een andere grondslag binnen hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij de bevoegdheid om een pulstoestemming te schorsen ontbreekt, dat de uitleg van verweerder thans, dat sprake is van een vismachtiging waarvoor in artikel 97 wel de bevoegdheid tot schorsing is geregeld, niet kan worden gevolgd, en dat (zie ECLI:NL:RVS:2020:1226) ook in de Awb en in Verordening 850/98 geen bevoegdheidsgrondslag voor schorsing kan worden gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3143

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

[eiser 1] te [plaats] , eiser 1,

[eiser 2] te [plaats] , eiser 2,

[eiser 3] te [plaats] , eiser 3,

[eiser 4] te [plaats] , eiser 4,

gezamenlijk: eisers,

gemachtigde: mr. K. Boele,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiseres vier (straf)punten toegekend omdat eiseres zou hebben gehandeld in strijd met bepalingen van het Europese Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Bij een ander besluit van 17 januari 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder de verleende toestemming voor pulskorvisserij voor vissersvaartuig [vaartuig] met ingang van 4 februari 2019 geschorst voor een periode van twee maanden.

Bij besluit van 16 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2021. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door kantoorgenoot mr. P.S. Slob. Ook is namens eiseres [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. S.F. Plessius, wetgevingsjurist, A.R. Strating, beleidsmedewerker visserij, en H.C. Demkes, medewerker uitvoering visserijregelingen.

Ter zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nadere verklaring te overleggen over het meetrapport en kalibratiecertificaat. Op 1 maart 2021 heeft verweerder dit gedaan. Eisers hebben hierop bij brief van 9 maart 2021 gereageerd. Met instemming van partijen heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Binnen de Europese Unie gelden verschillende regels voor het beheer van de Europese vissersvloten en het behoud van de visbestanden. Het geheel hiervan wordt het Gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) genoemd. In deze zaak spelen de volgende Europese verordeningen een rol:

  • -

    de Verordening (EU) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (Verordening 850/98)

  • -

    de Verordening (EG) nr. 1005/2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (Verordening 1005/2008)

  • -

    de Controleverordening (EG) nr. 1224/2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (Controleverordening 1224/2009)

  • -

    de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (Uitvoeringsverordening 404/2011)

  • -

    de Verordening (EG) nr. 517/2008 van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten (Verordening 517/2008).

2. Eiseres is eigenaar van het vissersvaartuig [vaartuig] en eisers 1 t/m 4 vormen de bemanning van de [vaartuig] . Dit vaartuig is ingericht voor de vangst van platvis met een pulskorinstallatie. Sinds 4 april 2014 heeft de [vaartuig] toestemming voor pulskorvisserij. Volgens verweerder heeft eiseres een ernstige inbreuk gepleegd op de regels van het GVB van de Europese Unie. Daarom heeft verweerder in het primaire besluit I aan eiseres, als houder van een visvergunning voor vaartuig [vaartuig] , vier (straf)punten toegekend. Ook heeft verweerder met het primaire besluit II de aan eiseres verleende toestemming voor pulskorvisserij geschorst voor twee maanden.

3. Verweerder heeft zijn besluiten gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 21 december 2018 op ambtseed is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In dit rapport schrijft de toezichthouder dat op 4 december 2018 een inspectie is uitgevoerd aan boord van vissersvaartuig [vaartuig] waarmee op dat moment de pulsvisserij werd uitgeoefend. Bij deze inspectie zijn onder meer de wijdtes van de mazen in de netten gemeten. Volgens het rapport kwam uit de meting van 20 opeenvolgende mazen van de stuurboordskuil een gemiddelde maaswijdte van 74,9 mm. Op verzoek van de kapitein van de [vaartuig] voerde de toezichthouder nogmaals een meting uit van een andere reeks van 20 mazen in de stuurboordskuil. Het rapport vermeldt dat uit de in totaal 40 metingen een gemiddelde maaswijdte kwam van 75,1 mm. De metingen werden verricht met een Omegameter (nr. OMG 09071504). De toezichthouder concludeert in het rapport dat de [vaartuig] viste met een sleepnet met kleinere mazen dan de maaswijdte van 80 tot 99 mm die is vastgesteld voor de desbetreffende doelsoorten.

