Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3996

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
10/265152-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging en een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen met aftrek van voorarrest wegens diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Omdat alle tot nu toe gepleegde interventies niet tot een veranderde levenswijze hebben geleid, lijkt TBS nog de enige optie om het herhalingsgevaar terug te dringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/265152-20

Datum uitspraak: 15 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte]

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein,

raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. H.H. Balk, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    (primair) veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege;

  • -

    (subsidiair) veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het opzet op de diefstal met geweld ontbreekt. Daarnaast bevat de verklaring van de aangever enkele tegenstrijdigheden en wordt de aangifte niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het DNA van de verdachte dat is aangetroffen op het handvat van het vleesmes, is aangevoerd dat de verdachte dit mes heeft gepakt om zich te verdedigen.

4.1.2.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat de verdachte op 18 oktober 2020 in de woning van de aangever is geweest. De verdachte en de aangever hadden via een datingsite meerdere berichten met elkaar uitgewisseld, waarna de afspraak is gemaakt dat de verdachte naar de woning van de aangever zou komen. Over wat er is gebeurd nadat de aangever de verdachte zijn woning had binnen gelaten, lopen de lezingen uiteen.

De verdachte heeft ter terechtzitting een zogenaamd alternatief scenario aangevoerd. Hij heeft verklaard dat hij de aangever heeft geduwd, omdat de aangever hem probeerde te zoenen. Tevens heeft de verdachte een brillenkoker uit de binnenzak van zijn jas gepakt om de aangever daarmee af te schrikken en op afstand te houden, omdat hij de aangever opdringerig vond. De verdachte heeft uit paniek een klein mesje uit de keuken van de aangever gepakt om zichzelf te verdedigen. Dit mesje heeft de aangever van hem afgepakt, waarna de verdachte een groter mes heeft gepakt om zichzelf opnieuw te kunnen verdedigen. De verdachte heeft verklaard dat hij geen spullen uit de woning van de aangever heeft meegenomen. Ten aanzien van de pet van de aangever die bij de verdachte is aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat hij deze die middag van de aangever cadeau heeft gekregen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de diefstal met (bedreiging met) geweld heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De aangever heeft verklaard dat de verdachte naar zijn jas liep en hieruit een koker pakte. Vervolgens is de verdachte naar de aangever gelopen, heeft deze koker voor zich uitgestoken en op de aangever gericht. Op dreigende toon heeft de verdachte gezegd dat hij

€ 200,- van de aangever wilde hebben. Vervolgens liet de verdachte de koker vallen, pakte een mes uit de keuken en dreigde met dat mes. Toen de aangever het mes afpakte, verwondde de aangever zich aan zijn linkerhand. Hierop pakte de verdachte een ander groter mes uit de keuken en trok een kast open op zoek naar spullen. Ook is de aangever door de verdachte geduwd. De verdachte heeft verschillende goederen uit zijn woning weggenomen, te weten een kluisje met daarin een bankpas, een geldbedrag van € 70,- en een pet.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangever in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Wanneer de politie - kort na het telefoontje van de aangever die vrijwel direct na het incident de politie heeft gebeld – naar de woning komt treft zij de aangever met een bebloede hand op straat aan. De aangever was op dat moment erg aangedaan. Verder ziet de politie in de woning van de aangever twee messen met daarop bloed op de tafel liggen. Tevens worden op diverse plekken bloedspetters op de grond aangetroffen. De aangetroffen messen zijn bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen. Uit het NFI-rapport is gebleken dat het aangetroffen DNA op het handvat van het vleesmes matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van de aangever, anders dan de verdediging heeft betoogd, betrouwbaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de verdediging naar voren gebrachte inconsequenties in de verklaring van de aangever dusdanig van ondergeschikte aard dat deze geen afbreuk doen aan hetgeen de aangever heeft verklaard met betrekking tot de kern van het verwijt.

