Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
ROT 20/5941
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw – geen kostenvergoeding in bezwaar – lagere pkv in beroep – kracht van gewijsde – formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/5941


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiser

gemachtigde: mr. J. Oversluizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder

gemachtigde: mr. S. Yavuzyiĝitoĝlu.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder het recht van eiser op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) herzien, ingetrokken en een bedrag van (netto) € 3.137,13 teruggevorderd.

Bij besluit van 28 januari 2020 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7863, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard en dat besluit deels vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op bezwaar.

Bij besluit van 26 oktober 2020 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 6 februari 2019 tot 1 april 2019 en vanaf 1 juni 2019 en voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering over de periode van 6 februari 2019 tot 1 april 2019, en ongegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de herziening, terugvordering en intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019.

Verweerder heeft het bestreden besluit I herroepen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 6 februari 2019 tot 1 april 2019 en vanaf 1 juni 2019, de terugvordering over de periode van 6 februari 2019 tot 1 april 2019 en het terugvorderingsbedrag bepaald op € 1.940,02 bruto.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich (telefonisch) laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontving in de periode van 6 februari 2019 tot en met 31 mei 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Naar aanleiding van een IB-signaal inzake mogelijk ontvangen inkomsten van eiser heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld en meerdere malen gegevens bij eiser opgevraagd. Hieraan heeft eiser geen gehoor gegeven, waarop verweerder het primaire besluit heeft genomen. Verweerder heeft het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen. Het primaire besluit voor zover het de periode van 1 april 2019 tot 31 mei 2019 betreft, is in stand gelaten. Hiertegen is door eiser geen rechtsmiddel aangewend. In lijn met de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit II genomen, waarin over de periode 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019 een terug te vorderen bedrag is vastgesteld.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit II het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de periode van 1 april 2019 tot 1 juni 2019 heeft de rechtbank overwogen dat uit Suwinet blijkt dat Wepaypeople over de maanden april 2019 en mei 2019 uren heeft verloond. Uit een afschrift van overschrijvingen op 6 juni 2019 door WePayPeople van € 613,93 en op 20 juni 2019 van € 760,94 valt mogelijk af te leiden dat die overschrijvingen zien op de verloonde uren in april 2019 en mei 2019, maar een onderliggende arbeids- of uitzendovereenkomst en loonstroken op grond waarvan die gegevens gecontroleerd kunnen worden, is niet voorhanden. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019. De intrekking en terugvordering over deze periode kunnen dan ook stand houden. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zijn niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft vervolgens de hoogte van het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019 bepaald op € 1.940,01 bruto.

3. Eiser betoogt dat met het bij beroepschrift van 10 november 2020 overleggen van de loonspecificaties van Moyzo uitzendbureau zijn administratie over de periode 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019 nu voldoende inzichtelijk is gemaakt, zodat verweerder zijn bijstandsuitkering ten onrechte over de periode 1 april 2019 tot en met 5 mei 2019 heeft teruggevorderd. Eiser stelt dat, nu de bezwaarfase weer openviel, het op de weg van verweerder lag om, alvorens het bestreden besluit II te nemen, nader onderzoek te verrichten door het opvragen van gegevens bij eiser dan wel door het houden van een hoorzitting dan wel anderszins. Eiser stelt voorts dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de kosten in bezwaar terwijl zijn beroep wel gegrond is verklaard. Gelet op het voorgaande is eiser van mening dat het bestreden besluit II onzorgvuldig tot stand is gekomen en het daarom niet in stand kan blijven.

De beoordeling

4. Uitsluitend in geschil is de periode van 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019. In de aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2020 is geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover het de herziening, terugvordering en intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 1 april 2019 tot en met 31 mei 2019 betreft, in stand kan blijven. Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld en de daarvoor geldende termijn is inmiddels verstreken. Daarmee heeft de uitspraak kracht van gewijsde gekregen en het bestreden besluit I, voor zover het op die periode ziet, formele rechtskracht. Dit betekent dat er voor een hernieuwde discussie of met de, in dit geding, aangeleverde loonstroken het recht wel valt vast te stellen, geen ruimte is. De stelling van eiser dat het op de weg lag van verweerder nader onderzoek te verrichten en gegevens op te vragen, wordt gelet op het voorgaande dan ook niet gevolgd. Tegen de wijze van berekenen van de hoogte van het teruggevorderde bedrag heeft eiser geen gronden ingediend.

5. Verweerder volgt eiser in zijn beroepsgrond dat bij het bestreden besluit II ten onrechte geen vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is toegekend. Nu verweerder inderdaad deze kosten ten onrechte niet heeft vergoed, zal de rechtbank het beroep gelet daarop gegrond verklaren.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder ook in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en wegingsfactor 0,5) Nu het beroep uitsluitend gericht is tegen het niet verstrekken van een kostenvergoeding in bezwaar en tegen een periode waarover reeds onherroepelijk is beslist, ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van de wegingsfactor "licht" (0,5) bij het berekenen van de omvang van de vergoeding van de proceskosten in beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II voor dit betrekking heeft op het niet toekennen van een kostenvergoeding in de bezwaarfase;

- verklaart het beroep ongegrond voor al het overige;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 534 te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Yener, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.