4. Eisers voeren aan dat de voorschriften over minimale maaswijdtes niet mochten worden gesteld; ze zijn in strijd met het legaliteitsbeginsel en er mogen geen andere voorwaarden worden verbonden aan de pulstoestemming dan in Verordening 850/98 is geregeld. De voorschriften zijn ook pas later, na verlening van de pulstoestemming, gewijzigd en daarbij was sprake van misbruik van bevoegdheid. Die wijziging was niet ingegeven door onderzoeksdoeleinden (waarvoor de pulstoestemming is afgegeven) maar had als doel het creëren van een extra handhavingsbevoegdheid. Daarnaast voeren eisers aan dat de apparatuur waarmee de NVWA de maaswijdtes heeft gemeten niet voldeed aan de eisen. Verweerder heeft namelijk niet aangetoond dat het instrument binnen een jaar voorafgaande aan de meting was gekalibreerd. Ook voeren eisers aan dat de grondslag voor de bevoegdheid tot schorsing van de pulstoestemming ontbreekt in de nationale en Europese regelgeving. Bovendien is het schorsen van de pulstoestemming disproportioneel, nu het belang van een zuiver onderzoek naar pulsvissen daarmee niet is gediend en eisers daardoor financieel hard worden getroffen. Bovendien is sprake van misbruik van bevoegdheid omdat de schorsing niet wordt gebruikt met het oog op naleving van de voorschriften van de pulstoestemming maar van een andere wettelijke regeling. Ten slotte voeren eisers aan dat zij met de puntentoekenning en de schorsing van de pulstoestemming twee keer worden gestraft voor hetzelfde feit.

5.1.

Allereerst moet worden beoordeeld of verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld. Eisers stellen in dit kader dat verweerder zich niet mag baseren op de resultaten van de metingen van de maaswijdtes omdat niet is aangetoond dat de meetapparatuur tijdig was gekalibreerd. In Verordening 517/2008 zijn regels gesteld voor de wijze waarop de maaswijdtes van visnetten worden gemeten. In het rapport van bevindingen schrijft de toezichthouder dat de inspecteurs de metingen op de voorgeschreven wijze als bedoeld in Verordening 517/2008 hebben verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die mededeling te twijfelen. Verder staat in het rapport dat de metingen zijn verricht met een Omegameter (nr. OMG 09071504) en zijn bij het rapport onder meer het meetrapport en kalibratiecertificaten gevoegd.

5.2.

Niet in geschil is dat de Omegameter voldoet aan de voorschriften van Verordening 517/2008 en gecertificeerd is als EG-meetinstrument. In Verordening 517/2008 zelf zijn geen voorschriften opgenomen over de kalibratie van het meetinstrument, maar volgens instructies van de NVWA en fabrikant Marelec dient dit één keer per jaar te gebeuren. De inspectie aan boord was op 4 december 2018 en uit het bij het rapport gevoegde kalibratiecertificaat blijkt dat een Omegameter met hetzelfde nummer als genoemd in het rapport (OMG09071504) op 17 januari 2018 is gekalibreerd. Dit was dus binnen een jaar voorafgaand aan de inspectie.

5.3.

Eisers hebben gewezen op twee andere kalibratiecertificaten die bij het rapport zijn gevoegd, maar die betreffen de kalibratie van een testplaat en gewichten, zoals duidelijk is vermeld in de certificaten en ook is bevestigd in het ambtsedig rapport dat na de zitting door een van de inspecteurs van de NVWA is opgesteld. De testplaat en gewichten worden gebruikt voor het kalibreren van de maaswijdtemeter - dit volgt ook uit Verordening 517/2008 – en het kalibreren van de testplaat en gewichten staat dus volledig los van de kalibratie van de maaswijdtemeter zelf.

5.4.