De raadsman heeft ter zitting nog aangevoerd dat de verklaring van de aangever minder betrouwbaar is, omdat de aangever begeleid woont en hulp van Pameijer krijgt. Dergelijke ongefundeerde conclusies zijn niet alleen ongepast en onnodig grievend, maar zijn evenmin van enige toegevoegde waarde om bij dit juridisch debat naar voren te brengen.

Met betrekking tot de verklaringen van de verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de politie heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de pleitnota van de raadsman die is ingediend ten behoeve van de terechtzitting van 3 februari 2021 is het standpunt ingenomen dat de verdachte van 16 oktober 2020 tot en met 19 oktober 2020 zijn telefoon had uitgeleend, dat misbruik is gemaakt van zijn telefoon en de daarop opgeslagen afbeeldingen en dat hij niet in de woning van de aangever is geweest. De pet die de verdachte bij zijn aanhouding droeg had hij van een kennis gekregen wiens naam hij niet wilde noemen. Pas wanneer de resultaten van het DNA-onderzoek aan het dossier worden toegevoegd komt de verdachte op de onderhavige terechtzitting met het geschetste alternatieve scenario.

De aanloop naar de totstandkoming van deze laatste eerst ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte maakt dat de rechtbank onvoldoende geloof hecht aan deze verklaring. Deze verklaring legt de rechtbank dan ook als onaannemelijk terzijde.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 18 oktober 2020 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict] een kluis en bankpas en pet en 70 euro toebehorende aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door (dreigend) een koker en messen aan die [naam slachtoffer] te tonen/voor te houden en op die [naam slachtoffer] te richten en (daarbij) die [naam slachtoffer] te duwen en (daarbij) aan die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Ik wil 200 euro van je".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.1.

Strafbaarheid

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken [de rechtbank begrijpt ontslag van alle rechtsvervolging], nu hij heeft gehandeld uit noodweer.

5.1.2.

Beoordeling

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is van een aanranding die ogenblikkelijk en wederrechtelijk is en die gericht is tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigingsmiddel geboden moeten zijn.

Allereerst dient daarvoor te worden beoordeeld of de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht aannemelijk is geworden.

Zoals reeds hiervoor onder rechtsoverweging 4.1.2 is overwogen vindt de verklaring van de verdachte omtrent de gebeurtenissen in de woning geen steun in het dossier en is deze verklaring ook overigens niet aannemelijk geworden.

Nu op geen enkele wijze is vast komen te staan dat sprake is geweest van een noodweersituatie waarin voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging, wordt het beroep op noodweer verworpen.

5.1.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval. De verdachte heeft daarbij misbruikt gemaakt van het door hem opgewekte vertrouwen van het slachtoffer. Het slachtoffer wist niet beter dan dat hij een romantische date met de verdachte zou hebben en heeft hem zijn woning – een plek waar je je bij uitstek veilig moet kunnen voelen – binnengelaten. Hierna heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd met een koker en met messen. Tevens heeft hij het slachtoffer geduwd. De verdachte heeft hierdoor een dreigende en een beangstigende situatie gecreëerd voor het slachtoffer. Er zijn vervolgens door de verdachte verschillende goederen weggenomen uit de woning van het slachtoffer, te weten: een kluis, een bankpas, een pet en een geldbedrag.

Het behoeft geen betoog dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van dat wat hen is overkomen. Blijkens de slachtofferverklaring wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk niet heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen

GZ-psycholoog [naam GZ-psycholoog] (hierna: psycholoog) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 6 januari 2021. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.