Verder hebben eisers ter zitting opgemerkt dat in het meetrapport van de verrichte metingen bij de inspectie staat: “serial number gauge: 15091504” terwijl dit nummer niet overeenkomt met wat er op het kalibratiecertificaat van de maaswijdtemeter staat, namelijk “Omega Gauge: OMG09071504”. De rechtbank stelt echter vast dat op het kalibratiecertificaat ook het nummer van het meetrapport wordt genoemd, namelijk: “Gauge displayed serial: 15091504”. Daarnaast schrijft de inspecteur van de NVWA in het ambtsedig rapport dat naar aanleiding van deze opmerking van eisers na de zitting is opgesteld, dat hij contact heeft opgenomen met fabrikant Marelec en dat door een medewerker van Marelec is medegedeeld dat het serienummer van het apparaat uniek is en niet verandert maar het nummer in de display van het apparaat - dat op het meetrapport wordt weergegeven - wel kan veranderen vanwege geheugenbeperking in de meter.

5.5.

Gelet op al het voorgaande staat voor de rechtbank voldoende vast dat de metingen zijn verricht met een maaswijdtemeter die tijdig is gekalibreerd. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de resultaten van de metingen te twijfelen. De enkele omstandigheid dat de maaswijdtes van netten van de [vaartuig] een paar maanden eerder bij metingen door Franse inspecteurs in orde waren is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet daarin geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het ambtsedig rapport van bevindingen waarin staat dat de metingen conform Verordening 517/2008 zijn verricht.

6. Op grond van artikel 4, gelezen in samenhang met bijlage I, van Verordening 850/98 geldt voor de doelsoorten waarop die dag met de [vaartuig] werd gevist een maaswijdte van minimaal 80 mm. Bij de inspectie is echter een gemiddelde maaswijdte van 75,1 mm gemeten. Eiseres heeft dus voornoemde voorschriften in Verordening 850/98 overtreden.

7. Ten aanzien van het betoog van eisers dat die voorschriften niet aan de pulstoestemming mochten worden verbonden, overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de pulstoestemming en de daaraan verbonden voorwaarden in dit beroep niet ter beoordeling voorliggen. Als eisers het niet eens waren met de voorschriften van die toestemming, hadden zij daar bij de verlening van de pulstoestemming tegen kunnen opkomen. Ditzelfde geldt voor een tussentijdse wijziging van de voorwaarden van de pulstoestemming. Zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:260) kunnen vergunningvoorschriften waartegen beroep heeft opengestaan, worden gehandhaafd zonder dat alsnog de vraag behoeft te worden beantwoord of die voorschriften rechtmatig zijn vastgesteld. Het belang van de rechtszekerheid, dat ermee is gediend dat van de rechtsgeldigheid van vergunningvoorschriften wordt uitgegaan als deze niet zijn herroepen of vernietigd in de daarvoor bedoelde bezwaar- of beroepsprocedure, verlangt dat vergunningvoorschriften die in rechte onaantastbaar zijn geworden handhaafbaar zijn. Een uitzondering op de regel dat rechtens onaantastbare vergunningvoorschriften afdwingbaar zijn is evenwel niet uitgesloten in geval wordt vastgesteld dat evident is dat dit voorschrift niet gesteld had mogen worden, aldus de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze uitzondering in dit geval geen sprake. Anders dan eisers stellen, is het naar het oordeel van de rechtbank wel toegestaan om voorwaarden te stellen die verder gaan dan de voorwaarden die in artikel 31bis van Verordening 850/98 zijn opgenomen. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen, in de uitspraak van 13 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1226), mag een lidstaat op grond van artikel 46, eerste lid, onder b, van Verordening 850/98 maatregelen vaststellen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in de vorm van voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen die een aanvulling vormen op de Unievisserijwetgeving of die verder gaan dan de minimumeisen die in de genoemde wetgeving zijn vastgesteld.

8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat moet worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de aan de pulstoestemming verbonden voorschriften. In de voorschriften van de pulstoestemming is opgenomen dat moet worden voldaan aan de Uitvoeringsregeling zeevisserij. In artikel 53 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij staat dat het verboden is in strijd te handelen met artikel 4 van Verordening 850/98. Aan de pulstoestemming is dus het voorschrift verbonden dat niet in strijd met artikel 4 van Verordening 850/98 wordt gehandeld.

9. Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres artikel 4 van Verordening 850/98 heeft overtreden, is vervolgens de vraag of verweerder om die reden vier (straf)punten heeft mogen toekennen aan eiseres. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

De puntentoekenning vindt haar grondslag in artikel 92 van Controleverordening 1224/2009. Dit artikel voorziet in een puntensysteem op grond waarvan bij ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 1005/2008 punten worden toegekend aan de houder van een visvergunning. Is een bepaald aantal punten behaald, dan wordt de visvergunning geschorst of ingetrokken.

Voor zover eisers betogen dat geen sprake was van een ernstige inbreuk omdat de afwijking van de minimale maaswijdtes gering was, slaagt dit niet. In artikel 42, eerste lid, van Verordening 1005/2008 staat dat onder ernstige inbreuken wordt verstaan: de activiteiten die in artikel 3 worden beschouwd als illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij (IOO-visserij). Het gebruikmaken van vistuig dat verboden is of niet voldoet aan de voorschriften - zoals hier bij de [vaartuig] is geconstateerd - is in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, als zodanig aangemerkt. Vervolgens laat artikel 3, tweede lid, de lidstaat enige beoordelingsruimte om de in het eerste lid genoemde IOO-visserijactiviteiten als ernstige inbreuken aan te merken en verweerder heeft hieraan invulling gegeven met de Beleidsregel ernstige inbreuken GVB. In artikel 9 van de destijds geldende Beleidsregel is een overtreding als hier aan de orde aangemerkt als een ernstige inbreuk voor zover de afwijking van de toegestane maaswijdte 4 mm of meer bedraagt. De rechtbank beoordeelt dit in beginsel als niet onredelijk en ziet in de omstandigheden van het geval ook geen reden waarom verweerder daarvan had moeten afwijken. Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit toegelicht dat die 4 mm een afwijking van 20 % van de toegestane range is. Dit is een zodanige verkleining van de openingen in het net dat het de selectiviteit van het net beïnvloedt waardoor er een wezenlijk risico is op bijvangst van jonge vis. In dit geval was er een afwijking van 4,9 mm en verweerder heeft dit in redelijkheid als een ernstige inbreuk mogen aanmerken. Op grond van artikel 126, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 404/2011 kent verweerder bij ernstige inbreuken punten toe overeenkomstig bijlage XXX. De overtreding als hier aan de orde valt onder punt 2 van bijlage XXX en daarvoor worden vier punten toegekend. Het primaire besluit I is dus terecht genomen.

10.1.

Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder vanwege de overtreding ook de pulstoestemming heeft mogen schorsen (het primaire besluit II). Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat aan de pulstoestemming het voorschrift is verbonden dat niet in strijd met artikel 4 van Verordening 850/98 wordt gehandeld. Ook staat in de aangepaste voorschriften van 30 november 2016 dat de toestemming kan worden geschorst of ingetrokken als niet wordt voldaan aan de voorschriften. Die enkele mededeling in de brief is op zichzelf niet genoeg; voor een dergelijke bevoegdheid tot schorsing of intrekking is een wettelijke basis vereist.

10.2.

De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit II niet de wettelijke grondslag benoemt waar verweerder zijn bevoegdheid tot schorsing van de pulstoestemming aan ontleent. Er wordt enkel verwezen naar de aangepaste voorschriften van 30 november 2016. Ook in het bestreden besluit wordt die wettelijke grondslag niet benoemd. Daar is alleen gewezen op het feit dat de pulstoestemming een uitzondering is op het pulsverbod in Verordening 850/98 en gesteld dat bij schending van de aan die pulstoestemming verbonden voorschriften het pulsverbod herleeft.