Er is sprake geweest van meerdere psychotische episodes sinds 2011. Bij de GGZ-instelling waar de verdachte tussen 2011 en 2016 in behandeling was, werd de diagnose schizofrenie vastgesteld, waarbij wel werd aangegeven dat differentiaal diagnostisch ook sprake kan zijn van een psychotische stoornis door een middel. Deze (differentiaal) diagnose wordt ook nu overgenomen. Daarnaast is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in middelengebruik (met name cannabis en speed, in remissie door het (langdurige) verblijf in een gereguleerde omgeving) en wordt differentiaal diagnostisch een verstandelijke beperking (licht) gesteld. Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde psychotisch was. Over het functioneren op verstandelijk beperkt niveau en de antisociale persoonlijkheidsstoornis kan wel gesteld worden dat dit ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde, gezien de chronische aard ervan. Het is voorstelbaar dat, indien de verdachte schuldig bevonden wordt, zijn (persoonlijkheids- en functioneren op verstandelijk beperkt niveau)problematiek heeft meegespeeld in het tenlastegelegde, maar hoe en in welke mate is niet bekend. Vanuit de beschreven problematiek komen vele risicofactoren naar voren welke al jarenlang (chronisch) aanwezig zijn. Dit maakt dat het recidiverisico voor vermogensdelicten hoog wordt ingeschat en het risico op gewelddadige recidive matig tot hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een fors strafblad en recidiveert – indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht – zelfs binnen een ISD-maatregel. Het lijkt erop dat, gezien de voorgeschiedenis van de verdachte, een gestructureerd en intensief kader binnen een hoog beveiligingsniveau nodig is om hem te begeleiden bij zijn forse pathologie en sociaalmaatschappelijke problematiek. Geadviseerd wordt om met name in te zetten op steunende en structurerende vormen van begeleiding c.q. behandeling binnen een voorspelbare en (voorlopig zeer) gecontroleerde omgeving. Hierbij is de verwachting dat hij langdurig hand in hand begeleiding nodig zal hebben. Het is wenselijk om met name in te zetten op ondersteuning bij abstinent blijven van middelen, behouden van structuur en regelmaat en ondersteuning bij wonen en dagbesteding. De vraag binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) dit gerealiseerd zou(den) kunnen worden, is een vraag die nauwelijks kan worden beantwoord, daar er onvoldoende zicht is gekregen op de eventuele doorwerking van zijn problematiek in het tenlastegelegde. Wel moet benoemd worden dat er geen meerwaarde meer werd gezien in een reclasseringstoezicht vanwege het terugkerende recidiveren en zich niet conformeren aan de begeleiding (evenals te complexe problematiek). Toezicht werd toen al als een gepasseerd station gezien.

Psychiater [naam psychiater] (hierna: psychiater) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 december 2020. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.

Er is sprake van schizofrenie, een lichte verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van verslavingsgevoeligheid. Deze stoornissen zijn chronische stoornissen die ook aanwezig waren tijdens het ten laste gelegde. In hoeverre deze stoornissen van invloed waren op de gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde is niet te zeggen, aangezien de verdachte het ten laste gelegde ontkent en zich beroept op zijn zwijgrecht. Het recidiverisico ten aanzien van vermogensdelicten (met of zonder geweld) wordt hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren aanwezig en de verdachte disfunctioneert op alle leefgebieden. Er kunnen geen aanbevelingen worden gedaan ter preventie van recidive en de rapporteur kan geen advies geven binnen welk juridisch kader dit zou moeten worden gerealiseerd.

Inforsa heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 januari 2021. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in.

Op vrijwel alle gebieden doen zich problemen voor. Er zijn geen beschermende factoren aanwezig. De verdachte is meerdere keren veroordeeld tot (on)voorwaardelijke straffen, geldboetes, werkstraffen en is recent (juli 2019) in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD) geplaatst. Met een korte onderbreking verbleef de verdachte – in het kader van de extramurale fase ISD – in de FPA Heiloo, totdat hij zich op 12 oktober 2020 onttrok aan zijn behandeling.

De eerder aan de verdachte opgelegde reclasseringscontacten met het daarbij horende toezicht zijn voortijdig negatief beëindigd. Op basis van het interventieadvies van het NIFP worden er geen mogelijkheden meer gezien om te komen tot recidivebeperking. Eerdere behandelingen in het kader van eerdere (strafrechtelijke) modaliteiten hebben niet geleid tot het gewenste effect. Meerdere criminogene factoren dan wel problemen op meerdere leefgebieden, zijn ontkennende houding en eerder ingezette voortijdig afgebroken trajecten zorgen voor een hoog risico op recidive. De verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. In verband hiermee wordt het risico op letselschade als hoog ingeschat. Uit eerder uitgebrachte reclasseringsrapportages en het huidige Pro Justitia rapport blijkt dat er al langere tijd sprake is van een hoog risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden. Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan is sprake van aanhoudend delictgedrag.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

De psycholoog en de psychiater hebben ter terechtzitting, gehoord als deskundigen, hun advies bevestigd.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank stelt op basis van de voornoemde rapportages vast dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie, een licht verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Gelet op de chronische aard van deze stoornissen gaat de rechtbank er vanuit dat deze ook tijdens het begaan van het bewezenverklaarde aanwezig waren. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat deze stoornissen niet hebben gespeeld ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde. Gelet op het voorgaande wordt de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Nu alle interventies die de afgelopen jaren aan de verdachte zijn aangeboden niet tot verbetering in zijn gedrag hebben geleid en hij ook de ISD maatregel niet tot een goed einde heeft weten te brengen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen, thans de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van de verdachte eisen. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit en het gevaar voor herhaling, hetgeen volgt uit de voornoemde rapportages.

Daarnaast wordt vastgesteld dat het bewezen verklaarde feit, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en voorts dat dit een misdrijf betreft dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

De rechtbank acht het - gelet op de inhoud van de rapportages - van belang dat de verdachte spoedig met zijn behandeling kan starten, zodat deze behandeling zo veel als mogelijk kan aansluiten bij hetgeen hem in het kader van de ISD-maatregel reeds is aangeboden. Daarom zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen langere gevangenisstraf opleggen dan de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] ter zake van het ten

laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 149,34 aan materiële

schade en een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en dan ook volledig dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Primair is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is door de verdediging verzocht de immateriële vordering te matigen tot een bedrag van € 150,-. Door met iemand via internet contact te zoeken valt de aangever ook enig verwijt te maken en daarnaast is de aangehaalde uitspraak geen soortgelijk geval. Verder dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in het deel van de materiële vordering dat ziet op de messen en het T-shirt, aangezien de messen niet door de verdachte zijn meegenomen en het bedrag ten aanzien van het T-shirt onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de inhoud van het geldkistje dient slechts een bedrag ter hoogte van € 40,- te worden toegewezen.

8.3.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de posten:

  • -

    geldkluisje met inhoud: € 74,95;

  • -

    messen (2 stuks): € 3,00,

toewijzen, aangezien de vordering ten aanzien van deze posten genoegzaam is onderbouwd. Ook de post ‘reis- en parkeerkosten’ (€ 32,39) zal worden toegewezen, nu deze post voldoende is onderbouwd en door de verdediging niet is weersproken.

De post ‘T-shirt’ (€ 39,00) is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Zo is door de benadeelde partij bijvoorbeeld geen factuur overgelegd waaruit het aankoopbedrag blijkt en zijn in het dossier geen aanwijzingen dat als gevolg van het gepleegde feit een T-shirt kapot is gegaan. Om deze reden zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 850,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 oktober 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 960,34, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 960,34 (zegge: negenhonderdzestig euro en vierendertig cent), bestaande uit € 110,34 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen € 960,34 (hoofdsom, zegge: negenhonderdzestig euro en vierendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 960,34 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 19 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en A. Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. van Wuijckhuijse, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 oktober 2020 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict] een kluis en/of schoenendoos (inclusief schoenen) en/of bankpas en/of pet en/of 70 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (dreigend) een koker en/of een of meer messen aan die [naam slachtoffer] te tonen/voor te houden en/of op die [naam slachtoffer] te richten en/of (daarbij) die [naam slachtoffer] te duwen en/of (daarbij) aan die [naam slachtoffer] de woorden toe te voegen: "Ik wil 200 euro van je", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.