In de destijds aan eiseres verleende pulstoestemming is wel een wettelijke grondslag opgenomen, maar ook die biedt geen aanwijzing voor een grondslag van de schorsingsbevoegdheid. In de verleende pulstoestemming is artikel 53, vierde en vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij als grondslag genoemd maar die grondslag acht de rechtbank onjuist. Artikel 53, eerste lid, benoemt het pulsverbod en artikel 53, vierde en vijfde lid, benoemen de vrijstelling van het pulsverbod dat destijds in artikel 31bis van Verordening 850/98 is opgenomen. Die vrijstelling ziet op de pulstoestemmingen die destijds aan pulsvissers uit de zogenoemde groep 1 zijn verleend. Eiseres behoort echter tot groep 3 die in het kader van wetenschappelijk onderzoek was vrijgesteld van het pulsverbod en dat vond een basis in artikel 43 van Verordening 850/98. Niet artikel 53 maar artikel 55 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij verwijst naar die vrijstellingsmogelijkheid voor wetenschappelijk onderzoek. In de destijds geldende voorschriften van Uitvoeringsregeling zeevisserij is echter voor de op grond van artikel 53 dan wel artikel 55 verleende toestemmingen geen specifieke bevoegdheidsgrondslag opgenomen om die toestemmingen te schorsen.

10.3.

In de uitspraak van 13 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1226) heeft de Afdeling het volgende overwogen.

“De grondslag voor het verbinden van de voorschriften aan de vergunning berust op artikel 46, eerste lid, onder b, van de Verordening 850/98. Daarin staat alleen dat voorwaarden en voorschriften mogen worden opgenomen ter beperking van de vangsten via technische maatregelen. Deze bepaling geeft daarmee niet de bevoegdheid tot het schorsen van de pulstoestemming. De Awb [de Algemene wet bestuursrecht] bevat geen algemene bevoegdheid tot het schorsen van een begunstigende beschikking, zoals de pulstoestemming, bij wege van bestuurlijk sanctie. In de Uitvoeringsregeling zeevisserij zijn geen bepalingen opgenomen waarin de bevoegdheid tot het schorsen van de pulstoestemming is verleend, terwijl een dergelijke bevoegdheid tot schorsing voor de visvergunning en de vismachtiging expliciet is verleend in artikel 96 en artikel 100 van die Regeling. Verordening 850/98 of andere onderdelen van het GVB bevatten ook geen bepalingen die de bevoegdheid verlenen om de pulstoestemming te schorsen. De minister kon ter zitting niet verduidelijken waarin de bevoegdheidsgrondslag voor de schorsing van de pulstoestemming is gelegen. Er is dus geen wettelijke grondslag voor de bevoegdheid de pulstoestemming te schorsen.”

10.4.

Bij brief van 7 november 2020 heeft verweerder op die uitspraak gereageerd en gesteld dat de gemachtigde van verweerder op de zitting bij de Afdeling is overvallen maar dat verweerder meent dat die bevoegdheidsgrondslag er wel is. Volgens verweerder is de aan eiseres verleende pulstoestemming te kwalificeren als een machtiging. Bij de verleende pulstoestemmingen is sprake van drie verschillende groepen en eiseres behoort tot groep 3. Aan groep 3 zijn in 2014 pulstoestemmingen verleend voor wetenschappelijk onderzoek in het kader van de aanlandplicht. Op grond van artikel 7 van Controleverordening 1224/2009 mag een vissersvaartuig vissersactiviteiten voor wetenschappelijke doeleinden alleen verrichten als die activiteiten in een vismachtiging zijn vermeld. Verweerder wijst erop dat dergelijke vismachtigingen worden verleend op grond van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Volgens verweerder is aan eiseres een machtiging verleend om met pulsapparatuur te vissen en is destijds ten onrechte de term toestemming gebruikt en zijn in de verleende toestemming onjuiste artikelen uit de Uitvoeringsregeling zeevisserij genoemd. Verweerder gaat er dus nu van uit dat de verleende pulstoestemming aan eiseres een machtiging is als bedoeld in artikel 97 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij en op grond van artikel 100 van die regeling kan een machtiging worden geschorst.

10.5.

De rechtbank merkt allereerst op dat deze uitleg van verweerder, dat sprake is van een pulsmachtiging, niet aansluit bij de bewoordingen en wetsartikelen die in de pulstoestemming van eiseres zijn genoemd. Ook in de andere pulsvisserijzaken die deze meervoudige kamer op 12 februari 2021 heeft behandeld heeft verweerder nimmer benoemd dat het om een vismachtiging zou gaan of artikel 97 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij van toepassing verklaard. Ook in alle parlementaire stukken over de verleende pulstoestemmingen wordt niet over een machtiging maar enkel over een toestemming gesproken. Maar los daarvan, kan de rechtbank deze uitleg van verweerder over de pulsmachtiging ook niet volgen. In hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij met als titel “Technische maatregelen” staan artikelen die gaan over het pulsverbod in het destijds geldende artikel 31 van Verordening 850/98. Zoals gezegd omvat artikel 53, vierde lid, de pulstoestemming die destijds aan groep 1 is verleend; eiseres behoort tot groep 3 en de vrijstelling van het pulsverbod voor die groep was voor wetenschappelijk onderzoek, wat is geregeld in artikel 55 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. De rechtbank stelt vast dat artikel 55 expliciet spreekt over een toestemming die de minister verleent en niet over een machtiging. Ook verder wordt in de Uitvoeringsregeling zeevisserij nergens een verbinding gelegd tussen verleende toestemmingen en vismachtigingen. Verweerder stelt nu dat de pulstoestemmingen een vismachtiging zijn als bedoeld in artikel 97 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Dit artikel is opgenomen in hoofdstuk 6 van die regeling dat als titel heeft “Controleverordening”. De rechtbank beoordeelt het als wetstechnisch zeer onaannemelijk dat de vrijstelling van het pulsverbod in twee verschillende hoofdstukken van de Uitvoeringsregeling zeevisserij zou zijn geregeld, namelijk hoofdstuk 3, artikel 55 en hoofdstuk 6, artikel 97. Ook is dan onnavolgbaar dat in het ene hoofdstuk de vrijstelling voor wetenschappelijk onderzoek een toestemming wordt genoemd en in het andere hoofdstuk een machtiging. Daarnaast betwijfelt de rechtbank of de vrijstelling van het pulsverbod onder de in artikel 4 van Controleverordening 2009/1224 genoemde definitie van vismachtiging is te scharen.

10.6.

Voor de rechtbank blijft de wettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het schorsen van de pulstoestemming dus geheel onduidelijk. Allereerst heeft verweerder in de pulstoestemming kennelijk een onjuiste grondslag voor verlening genoemd. Maar ook bij het aannemen van een andere grondslag voor verlening binnen hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij blijft staan dat een basis voor de bevoegdheid om een pulstoestemming te schorsen destijds ontbrak. Vervolgens stelt verweerder nu dat sprake is van een vismachtiging waarvoor in artikel 97 wel de bevoegdheid tot schorsing is geregeld, maar zoals hiervoor is overwogen kan de rechtbank die uitleg niet volgen. Verder kan, zoals de Afdeling in voornoemde uitspraak van 13 mei 2020 heeft overwogen, ook in de Awb en in Verordening 850/98 geen bevoegdheidsgrondslag voor schorsing worden gevonden. De rechtbank is dus niet gebleken dat verweerder bevoegd was om naar aanleiding van de vastgestelde overtreding de pulstoestemming te schorsen.

11. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover dat ziet op de schorsing van de pulstoestemming. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit II, waarin de pulstoestemming is geschorst, herroepen. Deze uitspraak betekent dat de schorsing van de pulstoestemming niet langer bestaat en het besluit tot puntentoekenning in stand blijft.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. Daarnaast ziet de rechtbank in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.136,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

14. Eisers hebben de rechtbank ook verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade van ca. € 75.000,- als gevolg van de schorsing van de pulstoestemming. Op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, geldt als bovengrens van de bevoegdheid van de bestuursrechter dat de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt. Het door eisers gestelde schadebedrag overschrijdt deze grens, zodat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Eisers kunnen een vordering instellen bij de burgerlijke rechter.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op schorsing van de pulstoestemming;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit II waarin de pulstoestemming is geschorst;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    verklaart zich niet bevoegd om van het door eisers ingediende verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. A.S. Flikweert, leden, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 mei 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.